maandag, augustus 10, 2020

Zomaar een kerk te lande

Allereerst herinner ik aan wat Pius XII zei in 1956: "Het tabernakel van het altaar scheiden is het scheiden' van twee dingen, die door hun oorsprong en hun aard verenigd moeten blijven." Met andere woorden, zeg me waar het tabernakel staat en ik zal zeggen wat voor een gelovige je bent. Voor de context zie deze eerdere post.

Laten we de proef op de som nemen in zomaar een kerk te lande.

Allereerst de situatie tot 1965. Altaar en tabernakel zijn verenigd.

Vervolgens vind de scheiding plaats om versus populum mogelijk te maken!

Vervolgens wordt het tabernakel verwijderd. Bemerk dat de plaats van het tabernakel is ingenomen door een lelijkheid en een klok! Blijkbaar geeft de liturgie geen voorsmaak meer op de hemel zoals Sacrosanctum Concilium schrijft maar gaat de tijd ofwel vooruit of helemaal niet!

Tot slot... is er niets meer behalve de gemeenschap die zichzelf viert!


zondag, juni 14, 2020

Gaudium et Spes

De zogenaamde 'Pastorale constitutie' van Vaticanum II 'Gaudium et Spes' heeft als ondertitel: "Over de Kerk in de wereld van deze tijd" - "De Ecclesia in mundo huius temporis".

Father John Hunwicke schreef hierover volgende interessante opmerking:

"How long is hoc hodiernum tempus to be deemed to last?

A few hundred Council Fathers were worried by the incorporation into a conciliar constitution of transient observations relating to a rapidly changing world: which is why, to satisfy such traditionalist pedantry, a long exculpatory Note is attached to that constitution's title. But - still - how long was their hodiernum tempus?

In the World outside the conciliar aula, that 1960s tempus passed quite quickly. The Beatles soon became what they are now, a delightful but retro taste. I recall the first of Ian Fleming's books to be made a film ... that distant decade when female parishioners told me that I resembled Sean Connery ... but, as the years passed after Dr No, the producers increasingly found Fleming's hodiernum tempus much too old-fashioned ... and commissioned new scripts. Among politicians, hoc hodiernum tempus was marked by the Cold War and fears that the Menace of World Communism would gobble up country after country until we had Soviet Commissars looking over our shoulders as we ordered our books up to Duke Humphrey or punted down the Cherwell. That tempus passed before the 1990s.

But perhaps hodierna tempora last longer in the Church? Did the hodiernum tempus Concilii Vaticani II end with the death of the last pope who was himself a Father of the Council - in 2005? (I presume that, long before then, the last conciliar diocesan bishop had retired upon reaching the retirement age). Or will hoc hodiernum tempus end when the last old gentlemen ... Kuengs and Ratzingers ... who were bright young periti of the Council, have passed to their (immensely varied but equally deserved) rewards? Or let us consider the Babes of the Council: those who ... despite the contraceptive frenzy of the time ... succeeded in getting conceived during the conciliar decade. They are already in middle age, tut-tutting in front of their mirrors over their white hairs and counting the wrinkles round their eyes. In a generation they will be retiring; a generation after that they will be as deadish as I shall be. Which of these landmarks might indicate the end of hoc hodiernum tempus?

And what about the Internet? Even the invention of printing had a lesser effect than this innovation.

A preoccupation with "the Council"is in fact a determination to live in the increasingly distant past.

This point seems to me so blindingly obvious that I almost feel ashamed to make it, lest you throw up your hands in boredom or despair and turn elsewhere in your computers.

I wonder how long it will be for the obvious to become obvious to the blind." 

dinsdag, maart 03, 2020

Chesterton

A queer and almost mad notion seems to have got into the modern head that, if you mix everybody and everything more or less anyhow, the mixture may be called unity, and the unity may be called peace.
It is supposed that, if you break down all doors and walls so that there is no domesticity, there will then be nothing but friendship. Surely somebody must have noticed by this time that the men living in a hotel quarrel at least as often as the men living in a street…
These foolish people trace all the chances of war to the very thing which will always be the best chance of peace — men’s habit of dwelling in their own boundaries and minding their own business. The only hope of attaining amity lies, not in ignoring boundaries, but, on the contrary, in respecting them.

Illustrated London News, 8 September 1917.

dinsdag, januari 28, 2020

Petrum et Paulum, 12 februari 1967


Apostolische Exhortatie van zijne heiligheid PAULUS VI, door de goddelijke voorzienigheid paus, aan alle bisschoppen die in vrede en gemeenschap leven met de Apostolische Stoel, ter gelegenheid van het negentiende eeuwfeest van de marteldood van de heilige apostelen Petrus en Paulus te Rome

Paus Paulus VI groet zijn eerbiedwaardige broeders en zendt hun zijn apostolische zegen.

De apostelen Petrus en Paulus worden door de christenen terecht als de voornaamste pijlers beschouwd niet alleen van deze Heilige Stoel van Rome, maar van geheel de Kerk van de levende God in heel haar verspreiding over de wereld. Wij achten het daarom in overeenstemming met ons apostolisch ambt u allen, eerbiedwaardige broeders, met nadruk aan te bevelen om elk in uw eigen bisdom en in eensgezindheid met ons het negentiende eeuwfeest te laten vieren van het martelaarschap dat deze twee te Rome zo moedig hebben ondergaan: Petrus, die door Christus de Heer als fundament van zijn Kerk is gekozen en als bis schop van deze heilige stad, en Paulus, de leraar van de heidenen (vgl. 1 Tim 2,7),  leermeester en vriend van de eerste christen gemeente van Rome.


Terwijl bij de mens van onze tijd het religieus gevoel, dat als het ware de grondslag is waarop het geloof steunt, aan het afnemen is, breken zich hier en daar op het veld van de katholieke leer nieuwe exegetische en theologische op vattingen baan, die vaak ontleend zijn aan stoutmoedige maar onbruikbare wijsgerige systemen. Deze opvattingen stellen de authentieke betekenis in twijfel van de waarheden die de Kerk uit kracht van haar gezag onderwijst, of misvormen haar; ja, onder voorwendsel het religieus denken aan te passen aan de huidige mentaliteit, verwaarlozen zij de richtlijnen van het kerkelijk leergezag, drukken een duidelijk, wat men noemt, historicistisch stempel op het theologisch onderzoek en gaan zover het getuigenis van de Heilige Schrift zijn gewijd karakter en historische betrouwbaarheid te ontzeggen; zelfs spant men zich in het volk van God een zogenaamde postconciliaire mentaliteit bij te brengen. 

Een dergelijke mentaliteit betekent evenwel een miskenning van de onwrikbare samenhang die er bestaat tussen enerzijds de rijke ontwikkelingen van het oecumenisch concilie op leerstellig en wetgevend gebied en anderzijds het gewijde erfgoed van kerkelijk leergezag en kerkelijke discipline; zij dreigt de traditionele geest van trouw jegens de Kerk af te breken en geeft voedsel aan een illusoir verlangen om het christendom een nieuwe interpretatie te geven, een interpretatie die echter nooit anders dan onrijp en onvruchtbaar kan zijn. Wat zou er overblijven van onze geloofswaarheden en van het geloof zelf, die theologale deugd, als dergelijke pogingen erin zouden sla gen zich aan het kerkelijk leergezag te onttrekken en de overhand te krijgen?

Om daarentegen een werkelijk authentiek geloof te versterken, om de studie te bevorderen van de bepalingen van het jongste oecumenisch concilie, om het katholiek denken te ondersteunen in zijn zoeken naar nieuwe theologische uitdrukkingsvormen, die overigens overeen moeten stem men met het geheel van de leer van de Kerk als gelijk naar inhoud en gelijk naar betekenis (vgl.Vincentius van Lérins, Commonitorium 1, 23; PL 50, 668; DS 3020); om ons met dit alles, herhalen wij, op weg te helpen, brengt de tijd ons nu het eeuwfeest van deze apostelen. 

AAS 59 (l967), pp. 193-200  


vrijdag, januari 24, 2020

Notre charge apostolique over broederlijkheid


Notre charge apostolique. Brief aan de bisschoppen van Frankrijk (Bron: ASS 2 (1910) 607-633)

Onze apostolische taak vereist van ons dat Wij waken over de zuiverheid van het geloof en over de integriteit van de katholieke discipline en dat Wij de gelovigen vrijwaren van de gevaren van de dwaling en het kwaad, vooral wanneer de dwaling en het kwaad voorgesteld worden in een aangrijpende taal die, terwijl het vage ideeën en dubbelzinnige uitdrukkingen verbergt onder de bevlogenheid van het gevoel en de welluidendheid van woorden, de harten kan ontvlammen ten gunste van verleidelijke maar funeste zaken. Dit waren vroeger de stellingen van de zogenaamde filosofen van de achttiende eeuw, van de revolutie en het liberalisme die meerdere malen zijn veroordeeld. Ook vandaag nog zijn dit de theorieën van Sillon die, onder hun schitterende en genereuze gedaantevormen, et zeer dikwijls ontbreekt aan helderheid, logica en waarheid. In deze zin behoren deze theorieën niet tot de katholieke en Franse geest.
….
Hetzelfde is het gesteld met de notie ‘broederlijkheid’ waarvan zij de basis leggen in de liefde voor gemeenschappelijke interesses of, aan de overzijde van alle filosofieën en religies, in het eenvoudige begrip ‘mensheid’ dat in dezelfde liefde en met een gelijke tolerantie alle mensen omvat met al hun ellendes, zowel intellectueel als moreel, fysiek en tijdelijk. Welnu, de katholieke leer onderwijst ons dat de eerste plicht van de liefde er niet in bestaat verkeerde overtuigingen te tolereren, hoe oprecht ze ook mogen zijn. Evenmin bestaat deze in de theoretische of praktische onverschilligheid voor de dwaling en de ondeugd waarin wij zien dat onze broeders zijn terechtgekomen. Daarentegen bestaat de eerste plicht van de liefde in de ijver voor hun intellectuele en morele verbetering en evenzeer voor hun materieel welzijn. Dezelfde katholieke leer onderwijst ons ook dat de bron van de naastenliefde zich bevindt in de liefde tot God, gemeenschappelijke vader en doel van geheel de menselijke familie, en in de liefde tot Jezus Christus, waarvan wij de leden zijn zodanig dat in het troosten van een ongelukkige wij goed doen ten aanzien van Jezus Christus zelf. Elke andere liefde is een illusie of een steriel en voorbijgaand gevoelen. Er is inderdaad de menselijke ervaring van heidense en seculiere maatschappijen van alle tijden om aan te tonen dat op een bepaald moment de beschouwingen over gemeenschappelijke interesses of natuurlijke gelijkenissen slechts weinig vermogen ten aanzien van de passies en begeerten van het hart.

Eerbiedwaardige Broeders, er is geen echte broederlijkheid buiten de christelijke liefde die, door de liefde voor God en Zijn Zoon Jezus Christus onze Redder, alle mensen omvat om hen allen te troosten en hen allen te leiden naar hetzelfde geloof en hetzelfde hemelse geluk. Door broederlijkheid te scheiden van de christelijke liefde in deze zin zou de democratie, veeleer dan een vooruitgang, een desastreuze stap terug betekenen voor de beschaving. Want, indien men wel komen tot  - en Wij verlangen dit met geheel Ons hart - het grootst mogelijke geheel van welzijn voor de maatschappij en voor elk van de leden door middel van de broederlijkheid of, zoals men ook zegt, door middel van de universele solidariteit, dan dienen alle geesten verenigd te zijn in de waarheid, elke wil verenigd in de moraal en elk hart verenigd in de liefde tot Gd en tot Zijn Zoon, Jezus Christus. Deze vereniging is enkel realiseerbaar door middel van de katholieke liefde en daarom kan de enkel de katholieke liefde de volkeren leiden naar in de mars naar de vooruitgang naar de ideale beschaving.
Gegeven te Rome bij Sint-Pieter op 25 augustus 1910, het achtste jaar van Onze Pontificaat.
Paus Pius X