Posts tonen met het label Liturgische theologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Liturgische theologie. Alle posts tonen

dinsdag, april 24, 2012

De stilte van de Romeinse Canon


“Terwijl een diepe stilte alles omgaf en de nacht was voortgesneld tot de helft van zijn baan, daalde uw almachtig Woord, o Heer, van zijn koninklijke troon, alleluia” (Magnificat-antifoon van de Vespers van 26 december)

Eén van de meest opvallende verschillen tussen de beide vormen van de Romeinse Ritus is de stilte waarmee in de buitengewone vorm de Romeinse Canon wordt gebeden.
Net zoals bij de gebedsrichting zwijgt Sacrosanctum Concilium in alle talen over het eeuwenoude gebruik de Romeinse Canon in stilte te bidden. Daarom spreekt ook Paulus VI in zijn Apostolisch Motu Proprio Sacram Liturgiam over het van kracht worden van bepaalde voorschriften van de Constitutie over de Heilige Liturgie van 25 januari 1964 niet hierover.
Maar in nr. 48 van Inter Oecumenici, de Instructie voor de uitvoering ([sic!] van de Constitutie over de heilige Liturgie vanwege het Concilium ter uitvoering van de Constitutie heilige liturgie van 26 september 1964 wordt bepaald dat de doxologie van de Romeinse Canon hardop dient gebeden te worden.
Drie jaar later bepaalt de Congregatie voor de Riten in Tres abhinc annos, de tweede Instructie voor de juiste uitvoering [sic!] van de Constitutie over de H. Liturgie  van 4 mei 1967 in nr. 10 dat “In Missen met gelovigen, ook al worden ze geconcelebreerd, mag de celebrant de canon hardop lezen, naargelang het hem goed dunkt.”
Vanzelfsprekend is men in beide gevallen (1964 en 1967) niet in staat om deze bepaling te funderen vanuit Sacrosanctum Concilium!

Het eeuwenoude gebruik gaat terug tot de vroege 9e eeuw (zie Jungmann, Missarum Sollemnia II, 131). Het Concilie van Trente zag zich genoodzaakt deze praktijk te verdedigen: “Si quis dixerit, Ecclesiae Romanae ritum, quo submissa voce pars canonis et verba consecrationis proferuntur, damnandum esse; aut lingua tantum vulgari Missam celebrari debere; aut aquam non miscendam esse vino in calice offerendo, eo quod sit contra Christi institutionem: an. s.” (DH 1749). ‘Submissa voce’ of ‘secreto’ zoals het Missaal van 1570 dit bepaalt betekent volgens ditzelfde missaal dat de celebrant zijn eigen stem moet kunnen horen.

Deze eeuwenlange traditie heeft zeer goede gronden.

1/De mysteries van onze verlossing (Menswording, Dood en Verrijzenis) gebeurden in stilte. De liturgie stelt deze mysteries weer tegenwoordig en dus is het gepast deze tegenwoordigstelling opnieuw met stilte te omhullen, om “de onuitsprekelijke waarheden met een eerbiedwaardige stilte te vereren” (Pseudo-Dionysius, De divinis nominibus I, 3).

2/De stilte bewaart en beschermt het geheim dat gevierd wordt: “de waardigheid van de mysteries wordt het best bewaard door de stilte” (Basilius, De spiritu sancto, nr. 66).

3/De canon is als het allerheiligste van de tempel te Jeruzalem dat enkel de hogepriester éénmaal per jaar betreden mocht (Hebr. 9, 7). De stilte van de canon is er omwille van de heiligheid van het gebeuren waar enkel de priester in binnentreedt. De stilte van de canon brengt daarom op uitzonderlijke wijze de bijzondere plaats van de priester als middelaar ‘in persona Christi’ naar voren. De priester die ‘versus orientem’, naar God gericht, in stilte de canon bidt, geeft uitdrukking aan het woord van Hebr. 5, 1: “Want elke hogepriester wordt genomen uit de mensen en aangesteld voor de mensen, om hen te vertegenwoordigen bij God en om gaven en offers op te dragen voor de zonden”. De stilte van de canon is zo uitermate geschikt om de priesterlijke identiteit van het wijdingsambt te vormen en verdiepen.
Het is daarom niet verwonderlijk dat Luther dit beschouwt als een duivelse daad (“Hat nit hie der Teufel uns daö Hauptstuck von der Messe meisterlich gestohlen, und in ein Schweigen bracht?” (1520: Ein Sermon von dem neuen Testament, das ist von der heiligen Messe (Weimar Ausgabe 6, 362). Terecht heeft het Concilie van Trente daarom hierover een anathema uitgesproken! Het betreft hier de grondslagen van het katholieke geloof, nl. het gewijde priesterschap!

4/Het besef dat de priester geheel en al opgenomen is in het Christus-mysterie, zonder communicatie met het volk, vormt het hart van de priester zodanig dat er, wars van alles wat er rondom gebeurt, innerlijke ruimte wordt geschapen tot een persoonlijke vereniging met Christus die zich hier op het altaar in het offer als gave schenkt.

5/Het luidop bidden van de canon verhindert dat het volk komt tot een participatio actuosa. Meer of minder aandachtig hoort men wel naar de woorden maar tot echt gebed komt het niet. Of zoals een Nederlandse bisschop ooit zei: “De mensen hebben opgehouden te bidden toen ze alles begonnen te verstaan en hun handmissaals niet meer konden gebruiken”. Paradoxalerwijze gebeurt hier vaak wat men aan de ‘oude’ Mis verweet, nl. dat het volk enkel erbij zit en luistert. Niet enkel ondanks maar precies dankzij het feit dat nu de woorden ogenschijnlijk verstaan worden, ontstaat er een passiviteit van het horen. De stilte daarentegen vereist een inwendige deelname om zich met de heilige handeling te verenigen. Bovendien wordt het volk niet beperkt tot het horen zoals in de novus ordo; integendeel, het allerheiligste hart van de H. Mis dat in stilte geschiedt laat de mogelijkheid om naar eigen vermogen en aard en dus op velerlei wijze in het geheim binnen te treden.
De stilte van de canon maakt bij uitstek mogelijk te komen tot een contemplatieve beschouwing en ontmoeting met Christus.


maandag, december 21, 2009

Gebeden bij het aankleden

Wie vertrouwd is met de Buitengewone Vorm kent misschien de Gebeden bij het aankleden (zie o.a. de Rubrieken van het Missaal van 1962 vertaald door pastoor Mennen). Alhoewel in onbruik geraakt in de Gewone Vorm, zijn deze zeker niet verboden!

Bovendien zijn deze gebeden recentelijk opgenomen in het Compendium Eucharisticum, uitgegeven door de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst naar aanleiding van het Jaar van de Priester.

Ter herinnering, deze gebeden zijn als volgt:

Amict
Impone, Domine, capiti meo galeam salutis, ad expugnandos diabolicos incursus.
Plaatsm o Heer, op mijn hoofd de helm van het heil, opdat ik alle duivelse aanvechtingen mag overwinnen."

Albe
Dealba me, Domine, et munda cor meum; ut, in sanguine Agni dealbatus, gaudiis perfruare
sempiternis.

Bekleed mij, o Heer en reinig mijn hart, opdat ik door het Bloed van het Lam wit gewassen, de eeuwige vruchten mag genieten.

Cingel
Praecinge me, Domine, cingulo puritatis, et exstingue in lumbis meis humorem libidinis; ut maneat in me virtus continentia et castitatis.
Omgordt mij Heer met de singel van de kuisheid en doof in mijn lendenen de drijfveer van de begeerte, opdat in mij blijve de deugd van onthouding en kuisheid.

Manipel
Merear, Domine, portare manipulum fletus et doloris; ut cum exsultatione recipiam mercedem laboris.
Moge ik, o Heer, waardig zijn de manipel van tranen en pijn te dragen opdat ik met jubel het loon van de arbeid mag ontvangen.

Stola
Redde mihi, Domine, stolam immortalitatis, quam perdidi in praevaricatione primi parentis: et,
quamvis indignus accedo ad tuum sacrum mysterium, merear tamen gaudium sempiternum.

Geef mij, o Heer het kleed van de onsterfelijkheid terug, dat ik door de val van de stamouders heb verloren en ofschoon ik onwaardig ben tot uw geheim te naderen, dat ik toch de eeuwige vruchten verdiene

Kazuifel
Domine, qui dixisti: Iugum meam suave est et onus meum leve: fac, ut istud portare sic valeam, quod consequar tuam gratiam. Amen.
O Heer, U die gezegd hebt: mijn juk is zacht en mijn last is licht, geef mij dat ik dit juk en deze last zo mag dragen dat ik tot uw genade moge komen. Amen

Don Mauro Gagliardi, consultor bij het Pauselijke Bureau voor Liturgische Vieringen heeft op Zenit een artikel gepubliceerd over de achtergrond en spirituele betekenis van deze gebeden. Klik hier voor het gehele artikel.

Zijn besluit luidt:
"In conclusion, one hopes that the rediscovery of the symbolism of the liturgical vestments and the vesting prayers will encourage priests to take up again the practice of praying as they are dressing for the liturgy so as to prepare themselves for the celebration with the necessary recollection.

While it is possible to use different prayers, or simply to lift one's mind up to God, nevertheless the texts of the vesting prayers are brief, precise in their language, inspired by a biblical spirituality and have been prayed for centuries by countless sacred ministers. These prayers thus recommend themselves still today for the preparation for the liturgical celebration, even for the liturgy according to the ordinary form of the Roman Rite."

Een eveneens waardevolle beschouwing over deze gebeden is van de hand van Martin Ramm FSSP en vertaald in het Nederlands.

woensdag, november 25, 2009

Een vergelijking

Basteln am heiligen Erbe
Von P. Bernward Deneke FSSP

Wer käme wohl auf die Idee, ein musikalisches Meisterwerk von Bach, Mozart oder Schubert „verbessern“ zu wollen? Gewiss hat sich die Interpretationspraxis dieser Musik in den letzten Jahrzehnten erheblich verändert; eine heutige Aufnahme der Jupiter-Sinfonie unter Nikolaus Harnoncourt klingt anders als eine ältere Einspielung desselben Stückes unter Herbert von Karajan oder Wilhelm Furtwängler. Aber alle drei Dirigenten versuchen doch auf ihre Weise, mit den ihnen zur Verfügung stehenden Mitteln und Kenntnissen dem Mozartschen Notentext gerecht zu werden.

Ganz verschieden von solchen legitimen Interpretationen wäre der Versuch, die Sinfonie für den Geschmack des breiten Publikums der Gegenwart herzurichten, sie etwa auf die Dimensionen eines kurzen Songs zurechtzustutzen und mit Elementen des Pop und Rock zu garnieren. Mag sein, dass eine solche Version einen momentanen Erfolg in den Charts erreichen könnte. Aber es wäre eben nicht mehr die Jupiter-Sinfonie, sondern allenfalls deren mehr oder minder stümperhafter Verschnitt. Und von Verbesserung könnte wirklich nicht die Rede sein – wenigstens nicht unter denen, welchen Mozarts Nr. 41 „heilig“ ist.

Was in der Sphäre der Kunst unmittelbar einleuchtet, das scheint im Reich unseres Glaubens nicht mehr klar zu sein. Wie sonst lässt es sich begreifen, dass man hier immer wieder an bedeutende Überlieferungen Hand anlegt? Denken wir nur an die ungezählten Eingriffe und Adaptionen, die sich die Liturgie der Kirche in den letzten Jahrzehnten gefallen lassen musste. Hier waltet ganz offensichtlich nicht dieselbe Ehrfurcht, die wir bei ernsthaften Interpreten klassischer Musik voraussetzen dürfen.

Nun wird oft auf einen wesentlichen Unterscheid hingewiesen: Während es sich bei einer Bach-Kantate oder einem Liederzyklus von Schubert um abgeschlossene Werke handelt, war und ist die kirchliche Liturgie stets im Wandel begriffen. Sie kannte in allen Epochen das Aufnehmen neuer Elemente (z.B. Heiligenfeste), die Umformung des Bestehenden und auch das Abstoßen mancher Fremdkörper, die sich im Laufe der Geschichte in sie eingeschlichen hatten. Gilt nicht außerdem die Regel: Was lebt, muss sich entfalten? Folglich, so wird argumentiert, darf man das gottesdienstliche Leben nicht auf einen bestimmten Zeitpunkt seiner Entwicklung fixieren und gleichsam zementieren.

Diesen Einwänden braucht nicht widersprochen zu werden. Die Frage ist nur, welche Bedeutung man dem Bestehenden beimisst und in welcher Weise man es anrührt. Es besteht ja doch ein großer Unterschied zwischen dem Hand-Anlegen des Restaurators, der mit zarter Behutsamkeit ein durch die Ungunst der Zeiten überlagertes Fresko freilegt, dem Hand-Anlegen eines Architekten, der ein altes Gebäude im postmodernen Stil umgestalten soll, und dem Hand-Anlegen eines Abbruchunternehmers. Die Einstellung gegenüber der Sache und die Vorgehensweise sind hier denkbar verschieden.

Bei einem Gebilde wie der Liturgie, in der die Mysterien unseres Glaubens dargestellt, vergegenwärtigt, gefeiert und verherrlicht werden, kommt nur ein Umgang in Frage, der bestrebt ist, der Feinheit und Werthaftigkeit, der inneren Fülle und äußeren Schönheit, vor allem aber der Heiligkeit dieses Gegenstandes gerecht zu werden. Tiefe Kenntnis und echte Inspiration, Ehrfurcht vor dem Überlieferten, Vorsicht und Demut sind da nicht nur wünschenswert und angemessen, sondern sogar strengstens erfordert.

Der Philosoph Dietrich von Hildebrand (+1977) beklagte mit Recht, es fehle unserer Zeit an den homines religiosi, den feinsinnig-gläubigen Menschen, die wahrhaft berufen seien, das große Erbe der Kirche weiter zu entfalten. Ja, wo sind die Personen, die wie der „ernste Hergereiste“ in einem Gedicht aus Rainer Maria Rilkes Stundenbuch voller Scheu allenfalls eine winzige Veränderung an dem großen Kirchenbau anbringen? „Werkleute sind wir: Knappen, Jünger, Meister,/ und bauen dich, du hohes Mittelschiff./ Und manchmal kommt ein ernster Hergereister,/ geht wie ein Glanz durch unsre hundert Geister/ und zeigt uns zitternd einen neuen Griff.“

Stattdessen gab und gibt es heute viele Handwerker, die sich wie Grobschmiede mit ihren unerleuchteten Vorstellungen und unpassenden Instrumenten über die filigranen Gebilde und zarten Gewebe hermachen, mit denen die Liturgie das Allerheiligste umhüllt und schmückt. Bastler am heiligen Erbe sind sie, beziehungslos und besserwisserisch gegenüber der Weisheit der Vorzeit, leichtfertig und rücksichtslos gegenüber den Bedenken ihrer Zeitgenossen, kurzsichtig und verantwortungslos gegenüber der Zukunft. Sehnsuchtsvoll halten daher die viele Gläubige Ausschau nach wirklichen „Interpreten“, die, von ehrfürchiger Liebe zur kirchlichen Überlieferung beseelt, diese durch eine treue und hingebungsvolle Feier in ihrer ursprünglichen Schönheit aufleben lassen. Denn hier geht es um weitaus mehr als bei Bach, Mozart und Schubert.

Bron: www.kath-info.de

maandag, november 09, 2009

Dixit

We hebben zonet "Het derde testament" van 7 november bekeken.
Een in 1974 uitgetrede zuster getuigt:
"Die nieuwe liederen, het veranderende Godsbeeld, de veranderingen in de liturgie, dus dat je ook eens op een andere manier een viering in mekaar kan zetten, dat zijn allemaal dingen waardoor je langzaam maar zeker weggroeit" (Zie hier voor de gehele uitzending)
Dit toont nog maar eens het verband tussen lex orandi en lex credendi en de diepgaande, identiteitsbepalende invloed die de liturgie en dus ook elke verandering in de liturgie heeft. Zie hier ook de grote verantwoordelijkheid die rust op de schouders van hen die in het verleden en het heden de liturgie als hun allerindividueelste expressie beschouwen.

woensdag, december 31, 2008

Jaaroverzicht 2008


13 januari 2008: Paus Benedictus XVI celebreert H. Mis versus Deum in de Sixtijnse kapel


6 februari 2008: Terugkeer van het Romeins kazuifel


26 februari 2008: Priesterwijdingen in de forma extraordinaria in de Basiliek van Sint-Jan van Lateranen






Palmzondag 2008: De terugkeer van de pauselijke asterisk en de pauselijke ferula


Terugkeer van de witte, hermelijnen mozzetta


18 mei 2008: In Genua, de stad van kardinaal Siri, verkrijgt de ‘Mis in open lucht’ weer meer waardigheid


Sacramentsdag 2008: Terugkeer van de tongcommunie en knielbank (nu standaard voor de pauselijke liturgie)


Pinksteren 2008: Opnieuw Romeins kazuifel



6 mei 2008: De commissie Ecclesia Dei stelt dat seminaristen het recht hebben in de buitengewone vorm onderwezen te worden



29 juni 2008: Het nieuwe pallium wordt in gebruik genomen



10 juli 2008: Aartsbisschop Raymond Burke benoemd tot prefect van het SUPREMUM TRIBUNAL SIGNATURAE APOSTOLICAE





18 juli 2008-Sydney: Ook nieuw gefabriceerde ‘gothische’ kazuifels kunnen de gepaste sacraliteit uitdrukken



Oktober 2008: Eerste deel van het verzameld werk van Joseph Ratzinger, gewijd aan diens geschriften over de liturgie, verschijnt. In zijn nieuw geschreven inleiding zegt hij: "God boven alles. Waar de blik op God niet bepalend is, daar verliest alles zijn oriëntatie”




9 oktober 2008: Paus Benedictus XVI herdenkt de vijftigste verjaardag van het overlijden van Pius XII



17 oktober 2008: De termijn van “één of twee jaar” van noodzakelijke catechese van gelovigen inzake ‘pro multis’ (zie de brief van kardinaal Arinze, Prot. no. 467/05/L, gedateerd 17 oktober 2006) loopt af



29 november 2008: Het gebruik van verschillende pauselijke tronen (hier bij de eerste Vespers van de Advent 2008)



9 december 2008: Benoeming van kardinaal Antonio Cañizares Llovera tot nieuwe prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Sacramenten




24 december 2008: Het gebruik van het faldistorium

vrijdag, december 26, 2008

Hervorming van de hervorming




Monsignor Guido Marini annuncia importanti novità per le cerimonie presiedute dal Papa. Lees hier het volledige commentaar.
Meer informatie over de Kalenda


Ceterum censeo quod omnes tangit, ab omnibus tractari debet

zaterdag, december 13, 2008

Pius XII - 1956

"Aan deze beschouwingen moeten Wij enkele opmerkingen toevoegen over het tabernakel. Zoals Wij zo-even zeiden: „De Heer is in zekere zin groter dan het altaar en het offer", zouden Wij nu kunnen zeggen: „Is het tabernakel, waar de Heer woont, die te midden van zijn volk is neergedaald, hoger dan het altaar en het offer?". Het altaar wint het van het tabernakel, omdat men er het offer des Heren op draagt. Het tabernakel bezit ongetwijfeld het „Sacramentum permanens"; maar het is niet een „altare permanens', omdat de Heer zich alleen maar op het altaar als offer opdraagt gedurende de viering van de H. Mis, maar niet na of buiten de H. Mis. In het tabernakel is hij daarentegen zolang aanwezig als de geconsacreerde gedaanten voortduren, zonder zich evenwel voortdurend te offeren. Men heeft het volste recht onderscheid te maken tussen de offerande van het Misoffer en de „cultus latreuticus", die de in de Eucharistie verborgen God-Mens wordt gebracht. Een beslissing van de H. Congregatie van de Riten, gedateerd 27 juli 1927, beperkt de uitstelling van het H. Sacrament gedurende de Mis (Acta Ap. Sedis, a. 19, 1927, pag. 289) tot het minimum; maar ze wordt gemakkelijk verklaard door de zorg om gewoonlijk de offerdaad en de cultus van eenvoudige aanbidding gescheiden te houden, opdat de gelovigen duidelijk het eigen karakter zullen begrijpen.
Toch is het bewustzijn van de eenheid belangrijker dan dat van deze verscheidenheid: het is één en dezelfde Heer, die op het altaar wordt geslachtofferd en in het tabernakel wordt vereerd en van daaruit zijn zegeningen verspreidt. Als men er goed van overtuigd was, zou men menige moeilijkheid vermijden,- men zou zich ervoor wachten om de betekenis van het een ten nadele van het ander te overdrijven en zich te verzetten tegen de besluiten van de H. Stoel.
Het Concilie van Trente heeft uitgelegd, welke; zielsgesteltenissen men moet hebben jegens het Heilig Sacrament: „Si quis dixerit, in sancto Eucharistiae sacramento Christum Unigenitum Dei Filium non esse cultu latreutico, etiam externo, adorandum, atque ideo nec festiva peculiari celebritate venerandum, neque in processionibus, secundum laudabilem et universalem Ecclesiae sanctae rituum et consuetudinem, sollemniter circumgestandum, vel non publice, ut adoretur, populo proponendum, et ejus adoratores esse idololatras: anathema sit” (Conc. Trid. Sessio XIII, can. 6).[Indien iemand zegt dat in het heilige sacrament van de Eucharistie, Christus, de ééngeboren Zoon van God, niet dient aanbeden te worden, zelfs uitwendig, met de cultus latriae; en dat Hij dus noch vereerd dient te worden met een bijzonder feestelijke viering, noch feestelijk in processies dient rondgedragen te worden, volgens de lofwaardige en universele rite van de heilige Kerk; of niet publiek aan het volk ter aanbidding dient voorgehouden te worden en dat Zijn aanbidders afgodendienaars zijn, a.s.] Si quis dixerit, non licere sacram Eucharistiam in sacrario reservari, sed statim post consecrationem necessario adstantibus distribuendam, aut non licere, ut illa ad infirmos honorifice deferatur: anathema sit” (Conc. Trid. l.c., can. 7). [Indien iemand zegt dat het niet toegestaan is dat de heilige Eucharistie bewaard wordt in het heiligdom, maar dat het dadelijk na de consecratie moet uitgedeeld worden aan de aanwezigen; of dat het niet toegestaan is dat het met eer naar de zieken wordt gebracht, a.s.] Wie deze leer van harte aanvaardt, denkt er niet aan objecties te formuleren tegen de aanwezigheid van het tabernakel op het altaar. In de Instructie van het Heilig-Officie „De arte sacra" van 30 juni 1952 (Acta Ap. Sedis, a. 44, 1952, p. 542-546), dringt de Heilige Stoel onder andere op dit punt aan: „Districte mandat haec Suprema S. Congregatio ut sancte serventur praescripta canonum 1268, par. 2 et 1269, par. 1: „SSma Eucharistia custodiatur in praecellentissimo ac nobilissimo ecclesiae loco ac proinde regulariter in altari maiore, nisi aliud venerationi et cultui tanti sacramente commodius et decentius videatur.... SSma Eucharistia servari debet in tabernaculo immovibili in media parte altaris posito" [Deze Hoogst Heilige Congregatie verordent dat de heilige voorschriften van canons 1268 § 2 en 1269 § 1 getrouw dienen te worden nageleefd : “De Allerheiligste Eucharistie dient bewaard te worden in de meest uitgelezen en eerbiedwaardige plaats in de kerk en daarom als regel in het hoofdaltaar tenzij een ander meer geschikt en gepast lijkt voor de verering en de eredienst voor dit zo groot sacrament … De Allerheiligste Eucharistie moet bewaard worden in een onbeweeglijk tabernakel, geplaatst in het middendeel van het altaar] (Acta Ap. Sedis l.c.,p. 544).
Het gaat niet zozeer om de materiële aanwezigheid van het tabernakel op het altaar als wel om een tendens, waarop Wij uw aandacht zouden willen vestigen, die van een mindere achting voor de tegenwoordigheid en de werking van Christus in het tabernakel. Men stelt zich tevreden met het offer van het altaar en men vermindert het belang van Degene, die het voltrekt. Welnu, de persoon van de Heer moet het centrum van de eredienst innemen, want deze verenigt de betrekkingen van het altaar en het tabernakel en geeft er de betekenis aan.
Vooreerst stelt de Heer zich door het offer van het Altaar tegenwoordig in de Eucharistie en Hij is in het tabernakel slechts als „memoria sacrificii et passionis suae". Het tabernakel van het altaar scheiden is het scheiden' van twee dingen, die door hun oorsprong en hun aard verenigd moeten blijven."

Ceterum autem placet hic opinionem: "In Eucharistia celebranda non nos invicem spectamus, sed Christum, qui est Oriens et Salvator noster"

zaterdag, november 01, 2008

Kalenderhervorming 1969-I

We hebben er reeds vaker op gewezen: het verschil tussen de gewone vorm (=GV) en de buitengewone vorm (=BGV) ligt niet in de elementen die aan de oppervlakte anders lijken zoals het Gregoriaans, het Latijn, ‘versus Orientem’, etc. Al deze elementen zijn immers behouden in de GV. Het tegendeel is een perceptie die ontstaan is (en soms gepropageerd) maar die niet de hermeneutiek van de continuïteit weerspiegelt. Het verschil tussen de GV en de BGV ligt in de inhoud van de liturgische boeken. Eenzelfde redenering dient men toe te passen wat betreft Vaticanum II zoniet komt men in een hermeneutiek van de discontinuïteit terecht, een interpretatie-model dat zowel de Pius X-broederschap als de Nederlandse dominicanen delen.

Wat de inhoud van de liturgische boeken betreft, hebben wij eerder reeds gesproken over de ontoereikendheid van de implementatie van Sacrosanctum Concilium nr. 51.

Een ander enigma van de hervorming betreft de liturgische kalender. Het Calendarium Romanum (=CR) van 1969 geeft een verantwoording betreffende de talrijke veranderingen. Laten wij nader ingaan op enkele opvallende argumentaties.

Het Feest van het Allerkostbaarst Bloed 1 juli verdwijnt
CR geeft als reden (p. 67) dat dit feest overbodig is omdat Christus’ lijden al reeds vooral in de Goede Week gevierd wordt als ook op het Hoogfeest van het H. Sacrament en het feest van het Allerheiligste Hart van Christus en het feest van de Kruisverheffing. Maar daarentegen geldt dat Hebr. 12, 24 teruggrijpt naar de eerste tijden, naar Abel (“Gij zijt genaderd … tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, wiens vergoten bloed iets beters afroept dan het bloed van Abel.” Zie de secreta in de BGV) De oudtestamentische gebruiken betreffende de verzoening door het offeren van dieren verwezen reeds naar Christus en worden door Hem vervolmaakt zoals het epistel in de BGV (Hebr. 9, 11-15) duidelijk maakt (9, 14: “Hoeveel groter is de kracht van Christus’ bloed). Het Bloed van Christus neemt dus een centrale plaats in in Zijn verlossingswerk zoals onderstreept wordt door het graduale in de BGV: “Hic est qui venit per aquam et sanguinem, Jesus Christus: non in aqua solum, sed in aqua et sanguine” (1 Joh. 5, 6). Daarom bidt de postcommunio in de BGV terecht: “sanguis eius fiat nobis, quaesumus, fons aquae in vitam eternam salientis.” Het Feest van het Allerkostbaarst bloed drukt dus een ander aspect uit dan de feesten die CR noemt.

Verplaatsing Maria Koningin van 31 mei naar 22 augustus
CR geeft als reden dat zo het verband met Maria’s Tenhemelopneming, dat gevierd wordt op 15 augustus, beter uitkomt (p. 125). Volgens deze logica had men ook het feest van Christus Koning moeten verplaatsen naar kort na Zijn Hemelvaart, maar dat is niet gebeurd.


Onbevlekt Hart van Maria 22 augustus, eerst vrije gedachtenis derde zaterdag na Pinksteren, dan sinds 1996 verplichte gedachtenis dezelfde dag

22 augustus had sinds 1944 het feest van het Onbvlekte Hart van Maria, werd vervolgens een vrije gedachtenis volgens CR 1969 en sinds 1996 een verplichte gedachtenis. Deze overgang van vrij naar verplicht heeft zonder meer te maken met de derde verschijning te Fatima waar Maria opriep de wereld toe te wijden aan Haar Onbevlekt Hart, wat Johannes Paulus II tot tweemaal toe (1984 en 2000) gedaan heeft.

2 februari: De zuivering van de Maagd Maria – Maria Lichtmis heet nu Opdracht van de Heer in de Tempel –Maria Lichtmis “quo manifestius intelligi possit quod agitur de festivitate Domini” (CR p. 115).
Maar het gaat wel degelijk om de zuivering van Maria zoals Lucas 2, 22 getuigt. Het gaat om twee feiten: de zuivering van Maria én de voorstelling van de Heer die beide in deze volgorde door Lucas worden genoemd. Weliswaar voldoet de plaatsing van dit feest bij de Mariafeesten niet helemaal, maar evenmin de nu gekozen oplossing die lijkt voor het éne te kiezen ten nadele van het andere.

H. Naam van Maria (12 september) verdwenen in CR 1969, sinds 2002 terug als vrije gedachtenis
CR, p. 138 geeft als reden dat dit feest een verdubbeling is van het feest van de Geboorte van Maria. Men zou eenzelfde redenering dan verwachten voor de verwijdering van het feest van de H. Naam van Jezus (eerste zondag van het jaar of 2 januari in de BGV). CR p. 67 probeert echter de verwijdering van het feest van de Jezus’ H. Naam te rechtvaardigen door te zeggen dat hiervan sprake zal zijn in de eerste lezing en het evangelie van 1 januari. Maar dit is toch niet hetzelfde dan het vieren van de H. Naam. Bovendien gaat het niet over de Naam van Jezus zonder meer maar over de naamgeving, een feit dat tot het heilsmysterie behoort: door de engel Gabriel een Maria genoemd en door Hem ‘waargemaakt’. Wie deze naam zal aanroepen, zal zalig worden. Evenmin als in de Naamgeving van Jezus een herhaling van Kerstmis is gezien geworden, zo is dit ook niet met deze twee feesten van Maria gebeurd geworden. Heeft men hier een theorie ingeroepen om de meer politiek correcte reden, nl. de herinnering aan de overwinning op de Turken als oorsprong van het feest, te verdoezelen?

Catharina van Alexandrië (25 november, GV en BGV) en Sint-Apollinaris (20 juli GV, 23 juli BGV) zijn twee andere voorbeelden van ‘herstel’.
Deze twee heiligen waren in 1969 afgevoerd van de algemene kalender aangezien Apollinaris geen universele betekenis heeft (CR p. 131) en van Catharina “nihil certum affirmari potest” (CR p. 147). Maar tegelijkertijd zegt CR dat (p. 69) er in verband met Sint-Caecilia “historicae difficultates non paucae exstant” maar dat men omwille van de devotie (popularis devotionis causa) Cecilia bewaard heeft in de algemene kalender. Verwachtte men minder tegenstand van de filosofen dan van de zangers? Maar vooral: zijn er tussen 1969 en 2002 dergelijke historische vondsten gebeurd dat het leven van Catharina veel duidelijker is geworden of is tussen 1969 en 2002 de verering voor Sint-Apollinaris op mondiale schaal gestegen? Of was CR 1969 een typisch product van deze utilitaristische en rationalistische kruideniers?

Er zijn geen heiligenfeesten meer
Volgens CR zijn alle vroegere onderscheidingen vervangen door die tussen sollemnitas, fest en memoria, waarbij deze laatste onderscheiden is in verplicht en vrij. Sollemnitas en festum zijn voor de feesten van Christus, voor een aantal feesten van Maria, voor de apostelen en evangelisten, Johannes de Doper, Stephanus, de aartsengelen en nog enkele anderen. Alle andere heiligenfeesten zijn nu ‘gedegradeerd’ tot gedachtenis. Gedegradeerd want men heeft nu nog slechts één bijzonder gebed, geen speciale lezingen, enz. Dit zal vreemde effecten geven wanneer de lectio continua niet overeenkomt of zelfs haaks staat op de heilige van de dag. Maar daarover later meer.

Wie heeft een universele betekenis?
Het onderscheid tussen een vrije en verplichte gedachtenis, zo stelt CR, p. 12, heeft te maken met de universele betekenis van de heilige (“sancti qui nomen universale prae se ferunt in Ecclesia universa obligatorie celebrantur; ceteri … ad libitum tamen celebrandi.”)
Hoe kan het dan dat de Kerk de viering van een heilige eens verplicht heeft gesteld op de algemene kalender, en dat dan later wordt gezegd dat deze heilige geen universele betekenis meer heeft?
Geven we enkele voorbeelden:
1/Er zijn heiligen die tot Kerkleraar zijn verheven omdat zij voor de leer van de Kerk en het geloof van uitzonderlijke betekenis zijn. Deze zullen toch wel van universele betekenis zijn? Blijkbaar niet want Anselmus, Cyrillus, Bellarminus, Albertus zijn slechts een vrije gedachtenis waard.
2/Zelfs een heilige paus als Pius V is slechts een vrije gedachtenis waard. Was zijn leven niet van universele betekenis? Of is hij te zeer met ‘Tridentijnse ritus’ verbonden?

(wordt vervolgd)

dinsdag, augustus 05, 2008

Ars celebrandi - Osservatore Romano 4-5 augustus 2008

L'arte di celebrare il servizio liturgico.
Una riflessione alla luce del magistero ecclesiale.

di Nicola Bux

Il sacerdote, per celebrare con arte il servizio liturgico, non deve ricorrere ad accorgimenti mondani ma concentrarsi sulla verità dell'eucaristia. L'Ordinamento generale del messale romano stabilisce: "Anche il presbitero...quando celebra l'eucaristia, deve servire Dio e il popolo con dignità e umiltà, e, nel modo di comportarsi e di pronunziare le parole divine, deve far percepire ai fedeli la presenza viva di Cristo". Il prete non escogita nulla, ma col suo servizio deve rendere al meglio agli occhi e agli orecchi, ma anche al tatto, al gusto e all'olfatto dei fedeli, il sacrificio e rendimento di grazie di Cristo e della Chiesa, al cui mistero tremendo possono avvicinarsi quanti si sono purificati dai peccati. Come possiamo avvicinarci a lui se non abbiamo il sentimento di Giovanni il precursore: "è necessario che egli cresca e io diminuisca"(Gv 3, 20)? Se vogliamo che il Signore cammini con noi, dobbiamo recuperare questa consapevolezza, altrimenti priviamo dell'efficacia il nostro atto devoto: l'effetto dipende dalla nostra fede e dal nostro amore.

Non è il sacerdote padrone dei misteri

Il sacerdote è ministro, non padrone, amministratore dei misteri: li serve e non se ne serve per proiettare le proprie idee teologiche o politiche e la propria immagine, al punto che i fedeli si fermerebbero a lui invece che guardare a Cristo che è significato dall'altare e presente sull'altare, e in alto sulla croce. Come ha ammonito recentemente il Santo Padre, la cultura dell'immagine in senso mondano segna e condiziona anche i fedeli e i pastori; la televisione italiana, a commento del discorso inquadrava una concelebrazione nella quale alcuni sacerdoti parlavano al telefonino. Dal modo di celebrare la messa si possono dedurre molte cose: la sede del celebrante in molti luoghi ha decentrato croce e tabernacolo occupando il centro della chiesa, talvolta sovrastando per importanza l'altare, finendo per assomigliare ad una cattedra episcopale che nelle chiese orientali sta fuori dell'iconostasi, ad un lato ben visibile. Era così anche da noi prima della riforma liturgica.

L'ars celebrandi consiste nel servire con amore e timore il Signore: per ciò si esprime con baci alla mensa e ai libri liturgici, inchini e genuflessioni, segni di croce e incensazioni di persone e oggetti, gesti di offerta e di supplica, ostensioni dell'evangelario e della santa eucaristia.

Ora, tale servizio e stile del prete celebrante o, come si ama dire, del presidente dell'assemblea - termine che porta a fraintendere la liturgia come un atto democratico - si vede dal suo prepararsi alla vestizione in sacristia nel silenzio e raccoglimento per l'atto grande che si appresta a fare; dall'incedere all'altare, che deve essere umile, non ostentato, senza indulgere nello sguardo a destra e a manca, quasi a cercare l'applauso. Infatti, il primo atto è l'inchino o la genuflessione davanti alla croce e al tabernacolo, in sintesi la presenza divina, seguito dal bacio riverente dell'altare ed eventualmente dall'incensazione; il secondo atto è il segno di croce e il saluto sobrio ai fedeli; il terzo è l'atto penitenziale, da compiere profondamente e con gli occhi bassi, mentre i fedeli potrebbero inginocchiarsi, come nell'antico rito, - perché no? - imitando il pubblicano gradito al Signore. Le letture saranno proclamate come parola non nostra, perciò con tono chiaro e umile. Come il sacerdote inchinato chiede di purificare le labbra e il cuore per annunziare degnamente il vangelo, perché non potrebbero farlo i lettori, se non visibilmente come nel rito ambrosiano, almeno in cuor loro? Non si alzerà la voce come in piazza e si manterrà un tono chiaro per l'omelia ma sommesso e supplice per le preghiere, solenne se in canto. Il sacerdote si appresterà inchinato a celebrare l'anafora ancora "in spirito di umiltà e con animo contrito".

Lo stupore eucaristico

Toccherà i santi doni con stupore - lo stupore eucaristico di cui ha parlato spesso Giovanni Paolo ii - e con adorazione, e i vasi sacri purificherà con calma e attenzione, secondo il richiamo di tanti padri e santi. Si inchinerà sul pane e sul calice nel dire le parole di Cristo consacrante e nell'invocare lo Spirito Santo alla supplica o epiclesi. Li eleverà separatamente fissando in essi lo sguardo in adorazione e poi abbassandolo in meditazione. Si inginocchierà due volte in adorazione solenne. Continuerà con raccoglimento e tono orante l'anafora fino alla dossologia, elevando i santi doni in offerta al Padre. Reciterà il Padre nostro con le mani alzate e non tenendo per mano altri, perché ciò è proprio del rito della pace; il sacerdote non lascerà il sacramento sull'altare per dare la pace fuori del presbiterio, invece frazionerà l'ostia in modo solenne e visibile, quindi genufletterà davanti all'eucaristia e pregherà in silenzio chiedendo ancora di essere liberato da ogni indegnità per non mangiare e bere la propria condanna e di essere custodito per la vita eterna dal santo corpo e prezioso sangue di Cristo; poi presenterà ai fedeli l'ostia per la comunione, supplicando Domine non sum dignus, e inchinato si comunicherà per primo. Così sarà di esempio ai fedeli.

Dopo la comunione il ringraziamento nel silenzio, meglio che seduti si può fare in piedi in segno di rispetto o inginocchiati, se è possibile, come ha fatto fino all'ultimo Giovanni Paolo ii, col capo inchinato e le mani congiunte; al fine di chiedere che il dono ricevuto ci sia rimedio per la vita eterna, come si dice mentre si purificano i vasi sacri. Molti fedeli lo fanno e ci sono di esempio. Il sacerdote, dopo il saluto e la benedizione finale, salendo l'altare per baciarlo, ancora alzi gli occhi alla croce e si inchini o genufletta al tabernacolo. Quindi torni in sacristia, raccolto, senza dissipare con sguardi e parole la grazia del mistero celebrato.

Così i fedeli saranno aiutati a comprendere i santi segni della liturgia, che è una cosa seria, e in cui tutto ha un senso per l'incontro col mistero presente.

Paolo VI, nell'istruzione Eucharisticum mysterium richiama una verità centrale esposta da san Tommaso: "Questo Sacrificio, poi, come la stessa passione di Cristo, sebbene sia offerto per tutti, "non ha effetto se non in coloro che si uniscono alla passione di Cristo con la fede e la carità... Ad essi tuttavia giova più o meno secondo la misura della loro devozione"". La fede è condizione della partecipazione al sacrificio di Cristo con tutto me stesso. In che cosa consiste l'azione dei fedeli, diversamente dal sacerdote che consacra? Essi, memori, rendono grazie, offrono e, convenientemente disposti, si comunicano sacramentalmente. L'espressione più intensa è nella risposta all'invito del sacerdote poco prima dell'anafora: "Il Signore riceva dalle tue mani questo sacrificio a lode e gloria del suo nome, per il bene nostro e di tutta la sua santa Chiesa".

Senza fede e devozione del sacerdote non sussiste l'ars celebrandi e non viene favorita la partecipazione del fedele, innanzitutto la percezione del mistero. Perché il Signore, di noi "conosce la fede e la devozione" (Canone romano) che si esprimono nei sacri gesti, gli inchini, le genuflessioni, le mani giunte, lo stare inginocchiati. La mancanza della devozione nella liturgia, spinge molti fedeli ad abbandonarla e a dedicarsi a forme di pietà secondarie, allargando la divaricazione tra l'una e le altre. Poiché la sacra liturgia è un atto di Cristo e della chiesa, non l'esito della nostra bravura, non prevede il successo a cui applaudire. La liturgia non è nostra ma sua.

La tradizione della Chiesa

La congregazione per il culto divino e la disciplina dei sacramenti nell'istruzione Redemptionis sacramentum ricorda al sacerdote la promessa dell'ordinazione, rinnovata di anno in anno nella messa crismale, di celebrare "devotamente e con fede i misteri di Cristo a lode di Dio e santificazione del popolo cristiano, secondo la tradizione della Chiesa" (n. 31).

Egli è chiamato ad agire nella persona di Cristo, deve perciò imitarlo nell'atto sommo della preghiera e dell'offerta, non deve deformare la liturgia in una rappresentazione delle sue idee, cambiare e aggiungere alcunché arbitrariamente: "Troppo grande è il mistero dell'eucaristia perché qualcuno possa permettersi di trattarlo con arbitrio personale, che non ne rispetterebbe il carattere sacro e la dimensione universale" (Ivi, n. 11). La messa non è proprietà del prete o della comunità. L'istruzione declina abbondantemente come va celebrata rettamente la messa cioè l'ars celebrandi: i seminaristi per primi devono apprenderla attentamente affinché possano attuarla da sacerdoti.

Benedetto XVI, nella Sacramentum caritatis dedica attenzione all'ars celebrandi (n. 38-42), intesa come l'arte di celebrare rettamente, e ne fa la condizione della partecipazione attiva dei fedeli: "L'Ars celebrandi scaturisce dall'obbedienza fedele alle norme liturgiche nella loro completezza, poiché è proprio questo modo di celebrare ad assicurare da duemila anni la vita di fede di tutti i credenti"(38). In nota 116 la Propositio n. 25 specifica che "un'autentica azione liturgica esprime la sacralità del mistero eucaristico. Questa dovrebbe trasparire nelle parole e nelle azioni del sacerdote celebrante, mentre egli intercede presso Dio Padre sia con i fedeli sia per loro". Poi l'esortazione ricorda che "L'ars celebrandi deve favorire il senso del sacro e l'utilizzo di quelle forme esteriori che educano a tale senso, come, ad esempio, l'armonia del rito, delle vesti liturgiche, dell'arredo e del luogo sacro" (40). Trattando dell'arte sacra, richiama l'unità tra altare, crocifisso, tabernacolo, ambone e sede (41): attenti alla sequenza che rivela l'ordine d'importanza. Con l'immagine, anche il canto deve servire ad orientare la comprensione e l'incontro col mistero.

Il vescovo e il presbitero, tutto questo sono chiamati a esprimere nella liturgia che è sacra e divina, in modo che manifesti davvero il credo della Chiesa.

©L'Osservatore Romano - 4-5 agosto 2008