Posts tonen met het label pius xii. Alle posts tonen
Posts tonen met het label pius xii. Alle posts tonen

zondag, september 05, 2021

Strijdend geloof!

 


Bron: Bondsblad. Sekretariaat Bonden van het H. Hart, 32e jaargang, Nr. 3, Maart 1951

vrijdag, juli 09, 2021

De buitengewone vorm van het pausschap

Zou men, naar analogie met Summorum Pontificum, ook kunnen spreken over de buitengewone vorm van het pausschap en de gewone vorm van het pausschap? 




maandag, februari 01, 2021

Profetische woorden van Pius XII voor 2021

Paus Pius XII, Toespraak op 1 mei 1955 tot de Internationale bijeenkomst van de Katholieke arbeiders en arbeidsters (ACLI) te Rome, instelling van het feest van Jozef, Arbeider te vieren op 1 mei 1955.


“...dat nieuwe wetten of nieuwe instellingen niet volstaan om iedereen de zekerheid te geven, dat hij beveiligd is tegen iedere onrechtmatige dwang en dat hij zich in vrijheid kan ontplooien in de gemeenschap. Alles zal vergeefs zijn, als de gewone man leeft in de vrees, overgeleverd te zijn aan willekeur, en als hij zich niet kan vrijmaken van het gevoel, dat hij onderworpen is aan de goede of kwade wil van hen, die de wetten toepassen of die als ambtenaren de instellingen en de organisaties besturen; als hij denkt, dat in het dagelijks leven alles afhangt van relaties, die hij misschien niet heeft in tegenstelling met anderen; als hij vermoedt, dat achter de gevel van wat men de staat noemt, zich een geheim spel afspeelt van machtige georganiseerde groepen.”

“... nè nuove leggi nè nuove istituzioni sono bastevoli per dare al singolo la sicurezza di essere al riparo da ogni costri zione abusiva e di potersi liberamente evolvere nella società. Tutto sarà vano, se l'uomo comune vive nel timore di subire l’arbitrio e non perviene ad affrancarsi dal sentimento che egli sia soggetto al buono o cattivo volere di coloro che applicano le leggi o che come pubblici ufficiali dirigono le istituzioni e le organizzazioni; se si accorge che nella vita quotidiana tutto dipende da relazioni che egli forse non ha, a differenza di altri; se sospetta che, dietro la facciata di quel che si chiama Stato, si cela il giuoco di potenti gruppi organizzati.”


vrijdag, september 01, 2017

Hoe onomkeerbaar is onomkeerbaar?

Er is heel wat te doen geweest over een toespraak van paus Franciscus over de liturgie waarin hij zegt dat "wij met zekerheid en met de autoriteit van het leergezag bevestigen dat de liturgische hervorming onomkeerbaar is." (Bron)

Een goed overzicht van de reacties op deze op zichzelf onbelangrijke en banale toespraak is hier te vinden. Onbelangrijk omdat er geheel en al niets nieuws in te vinden is en banaal omdat niemand, maar dan ook niemand, met gezond verstand en enige kennis van de geschiedenis van de liturgie kan beweren dat de vorm van de liturgie in steen gebeiteld staat. Bovendien, indien hieromtrent niets per se onveranderlijk is, dan geldt dit logischerwijze ook voor de liturgiehervorming zelf!

De toespraak is belangrijk enkel (en helaas) in deze zin dat voor wie het uitkomt deze zin gebruikt zal worden ter rechtvaardiging van de eigen ongehoorzaamheid aan Vaticanum II. Tevens is deze toespraak belangrijk vanwege de damnatio memoriae van het pontificaat van Benedictus XVI (naar analogie met de damnatio memoriae van Veritatis splendor door Amoris laetitia).

Ter illustratie van de relativiteit van de onomkeerbaarheid der dingen raad ik de lectuur aan van een toespraak van Paus Pius XII uit 1956 aan de deelnemers van het liturgische congres te Assisi. Hij brengt daarin o.a. de verordeningen van het H. Officie uit 1952 omtrent de plaats van het tabernakel ter herinnering ("De Allerheiligste Eucharistie moet bewaard worden in een onbeweeglijk tabernakel, geplaatst in het middendeel van het altaar") en houdt een vurig pleidooi voor de eenheid van altaar en tabernakel ("Het tabernakel van het altaar scheiden is het scheiden van twee dingen, die door hun oorsprong en hun aard verenigd moeten blijven."). (Bron)

Het behoeft weinig uitleg dat enkele jaren later op grote schaal en mét goedkeuring van de geëigende instanties deze eenheid verbroken werd.

dinsdag, augustus 22, 2017

Het belang van een correcte vertaling en lectuur

De openingszin van Fides et Ratio nr. 49 leest in het originele Latijn: “Suam ipsius philosophiam non exhibet Ecclesia, neque quamlibet praelegit peculiarem philosophiam aliarum damno.” De bijbehorende voetnoot 54 leest: “Cfr Pius XII, Litt. Encycl. Humani generis (12 Augusti 1950): ASS 42 (1950), 566.”
De Nederlandse vertaling luidt: “De Kerk heeft geen eigen wijsbegeerte, noch geeft zij aan een of andere bijzondere filosofie de voorkeur boven de andere.”
De Engelse vertaling luidt: “The Church has no philosophy of her own nor does she canonize any one particular philosophy in preference to others.”
De Italiaanse vertaling luidt: “La Chiesa non propone una propria filosofia né canonizza una qualsiasi filosofia particolare a scapito di altre. »
De Franse vertaling luidt : "L'Eglise ne propose pas sa propre philosophie ni ne canonise une quelconque philosophie particulière au détriment des autres".
De Duitse vertaling luidt : "Die Kirche legt weder eine eigene Philosophie vor noch gibt sie irgendeiner besonderen Philosophie auf Kosten der anderen den Vorzug".
Deze vertalingen laten vermoeden dat de Franse en Engelse vertalingen gebaseerd zijn op de Italiaanse; allen spreken immers over het “canoniseren”. De Duitse en Nederlandse vertalingen zijn gelijkaardig en spreken over “voorkeur boven de andere”.

Belangrijker echter is het volgende. Nr. 49 wordt veelal gelezen als een eindpunt van het thomisme in de katholieke Kerk. De eerste zin van 49 zou immers in tegenspraak staan met de eeuwenlange steun van de Kerk aan het denken van Sint-Thomas, de Doctor Communis van de Kerk. Peter Henrici spreekt over “a certain relativising of the monopoly position of Thomism and Scholasticism”. [Peter Henrici: The One Who Went Unnamed: Maurice Blondel in the Encyclical Fides et Ratio, in: Communio 26 (1999), p. 610].

Later we echter kijken naar een meer accurate en letterlijke vertaling: “De Kerk biedt niet een eigen wijsbegeerte aan en evenmin geeft Zij aan een of andere particuliere wijsbegeerte de voorkeur tot schade van andere [wijsbegeerten]”.

Een eerste bemerking is dat deze zin vervat ligt in de context van de vraag naar de autonomie van de wijsbegeerte, de wijsbegeerte die inderdaad haar eigen principes heeft. In nr. 75 wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen een autonome wijsbegeerte “die gehoorzaamt aan haar eigen wetten en alleen de krachten van de rede gebruikt” en een “afgescheiden filosofie” die voor zichzelf een diepere kennis van de waarheid ontzegt omdat zij beweert intellectueel zelfvoorzienend te zijn.

Een tweede bemerking heeft te maken met de verwijzing in de voetnoot naar Humani Generis: AAS 42 (1950), 566. Daar lezen wij: ““Liquet etiam Ecclesiam non cuilibet systemati philosophico, brevi temporis spatio vigenti, devinciri posse : sed ea quae communi consensu a catholicis doctoribus composita per plura saecula fuere ad aliquam dogmatis intellegentiam attingendam, tam caduco fundamento procul dubio non nituntur. Nituntur enim principiis ac notionibus ex vera rerum creatarum cognitione deductis; …”.

In het Nederlands: “Ook is het duidelijk, dat de Kerk zich niet kan binden aan ieder willekeurig filosofisch systeem, dat korte tijd in zwang is; maar wat de katholieke geleerden gedurende meerdere eeuwen eenstemmig hebben opgebouwd om tot enig begrip van het dogma te komen, kan onmogelijk steunen op zo'n wankele grondslag. Het steunt immers op beginselen en begrippen, die uit een ware kennis van het geschapene zijn afgeleid…”

Hier wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen nieuwe wijzen van filosoferen en datgene wat opgebouwd is geworden doorheen de eeuwen gebaseerd op “beginselen en begrippen, die uit een ware kennis van het geschapene zijn afgeleid”.

Even later in Humani Generis wordt over deze wijsbegeerte gezegd dat zij “erkend en aanvaard is door de Kerk” en dat zij “de echte en werkelijke waarde van de menselijke kennis, de onwankelbare beginselen van de metafysica - de beginselen namelijk van "ratio sufficiens", "causaliteit" en "finaliteit" - en ten slotte de mogelijkheid om de zekere en onveranderlijke waarheid te achterhalen” verdedigt. (nr. 29: “Quae quidem philosophia in Ecclesia agnita ac recepta, et verum sincerumque cognitionis humanae valorem tuetur, et metaphysica inconcussa principia — rationis nempe sufficientis, causalitatis et finalitatis — ac demum certae et immutabilis veritatis assecutionem).

Deze filosofie kan daarom nooit verlaten worden ten gunste van een andere. Dit sluit de mogelijkheid van verrijkingen echter niet uit.

“Deze filosofie leert meerdere dingen, die noch onmiddellijk noch middellijk het geloof en de zeden raken en waarover de Kerk daarom de mensen van de wetenschap vrij laat discussiëren. Maar op andere punten, vooral waar het gaat over de bovengenoemde beginselen en hoofdstellingen, bestaat die vrijheid niet. Ook in deze essentiële kwesties mag men de filosofie een passender en rijker gewaad geven, haar door doeltreffender formulering versterken, haar ontdoen van bepaalde minder geëigende schoolse vormen, haar verstandig verrijken met bepaalde gezonde elementen, die de vooruitgang van het menselijk denken heeft gebracht. Nooit echter mag men haar vernietigen of haar besmetten met valse beginselen of haar beschouwen als een wel groots, maar verouderd monument. Want de waarheid en iedere filosofische verklaring, die men er van geeft, kunnen zo maar niet telkens veranderen, vooral niet als het gaat over de beginselen, die uit zichzelf door het menselijk verstand gekend worden, of over waarheden, die steunen op eeuwenoude wijsheid en op het feit, dat zij overeenkomen met de "openbaring" en daarin een bevestiging vinden. Al wat de menselijke geest bij een eerlijk zoeken aan waarheid kan vinden, kan onmogelijk in strijd zijn met de reeds verworven waarheid.” (nr. 30)

En dit is precies volgens Humani Generis de reden waarom de Kerk Sint-Thomas heeft uitgekozen.
“Wie dit goed voor ogen houdt, begrijpt gemakkelijk, waarom de Kerk eist, dat aan de toekomstige priesters de filosofie wordt onderwezen "volgens de methode, de leer en de beginselen van de Engelachtige Leraar". Een ervaring van meerdere eeuwen heeft haar immers geleerd, dat de methode van Thomas van Aquino heel bijzonder geschikt is zowel voor het onderwijs als voor het uitdiepen van verborgen waarheden. Zij weet ook, dat zijn leer harmonisch met de "openbaring" overeenstemt en dat zij een machtig middel is om de grondslagen van het geloof veilig te stellen en om succesvol en zonder gevaar de vruchten te plukken van een gezonde ontwikkeling .” (nr. 31)

Besluit: de zin in nr. 49 van Fides et Ratio zegt dat de Kerk niet op onkritische wijze een particuliere filosofie aanneemt en daarmee anderen uitsluit en dat door een geprivilegieerde positie toe te kennen aan de filosofie en theologie van Sint-Thomas Zij, de Kerk, niet bedoelt andere scholen te veroordelen die compatibel zijn met Sint-Thomas en diens principes.

donderdag, december 24, 2015

Waarom rubrieken belangrijk zijn!

"Ofschoon immers de ceremonies op zich geen enkele volmaaktheid, geen enkele heiligheid bevatten, zijn het toch uitwendige daden van godsdienstigheid, die, als tekens, de ziel opwekken tot verering van het heilige, de geest verheffen tot de bovennatuurlijke dingen, de godsvrucht voeden, de liefde doen ontbranden, het geloof doen groeien, de devotie versterken, de eenvoudigen onderrichten, de eredienst opluisteren, de godsdienst in stand houden en de ware gelovigen van de schijngelovigen en van de andersdenkenden onderscheiden." (Pius XII, Mediator Dei, nr. 23)

dinsdag, februari 24, 2015

Onze tien stellingen over DH

Naar aanleiding van het colloquium in het Sint-Janscentrum met als thema o.a. godsdienstvrijheid herpubliceren wij hier onze tien stellingen over Dignitatis Humanae, oorspronkelijk gepubliceerd op deze blog op 30 april 2013.

1/De kern van de zaak
DH 2/1 stelt: “Dit Vaticaans Concilie kent aan de menselijke persoon het recht toe op godsdienstvrijheid.” Het verdere verloop van DH 2/1 zegt waarin dit recht bestaat, dat dit gegrondvest is op de waardigheid van de menselijke persoon en dat dit recht dient erkend te worden als burgerlijk recht in de juridische orde van de maatschappij.

Naar eigen zeggen doet dit “geen afbreuk aan de traditionele katholieke leer omtrent de morele plicht van mensen en gemeenschappen ten opzichte van de ware godsdienst en de énige Kerk van Christus.” (DH1/3). Dit vereist van de gelovigen de instemming met goddelijk geloof.

De verklaring in DH 2/1 verdient, als onderdeel van een Oecumenisch Concilie en aangezien er geen afbreuk gedaan wordt aan de traditionele leer, religieuze volgzaamheid van wil en verstand.

Al het overige in DH is argumentatie. DH 2/2 dat begint met “Op grond van hun waardigheid” heeft uitdrukkelijk niet “enim” of “want” als eerste woord meegekregen om te vermijden dat de argumentatie als zijnde met gezag zou kunnen gelezen worden. De relator Mgr. De Smedt zei immers: “Ut clarius appareat quod argumentatio non auctoritate proponitur, deletur in lin. 7 verbum “enim”” (AS VI, 4, p. 735). De overige delen van DH dienen dus met respect en dankbaarheid ontvangen te worden maar vereisen geen verstandelijke instemming in eigenlijke zin. (Voor meer info verwijs ik naar F. Ocariz, Over de instemming met het Tweede Vaticaans Concilie, L’Osservatore Romano 2 december 2011)

Tevens is uitdrukkelijk niet een definitie van “menselijke persoon” gegeven want, zo zei dezelfde relator, “Neque mos est conciliaris definitionis philosophicas proponere” (AS VI, 4, p. 735). Dit is te betreuren.

2/Een tegenstelling tussen DH en de traditie vereist dat de tegenstelling volledig is, een twijfel of waarschijnlijkheid volstaat niet. Indien er iets niet duidelijk lijkt, geldt de onderwerping aan het Leergezag. De tegenstelling dient ook formeel te zijn, niet enkel op niveau van de terminologie.

3/Het recht op godsdienstvrijheid is geen recht op dwaling. Een dwaling heeft geen rechten want enkel een persoon kan het subject van rechten zijn. Ook een persoon die in een religieuze dwaling verkeert heeft rechten. DH zegt dus niet dat een dwalende godsdienst rechten heeft. CKK 2108 heeft dit verduidelijkt: “Het recht op godsdienstvrijheid betekent geen morele toelating om een dwaalleer aan te hangen,  noch een mogelijke vrijbrief voor de dwaling,  maar wel een natuurlijk recht van de menselijke persoon op burgerlijke vrijheid, dit wil zeggen op vrijwaring van uiterlijke dwang, binnen juiste grenzen, in godsdienstzaken, vanwege de politieke overheid. Dit natuurrecht moet in de juridische ordening zo worden erkend dat het burgerrecht wordt.”

4/Het recht op godsdienstvrijheid is geen positief recht om het kwade te doen. Voor een positief recht om iets te doen moet het object van het recht, de handeling, moreel goed zijn. DH erkent niet dat personen een positief recht hebben ten aanzien van religieuze dwaling. Een negatief recht daarentegen is een recht om niet verhinderd te worden te handelen en slaat op de morele faculteit te eisen dat er geen menselijke dwang is in een bepaald domein. Het object van een negatief recht is niet de (eventueel moreel slechte) handeling. DH spreekt altijd over het recht niet verhinderd te worden en niet over het recht te handelen.

5/Dit negatief recht ten aanzien van de burgerlijke overheid en niet een positief recht ten aanzien van God, van het goede en het kwade sluit uit dat DH indifferentisme bevordert. Integendeel DH 1/2: “Van hun kant hebben alle mensen de plicht, de waarheid te zoeken, vooral met betrekking tot God en zijn Kerk, en, zijn zij tot de kennis van de waarheid gekomen, dan zijn zij verplicht, haar te aanvaarden en er trouw aan te blijven.” Het gebruik van godsdienstvrijheid in de bovenbeschreven zin als negatief recht om zich hierdoor af te wenden van de waarheid, is in feite een misbruik van datzelfde recht.

6/De plicht van de staat om de uitoefening van valse overtuigingen niet te verhinderen in de mate dat dit de publieke orde niet verstoort is niet in tegenspraak met de plicht van diezelfde staat om de ware religie en de katholieke Kerk te erkennen, deze te helpen in haar missie voor zover politiek mogelijk en deze te beschermen. Deze plichten worden niet ontkend door DH. De “morele plicht van mensen en gemeenschappen ten opzichte van de ware godsdienst en de énige Kerk van Christus” (DH1/3) blijft gelden. Ook hier heeft CKK 2105 verduidelijking gebracht: “Zowel individueel als sociaal hebben de mensen de plicht God een waarachtige eredienst te bewijzen. Dat is "de traditionele katholieke leer over de morele plicht van mensen en gemeenschappen tegenover de ware godsdienst en de enige kerk van Christus".  Door zonder ophouden aan de mensen het Evangelie te verkondigen spant de Kerk zich ervoor in, dat ze in staat zouden zijn "de mentaliteit en de zeden, de wetten en de structuren van het milieu waarin ze leven van een christelijke geest te doordringen".  Het is de sociale plicht van de christenen in ieder mens de liefde tot de waarheid en tot het goede te eerbiedigen en te stimuleren. Dit vraagt van hen dat ze de eredienst van de ene ware godsdienst zouden doen kennen, die in de katholieke en apostolische kerk te vinden is.  De christenen zijn geroepen het licht der wereld te zijn.  Op die manier bevestigt de kerk het koningschap van Christus over de hele schepping en in het bijzonder over de menselijke samenleving.”

7/ De traditie (zo bv. nog Pius XII in de Toespraak Ci riesce uit 1953) spreekt over tolerantie van dwalingen als zijnde gerechtvaardigd indien het algemeen welzijn méér te lijden zou hebben onder de onderdrukking van deze dwalingen als onder de tolerantie ervan. Dit perspectief van de traditie veronderstelt een katholieke staat onder de orde van de openbaring. Het is immers de openbaring die de ultieme distinctie oplevert om te onderscheiden tussen waar en onwaar. Maar een gezag dat niet onder de openbaring staat heeft niet het recht te verbieden wat zich niet direct stelt tegenover de openbaring en niet direct de sociale orde verstoort. DH spreekt vanuit het standpunt van de natuurlijke orde en dus niet over tolerantie maar over het recht op godsdienstvrijheid. DH spreekt dus ten aanzien van alle maatschappijen waarvan het merendeel zich helaas heeft afgekeerd van de waarheid.

8/De burgerlijke macht, alhoewel deze rechtens niet onverschillig kan zijn, heeft toch niet in en door zichzelf het eeuwig heil van de mens als opdracht. “De katholieke Kerk heeft het bewustzijn dat haar goddelijke Stichter haar het gebied van de godsdienst, de religieuze en morele richting van de mensen in haar uitgebreidheid heeft overgeleverd, onafhankelijk van de macht van de staat” (Pius XII, Toespraak Vous avez voulu, 7 september 1955, AAS 47 (1955) 672-682). De staat zal hier dus slechts vanuit het perspectief van het tijdelijk algemeen welzijn, wat het eigenlijke doel is van de staat, optreden door de publieke orde te beschermen en anderzijds zich te associëren met de publieke cultus die de maatschappij moet brengen ten aanzien van God.

9/Het negatieve recht, het recht op immuniteit van dwang ten aanzien van de staat is niet absoluut. Ook hier heeft CKK 2109 verduidelijking gebracht: “Het recht op godsdienstvrijheid kan uit zichzelf niet onbeperkt zijn  en evenmin slechts beperkt worden door een "openbare orde" die op een positivistische of naturalistische wijze wordt opgevat.  De "juiste grenzen" die aan dit recht inherent zijn, moeten voor elke sociale situatie bepaald worden door de politieke omzichtigheid, volgens de eisen van het algemeen welzijn, en bekrachtigd worden door de burgerlijke overheid volgens "juridische normen die in overeenstemming zijn met de objectieve morele orde".

10/Volgens de relator is de leer over de godsdienstvrijheid niet in tegenspraak met de idee en realiteit van een confessionele, katholieke staat (AS III, 8, p. 463). De praktijk tot bevordering van een niet-confessionele staat door middel van concordaten betreft dus een beslissing die behoort tot het niveau van de prudentie.

maandag, september 01, 2014

Versus orientem en priesterlijke vroomheid

De Vultus Christi blog maakt een interessant argument (niet onbekend voor de lezers van onze blog) over het verband tussen 'versus Orientem' en priesterlijke identiteit.

"De fysieke herinrichting van de kerken, waardoor een priester verplicht is achter het altaar te staan, met het gezicht naar de mensen, heeft een vernietigend effect gehad op de theologie van het priesterschap en op de priesterlijke vroomheid. Helaas zijn vele priesters de Mis voornamelijk gaan  zien als geestelijk waar, gegeven aan de mensen voor hun opvoeding, onderricht, ondersteuning en comfort. Het idee het Heilig Offer op te dragen aan God, zelfs in afwezigheid van gelovigen, is snel aan het verdwijnen. Het wordt meer en meer gebruikelijk dat priesters afzien van het opdragen van het Heilig Offer behalve bij die gelegenheden waar er een ingeroosterde Mis is met mensen."

"In zekere zin heeft het weid verspreide gebruik om de Heilige Mis te vieren “met het gezicht naar de mensen” geleid tot een onvolledig en verkeerd begrijpen van de Heilige Eucharistie: de consecratie van brood en wijn in het ware Lichaam en Bloed van Christus wordt beschouwd niet zozeer in het licht van het Offer opgedragen aan God, maar in het licht van het Sacrament opgedragen aan het volk. Deze verandering in de richting van een protestants begrip van de Heilige Eucharistie wordt verder benadrukt door de weid verspreide praktijk dat iedereen aanwezig (of nagenoeg iedereen aanwezig) zich genoodzaakt voelt de Heilige Communie te ontvangen."

Lees hier meer met de ondersteunende argumentatie vanuit het Leergezag van Pius XII

zondag, januari 05, 2014

Omtrent Extra Ecclesiam nulla salus



Ter uitleg van het adagium Extra ecclesiam nulla salus volgens hier de belangrijkste teksten van het Leergezag hieromtrent. Zoals de Zalige Johannes Paulus II zei moeten er hier twee waarheden, conform het katholieke et-et, samengehouden en in een synthese bijeengebracht worden.
Eigen aan onze tijd is dat ook hier een protestants “sola” heerst en met name de weegschaal doorgeslagen is naar de universele heilswil van God.

Concilie van Florence, Cantate Domino, 4 februari 1442 (DS 1351)
“Zij [de hoogheilige Romeinse Kerk] gelooft stellig, belijdt en preekt dat niemand die zich buiten de katholieke Kerk bevindt, niet enkel de heidenen, maar ook de joden of de ketters en schismatiekers deelhebber kan worden aan het eeuwig leven, maar dat zij in het eeuwig vuur zullen terechtkomen “dat is bereid door de duivel en zijn engelen” (Mt. 25,41) tenzij zij zich vóór het einde van hun leven bij dezelfde Kerk hebben aangesloten; dat de eenheid van het kerkelijk lichaam dermate krachtig is dat enkel voor hen die haar blijven de sacramenten van de Kerk weldadig zijn voor het heil en dat vasten, aalmoezen geven en andere oefeningen van devotie en christelijke dienst eeuwige beloning voortbrengen en dat niemand, welke aalmoezen hij ook gegeven heeft, ofschoon hij voor de naam van Christus bloed heeft vergoten, kan gered worden tenzij hij gebleven is in de boezem en de eenheid van de katholieke Kerk.”

Concilie van Trente, Decreet over de rechtvaardiging, 13 januari 1547 en Decreet over de sacramenten, 3 maart 1547 (DS 1524 en 1618)
Met deze woorden [Trente verwijst naar Kol 1, 12-14: "die ons waardig maakte om deel te hebben aan de heiligen in het Licht en ons ontrukt aan de macht van de duisternis en ons overbrengt naar het rijk van zijn geliefde Zoon, in wie wij verlossing en vergeving van zonden hebben."] wordt aangeduid de beschrijving van de rechtvaardiging van de goddelozen: dat zij een overbrenging is van de staat waarin de mens wordt geboren als zoon van de eerste Adam, naar de staat van genade en "aanname onder de zonen" (Rom. 8, 15) Gods, door de tweede Adam, onze Verlosser Jezus Christus; voorzeker deze overbrenging, kan, bekend gemaakt door het Evangelie, niet zonder het bad van de wedergeboorte of het verlangen daarnaar, zoals geschreven staat: "Wie niet herboren is uit water en de Heilige Geest, kan niet binnengaan in het rijk Gods." (Joh. 3, 5).
Canon 5 over het doopsel: “Als iemand zegt: het Doopsel is vrij, d.w.z niet noodzakelijk om tot het heil te komen, hij zij verdoemd.”
OPMERKING: Door te spreken over het verlangen naar het doopsel, specifieert Trente de bepaling van Florence “tenzij zij zich vóór het einde van hun leven bij dezelfde Kerk hebben aangesloten”. De Zalige Pius IX doet dit tevens door te spreken over onoverwinnelijke, onschuldige onwetendheid

Zalige Pius IX, Toespraak Singulari Quadam op het geheim concistorie van 9 december 1854
“Niet zonder smart hebben wij kennis genomen van een andere, niet minder funeste, dwaling die post heeft gevat in sommige delen van de katholieke wereld en die bezit heeft genomen van de zielen van vele katholieken, die menen dat men goede hoop kan hebben op het eeuwige heil van al diegenen die zich buiten de Kerk van Christus bevinden. Hieromtrent hebben zij de gewoonte dikwijls zich af te vragen welk toekomstig lot er zal zijn na de dood en wat de toestand zal zijn van diegenen die op geen enkele wijze onderworpen zijn aan het katholieke geloof, en, geleid door ijdele redeneringen, geven zij een antwoord dat in de richting gaat van deze stelling. Verre van ons, Eerbiedwaardige Broeders, om te durven grenzen te stellen aan de goddelijke barmhartigheid die oneindig is; verre van ons om te willen doorgronden de geheime raadsbesluiten en oordelen van God, die een diepe afgrond zijn en niet door het menselijke denken kunnen doorgrond worden!
Maar het is Onze Apostolische taak jullie bisschoppelijke zorg en waakzaamheid op te wekken zodat jullie, in de mate van het mogelijke, deze zowel onvrome als funeste opinie uit de geest van de mensen kunnen verdrijven volgens dewelke men in elke religie de weg naar het eeuwig heil kan vinden.
Tonen jullie met de verstandigheid en de kennis waarmee jullie uitgerust zijn aan ten overstaan van het volk dat aan jullie zorg is toevertrouwd dat de dogma’s van het katholieke geloof op geen enkele wijze in tegenspraak zijn met de goddelijke barmhartigheid en rechtvaardigheid. Immers, men dient als tot het geloof behorend te houden dat buiten de Apostolische Romeinse Kerk niemand kan gered worden, dat Zij de enige ark van het heil is en dat wie er niet in zal binnengetreden zijn, zal vergaan in de vloed. Maar eveneens dient als zeker gehouden te worden dat zij die werken in de onwetendheid omtrent de ware religie, indien deze onwetendheid onoverwinnelijk is, niet schuldig zijn vanwege dit feit aan eenderwelke fout in de ogen van de Heer. Welnu, waarlijk, wie zou zich aanmatigen de grenzen van deze onwetendheid te bepalen, gezien de natuur en verscheidenheid van de volkeren, landen, mentaliteiten en andere zaken? Want waarlijk, verlost van lichamelijke ketenen, zullen wij God zien zoals hij is en wij zullen volmaakt inzien door welke een hechte en mooie band de goddelijke ontferming en rechtvaardigheid verbonden zijn. Echter, zo lang wij op aarde zijn, te neer gehouden door deze sterfelijke massa die de ziel bedrukt, laten wij als meest stellig houden, overeenkomstig de katholieke leer, dat er slechts één God is, één geloof, één doopsel. Het is niet toegestaan verder onderzoek hieromtrent te verrichten.
Voor het overige, zoals het wezen van de liefde dit vraagt, laten wij onophoudelijk tot God bidden opdat van overal alle volkeren zich tot Christus bekeren en laten wij met alle kracht werken voor het heil van alle mensen." (vertaling BT)

Zalige Pius IX, Encycliek Quanto conficiamur, 10 augustus 1863 (DS 2865-2867)
“Opnieuw, geliefde zonen en eerbiedwaardige broeders, is het nodig dat Wij vermelden en censureren de zeer ernstige dwaling waarin helaas sommige katholieken zich bevinden die menen dat zij die in dwaling leven en verwijderd zijn van het ware geloof en van de katholieke eenheid het eeuwig leven kunnen bereiken. Dit is ten zeerste tegengesteld aan het katholieke geloof.
Wij weten, evenals jullie, dat zij die te maken hebben met een onoverwinnelijke onwetendheid omtrent onze meest heilige godsdienst, en die met zorg de natuurwet en haar voorschriften, die door God in alle harten geplant zijn, in acht nemen en die klaar staan om God te gehoorzamen en een eerlijk en oprecht leven leiden, dat zij kunnen, door de kracht van het goddelijke licht en de goddelijke genade, het eeuwige leven verwerven. Immers, God doorziet, onderzoekt en kent volledig de geesten, zielen, gedachten en kwaliteiten van allen en in zijn zeer grote goedheid en clementie staat niet toe dat wie dan ook eeuwige straffen ondergaat die niet schuldig is aan een vrijwillige fout.
Maar tevens is het katholieke dogma bekend dat niemand buiten de katholieke Kerk kan gered worden en dat zij die zich verzet hebben tegen het gezag en de definities van deze Kerk en volhardend zich afgescheiden hebben van de eenheid van deze Kerk en ook van de Romeinse Paus, de opvolger van Petrus, aan wie het bewaken van de wijngaard door de Verlosser is toevertrouwd, het eeuwig heil niet kunnen verwerven.” (Vertaling BT)

Eerbiedwaardige Pius XII, Encycliek Mystici Corporis, 29 juni 1943, nr. 104
“Gij weet, eerbiedwaardige broeders, hoe wij vanaf de aanvang van ons pontificaat ook hen, die niet behoren tot het zichtbare verband van de katholieke Kerk, aan Gods bescherming en leiding hebben aanbevolen en hoe wij plechtig hebben verzekerd, dat niets ons op het voorbeeld van de goede Herder nauwer aan het hart ligt, dan dat zij het leven hebben en in overvloed hebben. Deze plechtige verklaring willen wij in dit rondschrijven, waarin wij de lof van "het grote en heerlijke lichaam van Christus" hebben bezongen, met een beroep op het gebed van geheel de Kerk herhalen, en wij nodigen met grote liefde hen allen één voor één uit, toe te geven aan de inwendige drang van de goddelijke genade en te trachten zich te bevrijden uit die toestand, waarin zij niet zeker kunnen zijn van hun eeuwig heil. Want, ook al zijn zij door een onbewuste wens en onbewust verlangen op het mystieke lichaam van de Verlosser gericht, toch missen zij die overvloedige en machtige hemelse gaven en hulpmiddelen, die men alleen in de katholieke Kerk kan genieten. Laten zij dus toetreden tot de katholieke eenheid en, met ons in het éne lichaam van Jezus Christus verenigd, zich allen in een heerlijke liefdegemeenschap aansluiten bij het éne Hoofd. In onafgebroken gebed tot de Geest van liefde en waarheid wachten wij hen op met breed uitgestrekte armen, tot zij terugkeren niet naar een vreemd, maar naar hun eigen en voorvaderlijk tehuis.”

Vaticanum II, Lumen gentium nr. 16
“Ook is diezelfde God niet ver van hen, die in een afschaduwing en in beelden de onbekende God zoeken, want Hij geeft aan allen leven en adem, ja alles, en, als onze Heiland, wil Hij, dat alle mensen gered worden. Want wie zonder schuld het Evangelie van Christus en zijn Kerk niet kent, maar toch eerlijk God zoekt en zijn wil, zoals het geweten hem die voorhoudt, onder de invloed van de genade, in zijn leven tracht te verwezenlijken, kan het eeuwig heil verwerven. Ook onthoudt de goddelijke Voorzienigheid de middelen, noodzakelijk voor het heil, niet aan wie zonder schuld nog niet tot een uitdrukkelijke erkenning van God is gekomen, maar toch, niet zonder Gods genade, naar een rechtschapen levenswandel streeft. Want wat zulke mensen aan goeds en waars bezitten, wordt door de Kerk gezien als een voorbereiding op het Evangelie, opdat hij tenslotte het leven mag bezitten. Maar vaak worden de mensen door de Boze bedrogen, vervallen tot ijdele bespiegelingen, en verruilen Gods waarheid voor de leugen en dienen de schepping in plaats van de Schepper; ofwel zij leven en sterven in deze wereld zonder God en worden bedreigd door de uiterste wanhoop. Daarom besteedt de Kerk, gedachtig het bevel van de Heer: "Verkondigt het Evangelie aan heel de schepping" (Mc. 16, 16), grote zorg aan het missiewerk, om zo Gods eer en het heil van al deze mensen te bevorderen.”
OPMERKING: Voorstanders van een heilsuniversalisme zonder meer laten het tweede deel van LG nr. 16 vaak weg terwijl deze zin net de beperkende voorwaarde van het eerste deel van nr. 16 aangeeft.

Zalige Johannes Paulus II, Encycliek Redemptoris missio, 7 december 1990, nr. 9
“Men moet deze twee waarheden samenhouden, nl. de werkelijke mogelijkheid van het heil in Christus voor alle mensen en de noodzaak van de Kerk met betrekking tot het heil. Beide waarheden bevorderen het begrip van het ene heilsmysterie, zo dat wij de barmhartigheid van God en onze eigen verantwoordelijkheid kunnen ervaren. Het heil, dat altijd een gave van de Geest is, eist de medewerking van de mens, zowel om zichzelf als om de anderen te redden.”

Congregatie voor de Geloofsleer, Dominus Iesus, 16 augustus 2000, nrs. 20-21
“Uit hetgeen hierboven in herinnering is gebracht, vloeien ook enkele punten voort, die noodzakelijk zijn voor de richting die de theologische reflectie moet inslaan, om de betrekkingen van de Kerk en de religies met het eeuwige heil te verdiepen.
Vooral moet vast geloofd worden, dat de "pelgrimerende Kerk noodzakelijk is ter zaligheid. Christus alleen immers is de Middelaar en de weg naar het heil en in de Kerk, die zijn lichaam is, komt Hij onder ons tegenwoordig. Hijzelf heeft uitdrukkelijk de noodzakelijkheid van het geloof en het doopsel afgekondigd en daardoor de noodzakelijkheid van de Kerk bevestigd, waarin de mensen door de poort van het doopsel binnengaan." Deze leer mag niet tegenover de algemene heilswil van God gezet worden; daarom "moet men deze beide waarheden samenhouden, namelijk de werkelijke mogelijkheid van het heil in Christus voor alle mensen en de noodzaak van de Kerk met betrekking tot het heil".
Zeker bevatten en bieden de verschillende religieuze tradities elementen van godsdienstigheid, die van God komen en deel uitmaken van hetgeen "de Geest in het hart van de mensen en in de geschiedenis van de volkeren, in de culturen en religies bewerkt". Sommige gebeden en riten van de andere religies kunnen feitelijk de aanneming van het evangelie voorbereiden, voor zover zij gelegenheden bieden en ertoe opvoeden, dat de harten van de mensen ertoe worden aangezet zich open te stellen voor de werkzaamheid van God. Men kan hun echter niet een goddelijke oorsprong of een heilswerkzaamheid ex opere operato toeschrijven, die aan de christelijke sacramenten eigen is. Men kan ook niet ontkennen dat andere riten, voor zover zij afhankelijk zijn van bijgelovige praktijken of andere dwalingen, eerder een belemmering voor het heil vormen.”

zaterdag, november 16, 2013

De diepe wortels van de situatie van de Kerk in België



In een lezersbrief in Kerk & Leven van 13 november 2013 (p. 19) spreekt een lezer zijn waardering uit voor de onlangs overleden Antoon Vergote (1921-2013), de bekende priester, theoloog en psycholoog (zie hier en hier). De lezer schrijft dat zij samen in 1955-1956 in Parijs in een Belgisch studentenhuis verbleven hebben. Vervolgens geeft de schrijver een anekdote weer.

“Op een zondag was ik, na een uitgelopen studentikoze zaterdagnacht, niet naar de mis in de internationale studentenparochie geweest. Het was de allereerste keer dat me dat overkwam en ik voelde me rot. Ik wilde dat biechten – zo waren wij tenslotte opgevoed. Maar Vergote glimlachte warmhartig: “Zoiets moet je niet biechten”, zei hij. “Vanavond op je kamer bidden, is veel belangrijker.”

Indien we uitgaan van de betrouwbaarheid van deze anekdote (er kan natuurlijk sprake zijn van een Scalfari-effect: een hoogbejaarde man citeert vanuit zijn geheugen en, vanuit een bepaalde vooringenomenheid, neemt hij zijn wensen voor waarheid) en ons onthouden van commentaar op de persoon van Antoon Vergote, dan blijkt uit deze anekdote welke diepe wortels de situatie van de Kerk in België heeft.
Deze uitspraak van Vergote doet niet meer of niet minder dan het veronachtzamen van de sacramenten van Biecht en Eucharistie, en dit onder het mom van een niet-katholieke ecclesiologie en het miskennen van iemands verantwoordelijkheid.
Wij alvast herinneren aan de woorden van Pius XII uit een toespraak tot de priesters van Rome in 1943, woorden waarvan wij mogen verwachten dat zij ook in 1955-1956 bij de betrokkenen bekend waren:

“Zoals het lichaam nood heeft aan stoffelijk voedsel dat het in stand moet houden, zo ook behoeft de ziel het brood dat haar voedt, groeikracht geeft en de krachten herstelt die ze nodig heeft om steeds te volharden in de deugdbeoefening en te zegevieren over de driften. De Kerk nu roept ons, vooral op de zondag, tot dit hemels feestmaal. Het is een zware verplichting mis te horen op de feestdagen. Hoe dikwijls nochtans staan wij niet voor bijna verlaten kerken? Een christenmens die te gemakkelijk denkt dat hij om gelijk welke lichte en onbeduidende reden van die zware verplichtingen ontslagen is, is die naam niet waardig; en Wij beelden ons gaarne in dat de gelovigen niet aldus zouden handelen, hadden zij maar een klare en diepe kijk op en een vurige liefde tot het eucharistisch geheim. Gij moet hun derhalve dit verlossend offer van de GodMens uiteenzetten; hun aantonen dat het het middelpunt is van de katholieke eredienst. Verklaart hun welke de betekenis en de waardigheid van de katholieke priester zijn, en leert hun hoe zij met godsvrucht en geestelijk voordeel bij het heilig Misoffer kunnen tegenwoordig zijn. Welke waarde zou feitelijk de maatschappelijke eredienst hebben indien hij niet aanspoorde tot persoonlijke deelname en zelfheiliging?” (Bron)