Een interessant stuk van Michael Pakaluk bij The Catholic Thing. Hier een vertaling:
Paus Leo XIV nam zijn naam aan om zijn nabijheid tot Leo
XIII te signaleren, en toch lijken zijn uitspraken in zijn recente Apostolische
Exhortatie, Dilexi te, soms haaks te staan op die van zijn voorganger: over de
wortel van sociale kwalen, de bestrijding van armoede en privébezit.
De wortel van sociale kwalen
Voor Leo XIV ligt de wortel van sociale kwalen in
ongelijkheid. Hij bevestigt Franciscus en zegt: "Ik kan alleen maar
nogmaals stellen dat ongelijkheid 'de wortel van sociale kwalen is'." (nr.
94, citerend Franciscus, Evangelii Gaudium, nr. 202))
Maar voor Leo XIII ligt de bron van sociale kwalen, in zijn
eerste encycliek, Inscrutabili Dei consilio eerder in de verwerping van het
christendom door burgerlijke machten: "De bron van [sociale] kwalen ligt
voornamelijk, daarvan zijn Wij overtuigd, in dit, dat de heilige en
eerbiedwaardige autoriteit van de Kerk, die in Gods naam de mensheid regeert,
alle wettige autoriteit handhaaft en verdedigt, is veracht en terzijde
geschoven." (nr. 3)
Het verschil is aanzienlijk, want als het christendom niet
noodzakelijk is, dan zou het volstaan om sociale kwaden te elimineren als
burgerlijke machten de "structuren van zonde", dat wil zeggen
structuren van ongelijkheid, zouden uitroeien. Maar als het christendom wel
noodzakelijk is, dan zou het duidelijk de belangrijkste beleidsmaatregel voor
een burgerlijke macht zijn om christelijk geloof en praktijk aan te moedigen,
of op zijn minst goede voorwaarden ervoor te scheppen (bijvoorbeeld door het
voor ouders gemakkelijk, niet moeilijk, te maken om hun kinderen naar
religieuze scholen te sturen).
In Rerum novarum leerde Leo XIII dat het streven naar
gelijkheid een onrealistische droom van het socialisme is: “Vooraf zij
vastgesteld, dat men niet moet ingaan tegen de voor de mensheid vastgestelde
ordening: dat in de maatschappij het lagere niet aan het hogere gelijk kan
worden. Hiernaar streven wel de socialisten: maar elk streven ingaande tegen de
natuur blijft vruchteloos. De mensen immers verschillen onderling in zeer vele
en voorname punten: niet allen bezitten hetzelfde verstand, dezelfde
bekwaamheid, dezelfde gezondheid, dezelfde krachten. Het gevolg van dit
noodzakelijk verschil is vanzelf een ongelijk fortuin; hetgeen alleszins zowel
aan de individuen als aan de gemeenschap ten goede komt.” (nr. 14)
Als men zou antwoorden dat de ongelijkheid die Leo XIV, in
navolging van Franciscus, bedoelt, niet die van resultaten en bezittingen is,
maar van aanzien voor de wet en respect voor menselijke waardigheid, dan
verandert de aard van "armoede" radicaal. Onmiddellijk zijn dan de
armste leden van onze samenlevingen de ongeborenen, omdat zij degenen zijn wier
gelijke menselijke waardigheid het meest wijdverbreid wordt ontkend, over de
hele wereld. Hieruit zou volgen dat de "preferentiële optie voor de
armen" van de Kerk de vorm zou moeten aannemen van het pre-eminent maken
van de pro-life zaak.


De bestrijding van armoede
Wat de bestrijding van armoede betreft, Leo XIII was goed
geïnformeerd over de hedendaagse economische wetenschap via zijn assistent,
pater Matteo Liberatore, S.J.
Het werk van Adam Smith begint precies met de observatie dat
sommige landen zich aan de armoede ontworstelen en andere niet. Wat verklaart
het verschil? Economische lessen beginnen vandaag de dag vaak met een
presentatie van de "hockeystickgrafiek" van verbazingwekkende
wereldwijde economische groei in de laatste 300 jaar en stellen de vraag: wat
verklaart dit? Het antwoord, aanvaard door zowel pater Liberatore als paus Leo
XIII, is het handhaven van het recht op privébezit door de burgerlijke macht,
en de erkenning dat individuen in hun economische activiteit, en gezinnen,
prioriteit hebben boven de staat – dat wil zeggen, een vrije markt en een vrije
samenleving. De staat heeft een rol om misbruiken zoals onderdrukkend lange
werkuren te corrigeren, maar over het algemeen zou een goed bestuur van de
staat voldoende moeten zijn (nrs. 32-33).
Maar het standpunt van Leo XIV lijkt het belang van die
hockeystickgrafiek te ontkennen: "De bewering dat de moderne wereld de
armoede heeft verminderd, wordt gedaan door armoede te meten met criteria uit
het verleden die niet overeenkomen met de hedendaagse realiteit," (nr.
13). Hij benadrukt dat armoede niet absoluut moet worden gedefinieerd, maar
relatief ten opzichte van de levensstandaard van een bepaald land.
Maar als marktprocessen voor het creëren van rijkdom de
armoede (in die opvatting) niet hebben verminderd, dan volgt daaruit dat elk
vertrouwen dat ze dit in de toekomst wel zouden kunnen doen, het product moet
zijn van louter "ideologieën". En deze worden beschreven op een karikaturale
manier, zodat ze niet overeenkomen met een standpunt dat vandaag de dag door
een verantwoordelijk persoon wordt ingenomen: zoals "verdediging van de
absolute autonomie van de markt" (92), en de opvatting dat
"economisch denken van ons vereist te wachten tot onzichtbare
marktkrachten alles oplossen" (ibidem).
Deze schijnbare afsluiting van de vrije markt is des te
raadselachtiger omdat Leo aan het einde van zijn exhortatie, waar hij pleit
voor aalmoezen, eerst zegt dat het natuurlijk beter is om een baan voor een arm
persoon te vinden dan hem aalmoezen te geven (n. 115). Het is echter duidelijk
dat we geen banen voor de armen kunnen vinden, tenzij iemand ze eerst schept. Zelfs
beter dan aalmoezen geven, is dus de geest van investering en ondernemerschap,
werkzaam in een goed gereguleerde markt. Deze dient de de armen het best.
Privébezit
Ook met betrekking tot de centraliteit van het natuurlijke
recht op privébezit lijkt Leo te verschillen van Leo. Leo XIII geloofde dat
zowel de armen als de rijken werden geplaagd door hebzucht, en dat hebzucht in het
geval van de armen vaak de vorm aannam van simpelweg willen nemen van de rijken
om in hun behoeften te voorzien, in plaats van te werken om iets te hebben om
te ruilen.
Dilexi te van Leo XIV bevat daarentegen het volgende: “Daarom
heeft iedereen het recht om een toereikende hoeveelheid aardse goederen te
bezitten voor zichzelf en hun familie. . . . Personen in extreme nood hebben
het recht om te nemen wat ze nodig hebben uit de rijkdom van anderen.”
De tweede zin is een citaat uit Gaudium et spes (nr. 69),
waar een voetnoot alle noodzakelijke kwalificaties en een verwijzing naar Thomas
van Aquino geeft, om te waken tegen kwaadwillende interpretaties. Zo’n voetnoot
wordt hier niet gegeven. Bovendien is de taal van de concilievaders subtiel (sibi
procuret) en betekent het niet helemaal, botweg, “nemen.”
Maar combineer deze uitspraak, zonder voorbehoud, met het
idee dat er geen absolute norm voor armoede is, en daarom geen absolute norm
voor extreme nood – en het resultaat is op zijn zachtst gezegd verontrustend.
Over sociale kwaden, armoede en bezit – mochten de Leo's
maar in koor brullen!