In het eerste
volume van zijn Institutions Liturgiques (2e editie 1878) pp.
397-406 bespreekt Dom Prosper Guéranger (1805-1875) twaalf kenmerken van wat
hij noemt de “anti-liturgische ketterij”.
1)De haat voor de traditie in de formules van de goddelijke eredienst
2)Het vervangen van de formules van de kerkelijke onderrichtingen voor de H.
Schrift
3)“Nadat men vervolgens bemerkt dat de Schrift zich niet altijd naar de hand
laat zetten zoals men zou willen overeenkomstig hun wil, is hun derde principe het
fabriceren en introduceren van andere vormen”
4)Terug naar het primitieve, naar de wieg van het christendom
5)De verwijdering van elke ceremonie, elke formule die het mysterie wil
uitdrukken. “Er is geen altaar maar eenvoudigweg een tafel; geen offer meer,
zoals in elke religie, maar enkel een maaltijd.
6)De uitroeiing van de geest van gebed.
7)Uitroeiing van elke vorm van bemiddeling door Maria, de heiligen, etc.
8)De uitroeiing van het mysterie heeft als logisch gevolg het gebruik van de
volkstaal.
9)Bevrijding van de last van het lichaam in de liturgie: geen nuchterheid,
geen knielen, etc.
Het Katholiek
Archief, jaargang 23, nr. 38 van 20 september 1968, kol. 932-939 bevat het
antwoord van de Nederlandse bisschoppen aan A. Bugnini c.m. over de gevolgen
van de hervorming van de liturgie, gedateerd juni 1968. Dit is een antwoord op
een schrijven met zes vragen van dezelfde Bugnini van 15 juni 1967. Het antwoord van de
Nederlandse bisschoppen werd “opgesteld door de Nederlandse Commissie voor
Liturgie op verzoek van de Nederlandse bisschoppen” (933).
Wat blijkt uit
dit document, bijna vijftig jaar later, is hoe beneveld men was door de
tijdsgeest en hoe laconiek men met het verleden omging. Maar ook hoezeer men geloofde
in de kracht van verandering en hoe neerbuigend men stond tegenover critici.
Tot slot ook dat wat door sommigen vaak ‘uitwassen’ van de liturgiehervorming
worden genoemd actief ondersteund en nagestreefd werden door gezagsdragers. Men
zou kunnen concluderen dat deze ‘uitwassen’ gewild waren!
Op de eerste vraag of de
liturgiehervorming pastoraal voordelen of ongemakken heeft opgeleverd is er
sprake van “meer belangstelling voor de geloofsbeleving”. Vreemd is dat er niet
gezegd wordt dat dit blijkt uit een toename van deelname aan de liturgie maar “uit
de groei van de aantallen en de oplages van boeken over geloof en geloofsinhoud;
niet in de laatste plaats aan de zeer grote belangstelling voor ‘De nieuwe
katechismus’.
Tevens is er
sprake dat de liturgiehervorming “samen gaat met of voert tot een zeker
verdwijnen van devotionalisme en een grotere gerichtheid op de bijbelse boodschap”.
“Het verdwijnen van het aan onze cultuur vreemde en daardoor ‘klerikale’
karakter van de liturgie bevordert de wisselwerking tussen de voorganger en de
gemeente en – dus – het gemeentebesef: het gevoel van verantwoordelijkheid en
saamhorigheid”.
Wat de nadelen
betreft is er de afwezigheid van een “echte vernieuwing van de eredienst” en
een “te grote centralisatie”. Dit betekent dat er, “naast het gebruik van de
vertalingen van de Preces Eucharisticae I-IV het gebruik van een aantal
oorspronkelijke nederlandse canones gelegaliseerd” dient te worden. Immers, “zolang
dit niet gebeurt, is het heel moeilijk het ontstaan en gebruik van teksten
tegen te gaan die zich aan iedere controle onttrekken”. Opmerkelijk dat voor
vernieuwing gepleit wordt vanuit een negatieve motivatie!
Dan volgt in kol.
936 onderstaande tekst. Bemerk hoe laconiek men de problemen onder tafel
schuift: het zijn enkel "kleine groeperingen" en het is kwestie van “aanpassen en ze ebben weg”.
De tweede vraag
betreft het aantal gelovigen. Hier lezen we dat “het aantal gelovigen in de
liturgische vieringen” afneemt maar dat “het aantal dat werkelijk aan de
viering deelneemt zeker toeneemt”. Een reden die wordt aangegeven is “de
intensiteit van de deelneming aan de liturgische viering is minder frequent te
realiseren dan het vroegere ‘bijwonen’ van de heilige mis, dat vrijwel geen
andere eisen dan lichamelijke aanwezigheid stelde.” Zegt deze zin werkelijk dat
de ‘nieuwe mis’ dermate intens beleefd wordt dat het zoveel energie van de
gelovigen vraagt dat ze niet meer in staat zijn aan de zondagsplicht te voldoen
want vroeger moest je enkel “lichamelijk aanwezig zijn”?!!
Dan volgt de
samenvatting: “de liturgiehervorming als zodanig heeft het kerkbezoek niet doen
verminderen ; zij heeft de kwalitatieve deelneming zeker bevorderd”.
De vierde vraag
(vraag drie ging over de participatie gedurende de Goede Week) gaat over het gebruik van de volkstaal. Hier is het antwoord op de vraag of het
gebruik van de volkstaal geleid heeft naar een “meer bewuste en actieve
deelname” volmondig “zonder meer: ja.” Er wordt wel aan toegevoegd dat dit “voor
steeds meer gelovigen duidelijk maakt dat vertalingen en bewerkingen van de
gebeden uit het verre verleden niet een alleenrecht moeten hebben. Alleen zeer
vrije adaptaties (motiefbewerkingen) maken nog een kans.”
Vraag vijf gaat
over de zang. Men signaleert dat dit “de grootste moeilijkheid” is (938). “In
de eerste plaats was er vrijwel geen liedrepertoire dat zonder meer bruikbaar
was en geen weerstanden opriep. … Van rooms-katholieke zijde heeft de vorige
eeuw weinig waardevols aan teksten en melodieën opgeleverd…”.
Men signaleert
vele nieuwe initiatieven waarbij “steeds een volledige vrijheid gelaten is voor
wat betreft de keuze van het zangrepertoire en ook hier blijkt weer, dat dan de
creativiteit snel nieuwe wegen vindt.” (939)
Vraag zes vraagt
hoe de gelovigen gereageerd hebben op het gebruik van de levende taal (!), op
de aanpassing van de sacrale ruimte, de vereenvoudiging van de riten en van de
liturgische gewaden. Het antwoord: “in het algemeen kan men zeggen dat de
liturgiehervorming positief is opgevat.” Concreet: “het meer centraal plaatsen
van altaar en lezenaar is overal positief opgevat … devotionalia zijn
verwijderd en/of worden niet meer aangebracht…”
“Verder geldt ook
hier weer: er is voor de meesten nog te weinig sprake van een echte vernieuwing
… Men is op veel plaatsen uit pastorale noodzaak zowel met de vernieuwing van
de gebeden als met die van de riten al eigen wegen gegaan, dikwijls met zo
duidelijk gunstige resultaten, dat het niet verantwoord zou zijn hier teveel af
te remmen. Het wordt steeds duidelijker, dat riten en gebeden ook nog
aanpasbaar (flexibel) zullen moeten zijn naargelang van de aard, omvang, plaats
van samenkomst en dergelijke van de actuele gemeente.”
Er is heel wat te doen geweest over een toespraak van paus Franciscus over de liturgie waarin hij zegt dat "wij met zekerheid en met de autoriteit van het leergezag bevestigen dat de liturgische hervorming onomkeerbaar is." (Bron)
Een goed overzicht van de reacties op deze op zichzelf onbelangrijke en banale toespraak is hier te vinden. Onbelangrijk omdat er geheel en al niets nieuws in te vinden is en banaal omdat niemand, maar dan ook niemand, met gezond verstand en enige kennis van de geschiedenis van de liturgie kan beweren dat de vorm van de liturgie in steen gebeiteld staat. Bovendien, indien hieromtrent niets per se onveranderlijk is, dan geldt dit logischerwijze ook voor de liturgiehervorming zelf!
De toespraak is belangrijk enkel (en helaas) in deze zin dat voor wie het uitkomt deze zin gebruikt zal worden ter rechtvaardiging van de eigen ongehoorzaamheid aan Vaticanum II. Tevens is deze toespraak belangrijk vanwege de damnatio memoriae van het pontificaat van Benedictus XVI (naar analogie met de damnatio memoriae van Veritatis splendor door Amoris laetitia).
Ter illustratie van de relativiteit van de onomkeerbaarheid der dingen raad ik de lectuur aan van een toespraak van Paus Pius XII uit 1956 aan de deelnemers van het liturgische congres te Assisi. Hij brengt daarin o.a. de verordeningen van het H. Officie uit 1952 omtrent de plaats van het tabernakel ter herinnering ("De Allerheiligste Eucharistie moet bewaard worden in een onbeweeglijk tabernakel, geplaatst in het middendeel van het altaar") en houdt een vurig pleidooi voor de eenheid van altaar en tabernakel ("Het tabernakel van het altaar scheiden is het scheiden van twee dingen,
die door hun oorsprong en hun aard verenigd moeten blijven."). (Bron)
Het behoeft weinig uitleg dat enkele jaren later op grote schaal en mét goedkeuring van de geëigende instanties deze eenheid verbroken werd.
A congress to commemorate the first mass in Italian celebrated by Blessed Paul VI Vatican City, 27 February 2015 (VIS) – On 7 March 1965, Blessed Paul VI, on the 25th anniversary of the death of St. Luigi Orione, celebrated the first mass in Italian in history in the parish of Ognissanti (All Saints), Rome. “Today we inaugurate the new form of Liturgy in all the parishes and churches of the world, for all the Masses followed by the people. It is a great event, that shall be remembered as the beginning of a flourishing spiritual life, as a new effort to participate in the great dialogue between God and man”. Fifty years on, to commemorate this historic date, Pope Francis will preside at a Eucharistic celebration next Saturday, 7 March at 6 p.m. in the same parish (Via Appia Nuova, 244). The occasion will also be celebrated by a Congress on Pastoral Liturgy organised by the Vicariate of Rome, the Opera Don Orione and the Pontifical Liturgical Institute of Rome, to open today at the Teatro Orione, adjacent to the All Saints parish. The theme of the Congress is “United in giving thanks”. The works will be presented by Rev. Flavio Peloso, superior general of the Sons of Divine Providence (Don Orione), who comments that the event “will facilitate an understanding of the reasons behind yesterday's liturgical reforms and today's commitment to liturgical fidelity”. Following greetings from the auxiliary bishop Giuseppe Marciante, Archbishop Francesco Pio Tamburrano, metropolitan emeritus of Foggia-Bovino, Italy, will speak about “Tradition and renewal in paragraph 23 of the liturgical Constitution Sacrosanctum Concilium. Archbishop Piero Marini, president of the Pontifical Committee for International Eucharistic Congresses, will then consider the theme “The spoken language, tool of communion in the dialogue of the liturgical assembly”, and finally Rev. Francesco Mazzitelli, parish priest of Ognissanti, will examine “The liturgical formation of the laity”.
Er zijn een aantal opvallende dingen in dit bericht. 1/Natuurlijk kan men speculeren over de vraag of Benedictus XVI dit feit herdacht zou hebben en zo ja, of dit op deze wijze bekend gemaakt zou worden. 2/De liturgisten van het pontificaat van Benedictus XVI zijn afwezig. Geen Guido Marini, geen Nicola Bux, geen Alcuin Reid, geen Uwe Michael Lang, etc. 3/Maar het meest opmerkelijk is dat er, door omissie, gesuggereerd wordt dat de H. Mis in de volkstaal, zoals wij die nu in 2015 kennen, identiek zou zijn aan de H. Mis op 7 maart 1965. Dit is volstrekt niet het geval. Op die dag was Inter Oecumenici (1964) van kracht als ook de in Januari 1965 gepromulgeerde Ritus servandus et defectibus. Vele kenmerkende elementen van de ons bekende dagdagelijks Novus Ordo Mis waren er nog niet oftewel vele elementen van de 1962 Mis waren er nog: - (Weliswaar ingekorte) voetgebeden - Het traditionele lectionarium was er nog - Het traditionele offertorium was er en kon enkel in het Latijn gebeden worden - Eucharistische gebeden II, III en IV bestonden nog niet - Er was enkel de Romeinse Canon die in het Latijn werd gebeden Wat betreft de profetie dat de vorm van 1965 zou zijn “the beginning of a flourishing spiritual life”, herinner ik mij de opmerking van een Nederlands residerend bisschop die zei dat hij de indruk had dat “de mensen opgehouden zijn zelf te bidden op het moment dat de volksmissalen uit de kerk verdwenen”.
On this basis, one could distinguish between a superficial and
sentimental nostalgia, and an existential, spiritual nostalgia rooted in
the human soul’s longing for immortality, transcendence, and ineffable
peace, stretching out towards the beautiful with eros and pathos. The
former kind of nostalgia would tend to fixate on sad recollections of
the past (being in this way close to regret tinged with self-pity),
whereas the latter kind is characterized by a restless search for the
absolutely beautiful Beloved, for which countless particular memories,
experiences, and objects would serve as symbols. Nostalgia in the bad
sense is enstatic, trapped within oneself, whereas nostalgia in the
Wojtyłan-Ratzingerian sense is ecstatic, taking one out of oneself.
De notities van de commissie verantwoordelijk voor de hervorming van de liturgie zijn nu online te raadplegen op Fontes Commissionis Liturgicae. Een goudmijn aan informatie.
Lees bv. hier de discussie over behoud of afschaffen van de manipel (p. 3)
Of hier op p. 5 beweert Bonifatius Luykx OPraem dat in Afrika het Latijn gezien wordt als een restant van het kolonialisme en geassocieerd wordt met magie!
Paus Paulus VI in de VS in 1965
Paus Paulus VI te Rome op 18 oktober 1964, bij gelegenheid van de heiligverklaring van de martelaren van Uganda
Is er nog een nieuwe liturgische beweging na Benedictus XVI? Met Dom Alcuin Reid vragen we ons dit af.
Hier een citaat uit zijn diepgravende voordracht:
"The nature of the papacy, and its juridical power, when combined with morally good incumbents risks creating an almost super-man. The temptation to forget that he is but the vicar of Christ and to idolize the individual pope is real. This can lead to the error of ultramontanism: the belief that any opinion, act or judgement of the Pope is unable to be criticised, or indeed is infallible, and is to be followed as the teaching of Christ himself."
Het zijn drukke tijden voor liturgisten.
1/ Er is het nieuwe misformulier voor de nieuwe evangelisatie waarover B. Suijkerbuijk bericht in het 2013/3 nummer van Communio.
2/ Per decreet van 31 juli 2012 heeft de Congregatie voor de Eredienst het feest 'Onze Heer Jezus Christus Eeuwige Hogepriester' ingesteld (zie hier), een feest dat vanaf 2014 ook op de kalender in Nederland staat (zie hier)
3/ In verband met de liturgie staat ook het nieuwe Directorium voor het Ambt en het Leven van de Priesters waarover we hier hebben bericht en dat inmiddels in het Nederlands is vertaald (zie hier)
4/ Het decreet van 22 februari 2013 verandert 'communitas christiana' in 'Ecclesia Dei' in nrs. 41, 79, 111, 136, en 170 van de Latijnse editio typica van het rituaal voor het doopsel. (zie Notitiae 2013/1-2, p. 54-56).
5/ Per decreet van 1 mei 2013 heeft de Congregatie voor de Eredienst de toevoeging van de naam van Sint-Jozef in de Eucharistische Hooggebeden II, III en IV verordent (onze vertaling van dit decreet is hier te vinden).
6/ Een voorlopig slot is het decreet 'Unigenitum Filium Suum' van 30 mei 2013 van de Congregatie voor de Eredienst waarin de tekst van de litanie "van Onze Heer Jezus Christus Priester en Slachtoffer" en van de litanie "van het Allerheiligste Sacrament" wordt goedgekeurd. Net zoals het feest 'Onze Heer Jezus Christus Eeuwige Hogepriester' is ook dit decreet een uitloper van het Jaar van de Priester. Over de eerste litanie spreekt de zalige Johannes Paulus II uitvoerig in zijn boek Gave en Geheim en in zijn brief aan de priesters uit 1997. Deze litanie blijkt immers zeer populair te zijn geweest gedurende zijn seminariejaren in Krakow. De tweede litanie "van het Allerheiligste Sacrament" gaat waarschijnlijk terug op de 18e eeuw.
Je hoort het wel vaker. Er worden duidelijk liturgische
misbruiken vastgesteld maar de bevoegde personen verdedigen een niet-optreden
(niet-optreden is natuurlijk ook een vorm van optreden!) want “we willen de
mensen niet wegjagen uit de Kerk”, “je moet zulke dingen geleidelijk doen en
niets forceren”, “een pastorale aanpak is nodig”, “er is al zoveel veranderd,
nu nog meer veranderen, brengt alleen maar verwarring”, etc.
Het klinkt natuurlijk sympathiek om rekening te houden met
de gevoelens van mensen en geleidelijkheid is op zich waardevol (alhoewel er
grenzen zijn aan de geleidelijkheid, bv. wachten tot een actor van liturgische
misbruiken overleden is alvorens in te grijpen is zo’n overschrijding van een
grens) net zoals een uitleg van de correcties die men wil doorvoeren belangrijk
is, maar bekijken we de zaak eens wat grondiger. Eigenlijk zegt men zoiets als
“een misbruik verbeteren, beter maken, het goede proberen te bereiken, zal
enkel de mensen wegjagen, brengt enkel verwarring”, etc. Terwijl iedereen het
er over eens zal zijn dat per definitie een misbruik iets is wat gecorrigeerd
dient te worden en het goede dient bevorderd te worden.
Je kunt niet twee dingen tegelijkertijd willen, nl. verbaal
verkondigen dat je achter een hermeneutiek van de continuïteit staat en in het
handelen of niet-handelen laten blijken dat er in feite een hermeneutiek van de
breuk heerst. Ofwel probeer je de liturgie die je op een plek aantreft in
overeenstemming te brengen met de traditie van de Kerk ofwel probeer je dit niet.
Ook hier geldt, stilstand is achteruitgang. Wat er in feite gebeurt wanneer er
niet opgetreden wordt, is een bevordering en ondersteuning van een mentaliteit
die de Kerk afwijst.
“Maar dan komen de mensen niet meer”. Hier dienen we
duidelijk en moedig te zijn. Duidelijk, nl. dat de Kerk, net zoals Christus,
niet op zoek mag gaan naar applaus. Een Kerk die trouw is aan Christus zal
altijd een struikelblok zijn. Moedig, nl. om correcties van misbruiken uit te
leggen en te verhelderen door de gelovigen de volledige katholieke visie op
sacramenten te geven. Als we zeggen dat de liturgie bepalend is voor de
katholieke identiteit (en zelfs cultuurkatholieken zijn het daarover eens met
hun esthetiek van wierook en Gregoriaans) en we werkelijk ernstig nemen wat Sacrosanctum
Concilium zegt over de Eucharistie als “bron en hoogtepunt”, dan is elke
liturgische misbruik schadelijk voor onze identiteit en dus voor een echt
authentieke verkondiging van onze boodschap.
Er is dus een religieuze en morele plicht van elkeen een
liturgisch misbruik te willen corrigeren of nog, er is zoiets als de zonde van
het niet-willen zich ernstig inspannen om een liturgisch misbruik te willen
corrigeren.
“Maar is het écht wel zo belangrijk”. Hierop dienen we te
antwoorden met het adagium van Benedictus XVI: lex orandi, lex credendi, nl. de
wijze waarop wij bidden, bepaalt wat wij geloven. Indien het meest heilige van
de Kerk niet op een heilige wijze bejegend wordt, ja zelfs, ontheiligd wordt,
dan zal ook al het overige ontheiligd worden. De core business van de Kerk is
de aanbidding van God en de heiliging van de gelovigen en dat begint allereerst
in de liturgie en de sacramenten.
Hoe langer een misbruik voortduurt, hoe verder een gelovige
afdwaalt van de Kerk en een eigen traditie fabriceert: “Mijnheer pastoor, wij
doen dit al jaren zo”. De liturgie is de plaats bij uitstek waar wij moeten
werken aan het overwinnen van de tegenstelling pre-conciliair en
post-conciliair.
We are told a new handbook on how to celebrate Holy Mass will be
published this summer. While Redemptionis Sacramentum was dead on
arrival, I suspect the proposed handbook will be still-born. The only
thing that can resuscitate our liturgy is clear positive legislation
backed up by action.
We have spent fifty years ‘advising and encouraging’ clergy at all
levels -from Cardinals down to associate pastors and deacons- to follow
liturgical norms, but we have had very little success with such
exhortations. Why? I think because if we were to follow even the norms
that are in place now for the Missanormativa of Paul VI, we would have a
very different kind of liturgy than we currently have in most parishes.
Some questions we can ask ourselves about the liturgy in our own parish
to see if we are following norms or not are the following. All of these
questions should be responded to with a ‘Yes’ if we are following
norms; a negative response means we are not following the norms
(according to the General Instruction and Redemptionis Sacramentum)
Do we ever use Latin for the Ordinary of the Mass? (cf. RS #112; GIRM #41)
Do we retain use of the Communion Plate? (cf. RS #93)
Do we use Extraordinary Ministers only in exceptional circumstances? (cf. RS #151)
Does the celebrant stay within the sanctuary at the Sign of Peace? (cf. RS #72)
Do we omit the chalice if the greater proportion of the congregation does not receive from it? (cf. RS #102)
Do we allow/encourage Communion kneeling and on the tongue? (cf. RS #92)
Do we keep the Church and adjoining rooms quiet before and after Mass? (cf. GIRM #45)
Do we omit hymn singing to have an organ voluntary at the end of
Mass? (cf. Celebrating the Mass, Bishops Conference of England &
Wales, #225)
These may seem paltry things to some, but if they are so paltry, why
refuse to follow them? It takes so little to put them into place, other
than a sense of humility and obedience.
My personal reasons for taking liturgical norms seriously are two-fold.
My first reason, in all honesty, is that I am not able to successfully
subordinate my self-will to the will of God in all situations (i.e., I
still sin), making liturgy the one area of my life where by the
following norms I can subordinate myself with a measurable amount of
success. Second (and this is a requirement of justice) because the
people have a right to the liturgy with which the Church seeks to
provide them. Justice is, after all, more widely applicable than just to
issues of social poverty and/or oppression.
I return to a long-stated opinion here: if the Novus Ordo were
celebrated exactly in accord with the Missal as provided by Pope Paul VI
in 1970 in accord with liturgical continuity and the actual decrees of
Vatican II, ie., altar-facing (rubric 133) with Latin (Sacrosactum
concilium of Vatican II #54,116) and Communion on the tongue while
kneeling (1970 GIRM 247) we would see significantly less hostility to
the Church’s ancient form of Mass.
Slechts een enkele problematische passage uit deze tekst:
"Aan de dalende kant van de levensboog staat de ziekenzalving. In ziekenhuizen en woon- en zorgcentra zijn steeds minder priesters werkzaam. Diakens en lekenpastores kunnen de zieken of bejaarden heel intens en verregaand begeleiden maar hun niet het sacrament van de ziekenzalving toedienen. Dat plaatst ons voor een dubbele opdracht. Op de eerste plaats moeten wij nagaan hoe gelovigen in een vroegere fase van hun ziekte of ouderdom het sacrament van de ziekenzalving kunnen ontvangen, zo mogelijk in een gemeenschappelijke viering. Een aantal parochies of zorgvoorzieningen hebben hiermee goede ervaringen. Bovendien moeten wij nagaan welke rituele gebaren diakens en pastorale werk(st)ers kunnen stellen, wanneer de dood naderbij komt. In samenwerking met pastores uit de verzorgingssector zullen we voorstellen uitwerken voor rituelen die niet het sacrament van de ziekenzalving zijn, maar wel tegemoetkomen aan de spirituele nood van de zieken en van wie hun nabij zijn." (p. 27-28)
Een politiek niet-correcte vertaling luidt: "Spijtig dat Rome nog blijft vasthouden aan de ziekenzalving enkel door priesters, maar wij, de Antwerpse kerk, gaan gewoon verder. Dus eventjes brainstormen om wat rituelen uit te vinden die de mensen goed doen; het effect is toch hetzelfde."
En zo viert men in Vlaanderen Vaticanum II.
Daarentegen zei Paus Benedictus XVI recentelijk (3 oktober 2012):
"Bijgevolg is niet het individu – priester of gelovige – noch de groep die door de liturgie gevierd worden, maar liturgie is vooreerst Gods handeling door de Kerk, die haar geschiedenis heeft, haar rijke traditie en creativiteit. Deze universaliteit en openheid die heel de liturgie eigen zijn, is één van de redenen waarom zij niet kan bedacht of veranderd worden door een gemeenschap of specialisten, en waarom zij trouw moet zijn aan de vormen van de universele Kerk."
“Terwijl een diepe stilte alles omgaf en de nacht was
voortgesneld tot de helft van zijn baan, daalde uw almachtig Woord, o Heer, van
zijn koninklijke troon, alleluia” (Magnificat-antifoon van de Vespers van 26
december)
Eén van de meest opvallende verschillen tussen de beide
vormen van de Romeinse Ritus is de stilte waarmee in de buitengewone vorm de
Romeinse Canon wordt gebeden.
Net zoals bij de gebedsrichting zwijgt Sacrosanctum Concilium in alle talen over het eeuwenoude gebruik de Romeinse Canon in stilte
te bidden. Daarom spreekt ook Paulus VI in zijn Apostolisch Motu Proprio Sacram Liturgiam over het van kracht worden van
bepaalde voorschriften van de Constitutie over de Heilige Liturgievan 25 januari
1964 niet hierover.
Maar in nr. 48 van Inter Oecumenici, de Instructie voor de uitvoering ([sic!] van de Constitutie over de heilige Liturgie vanwege het Concilium ter uitvoering van de Constitutie heilige liturgie van 26 september 1964 wordt bepaald dat de doxologie van de Romeinse Canon hardop dient gebeden te worden.
Drie jaar later bepaalt de Congregatie voor de Riten in Tres abhinc annos, de tweede Instructie voor de juiste uitvoering [sic!] van de
Constitutie over de H. Liturgie van 4
mei 1967 in nr. 10 dat “In Missen met gelovigen, ook al worden ze
geconcelebreerd, mag de celebrant de canon hardop lezen, naargelang het hem
goed dunkt.”
Vanzelfsprekend is men in beide gevallen (1964 en 1967) niet
in staat om deze bepaling te funderen vanuit Sacrosanctum Concilium!
Het eeuwenoude gebruik gaat terug tot de vroege 9e
eeuw (zie Jungmann, Missarum Sollemnia II, 131). Het Concilie van Trente zag
zich genoodzaakt deze praktijk te verdedigen: “Si quis dixerit, Ecclesiae Romanae ritum, quo submissa voce pars canonis et verba consecrationis proferuntur, damnandum esse; aut lingua tantum vulgari Missam celebrari debere; aut aquam non miscendam esse vino in calice offerendo, eo quod sit contra Christi institutionem: an. s.” (DH 1749). ‘Submissa voce’ of ‘secreto’
zoals het Missaal van 1570 dit bepaalt betekent volgens ditzelfde missaal dat
de celebrant zijn eigen stem moet kunnen horen.
Deze eeuwenlange traditie heeft zeer goede gronden.
1/De mysteries van onze verlossing (Menswording, Dood en
Verrijzenis) gebeurden in stilte. De liturgie stelt deze mysteries weer
tegenwoordig en dus is het gepast deze tegenwoordigstelling opnieuw met stilte
te omhullen, om “de onuitsprekelijke waarheden met een eerbiedwaardige stilte
te vereren” (Pseudo-Dionysius, De divinis nominibus I, 3).
2/De stilte bewaart en beschermt het geheim dat gevierd
wordt: “de waardigheid van de mysteries wordt het best bewaard door de stilte”
(Basilius, De spiritu sancto, nr. 66).
3/De canon is als het allerheiligste van de tempel te
Jeruzalem dat enkel de hogepriester éénmaal per jaar betreden mocht (Hebr. 9,
7). De stilte van de canon is er omwille van de heiligheid van het gebeuren
waar enkel de priester in binnentreedt. De stilte van de canon brengt daarom op
uitzonderlijke wijze de bijzondere plaats van de priester als middelaar ‘in
persona Christi’ naar voren. De priester die ‘versus orientem’, naar God
gericht, in stilte de canon bidt, geeft uitdrukking aan het woord van Hebr. 5,
1: “Want elke hogepriester wordt genomen uit de mensen en aangesteld voor de
mensen, om hen te vertegenwoordigen bij God en om gaven en offers op te dragen
voor de zonden”. De stilte van de canon is zo uitermate geschikt om de
priesterlijke identiteit van het wijdingsambt te vormen en verdiepen.
Het is daarom niet verwonderlijk dat Luther dit beschouwt
als een duivelse daad (“Hat nit hie der Teufel uns daö
Hauptstuck von der Messe meisterlich gestohlen, und in ein Schweigen bracht?” (1520: Ein Sermon von dem neuen Testament, das ist von der heiligen
Messe (Weimar Ausgabe 6, 362). Terecht heeft het Concilie van Trente daarom
hierover een anathema uitgesproken! Het betreft hier de grondslagen van het
katholieke geloof, nl. het gewijde priesterschap!
4/Het besef dat de priester geheel en al
opgenomen is in het Christus-mysterie, zonder communicatie met het volk, vormt
het hart van de priester zodanig dat er, wars van alles wat er rondom gebeurt,
innerlijke ruimte wordt geschapen tot een persoonlijke vereniging met Christus
die zich hier op het altaar in het offer als gave schenkt.
5/Het luidop bidden van de canon verhindert
dat het volk komt tot een participatio actuosa. Meer of minder aandachtig hoort
men wel naar de woorden maar tot echt gebed komt het niet. Of zoals een
Nederlandse bisschop ooit zei: “De mensen hebben opgehouden te bidden toen ze
alles begonnen te verstaan en hun handmissaals niet meer konden gebruiken”. Paradoxalerwijze
gebeurt hier vaak wat men aan de ‘oude’ Mis verweet, nl. dat het volk enkel
erbij zit en luistert. Niet enkel ondanks maar precies dankzij het feit dat nu
de woorden ogenschijnlijk verstaan worden, ontstaat er een passiviteit van het
horen. De stilte daarentegen vereist een inwendige deelname om zich met de
heilige handeling te verenigen. Bovendien wordt het volk niet beperkt tot het
horen zoals in de novus ordo; integendeel, het allerheiligste hart van de H.
Mis dat in stilte geschiedt laat de mogelijkheid om naar eigen vermogen en aard
en dus op velerlei wijze in het geheim binnen te treden.
De stilte van de canon maakt bij uitstek
mogelijk te komen tot een contemplatieve beschouwing en ontmoeting met
Christus.
Wijlen Pater Prof. Karel Van Isacker S.I. (1913-25 augustus 2010) - mogen hij ruste in vrede- sprak reeds in 1977 profetische woorden over de liturgie zoals blijkt uit het volgende fragment (met dank aan Mysterium Fidei)
Omstreeks min. 47 in antwoord op de vraag:
Zal het christendom sterven? (De tussentitels zijn van onze hand)
Neen
"Het christendom kan niet sterven omdat het christendom het meest fundamentele antwoord is op de diepste nood van de mens, 't is te zeggen op de bevrijding uit de dood, de dood van het lichaam, de dood van de ziel, door het deelnemen aan de mensgeworden God Christus. Als dat zou verdwijnen, dan is in mijn ogen de mensheid zelf verdwenen..."
Ja
"Maar de vraag kan en moet natuurlijk ook anders gesteld worden. Is het niet zo dat in de harten van vele mensen, van steeds meer mensen, het christendom aan het sterven is. En daarop is het antwoord, als je rond je kijkt, ongetwijfeld: ja. ...Het ligt misschien ook wel voor een deel -en het is hard het te zeggen- aan de Kerk zelf en ik denk speciaal hier aan wat mijn ietwat eufemistisch de 'vernieuwing in de Kerk' noemt.
Ik kan daar mee alle kanten uit maar ik denk hier nu heel specifiek aan de vernieuwing op het stuk van de liturgie, het punt waar de kerk en de gelovige elkaar het innigste ontmoeten..."
Het verschrikkelijkste verraad van de tijd
"Er was daar ongetwijfeld vernieuwing nodig...maar men heeft niet alleen de verstarring en de ballast overboord gegooid, men heeft doorgesneden wat ook weer -we hebben het daarstraks al gezegd- over eeuwen gegroeid is: die liturgie en het Gregoriaans en die oude, oeroude teksten van de Kerk; dat waren geen teksten meer en geen liederen meer en geen vormen meer die eens door een individu werden uitgedacht maar die in zich ook weer de nood, de wijsheid, het berouw, het leed en het geloof van de mensen dragen.
Dat was de grootste rijkdom die wij bezaten, die uitgedrukt is in vormen, in vormen van liturgie, in het Gregoriaans, in heel de uiterlijke verschijning van de Kerk, van de kerken en dat is voor mij het verschrikkelijkste verraad van de tijd want men besteelt daardoor de mensen van iets wat voor hen onontbeerlijk is en ik geloof -en het klinkt misschien wat hard en wat bitter- dat men daardoor onbewust -en ongewild vanzelfsprekend- het geloof daardoor vernietigd."
"…of als je denkt aan die liedjes, die armzalige liedjes die de rijkdom van het Gregoriaans moeten vervangen, of als je denkt aan het vergeten in zo vele kerken van de onmisbaarheid van de stilte voor het gebed en dus ook voor het geloof, dan zeg je, hier gebeurt eigenlijk iets wat verschrikkelijk is en waarvan men zich misschien ook niet rekenschap geeft hoe verschrikkelijk het is en je zou er bitter op kunnen reageren -en ik moet me soms inhouden om niet bitter te reageren- maar men zou zich kunnen afvragen: al die kleine epigoontjes, met welk recht zetten zij hun eigen ontoereikendheid, hun armoe, hun engheid in de plaats van die eeuwen, over de eeuwen gegroeide rijkdom van de Kerk, van de traditie, en als je het zo ziet dan moet je eigenlijk zeggen dat voor de grond van de zaak een man als Mgr. Lefevbre gelijk heeft"
De capitulatie van de Kerk
"En als men hem en zijn aanhangers uitstoot...dan gebeurt het omdat hij en zijn volgelingen het gewaagd hebbende Kerk te tonen- uit geloof, uit nood om het essentiële te behouden-, omdat zij het gewaagd hebben de Kerk te wijzen op een aberratie. En dat is, ja die aberratie van de Kerk, het is niet de eerste en het is eigenlijk alles samen, de pijnlijkste ervaring van mijn leven als historicus -dus ik behoor tot de Kerk en ik ben blij tot de Kerk te behoren en ik zou er niet buiten kunnen leven en ik stem nog steeds in met die verzen van Gertrud von Le Fort waarin zij verheerlijkt de Kerk als de drager van het mensdom als de bezieler van het mensdom, dat is voor mij de kerk, ik zou er niet buiten kunnen leven- maar mijn leed als historicus is geweest te moeten constateren hoe deze Kerk, als menselijk instituut dan, steeds meegelopen heeft met de stroming van de tijd; we denken aan de burgerlijke kerk van de 19e eeuw bv. en wat een verraad en ellende dat meegebracht heeft in de verdere geschiedenis en zo ook nu nog, wat doet men eigenlijk in de Kerk dat is meelopen met de stroom van de tijd, met een mode, met een vergankelijke mode, eigenlijk meelopen met een capitulatie en ik denk hier wat Golo Mann -dat is de zoon van Thomas Mann, de romanschrijver, dat is een Duits historicus en op het- ik denk dat het het 29ste historisch congres was in Duitsland, in 1972 geloof ik, gehouden te Regensburg- hield hij een redevoering onder titel "Ohne Geschichte leben" en die redevoering begon als volgt: "Wir leben in einem Zeitalter der Kapitulation": theologen tegen de filosofie, filosofen tegen de theologie en ook historici -dat was zijn context- tegen de geschiedenis."
Geestelijk braakland
"Ik geloof dat binnenkort, de volgende generatie, zich met verstomming zal afvragen hoehet mogelijk is geweest dat wij in onze beschaving, dat wij een gemeenschap zijn geweest die zo luchthartig, zo onnadenkend de schatten van het verleden door deuren en vensters gooide. Dat is precies wat de Kerk ook doet, 't is in de grond een capitulatie omdat men mee wil doen met de geest van de tijd, met de mode. Maar de vraag is: "Waar zullen wij ons bevinden, waar zullen wij voor staan, als die mode, zoals elke mode, voorbij zal zijn? Niets verdwijnt vluggen dan een mode.
Dan is het gevaar dat wij ons in een vreselijk, geestelijk braakland bevinden. Maar dat is te pessimistisch."
De boodschap van Christus is eeuwig
"Op deze Sinksenavond zou ik op dat stuk mijn diepe overtuiging willen uitspreken: ik geloof in Christus en ik weet dat de boodschap van Christus eeuwig is, ook omdat zij beantwoord aan de honger en de behoefte van het mensdom en zelfs uit dat geestelijk braakland, dat we nu misschien aan het opbouwen zijn, zal, ongetwijfeld een nieuw leven in Christus heroprijzen. Moge de Geest ons allen doen inzien wat er nu aan het gebeuren is en dat we inderdaad kunnen vermijden eens terecht te komen op een geestelijk braakland want ook dát uiteindelijk zou niet alleen de dood van het christendom zijn, het einde van het geloof maar ook het einde van de mens, want de mens heeft God nodig.”
Vere dignum et iustum est, æquum et salutare, nos tibi semper et ubique gratias agere: Domine sancte Pater, omnipotens æterne Deus: per Christum Dominum nostrum.In quo nobis spes beatæ resurrectionis effulsit, ut, quos contristat certa moriendi condicio, eosdem consoletur futuræ immortalitatis promissio. Tuis enim fidelibus, Domine, vita mutatur, non tollitur, et, dissoluta terrestris huius incolatus domo, æterna in cælis habitatio comparatur. Et ideo cum Angelis et Archangelis, cum Thronis et Dominationibus, cumque omni militia cælestis exercitus, hymnum gloriæ tuæ canimus, sine fine dicentes: Sanctus, Sanctus, Sanctus Dominus Deus Sabaoth. Pleni sunt cæli et terra gloria tua. Hosanna in excelsis. Benedictus qui venit in nomine Domini. Hosanna in excelsis."