De openingszin van Fides et Ratio nr. 49 leest in het originele Latijn: “Suam ipsius philosophiam non exhibet Ecclesia, neque quamlibet praelegit peculiarem philosophiam aliarum damno.” De bijbehorende voetnoot 54 leest: “Cfr Pius XII, Litt. Encycl. Humani generis (12 Augusti 1950): ASS 42 (1950), 566.”
De Nederlandse vertaling luidt: “De Kerk heeft geen eigen wijsbegeerte, noch geeft zij aan een of andere bijzondere filosofie de voorkeur boven de andere.”
De Engelse vertaling luidt: “The Church has no philosophy of her own nor does she canonize any one particular philosophy in preference to others.”
De Italiaanse vertaling luidt: “La Chiesa non propone una propria filosofia né canonizza una qualsiasi filosofia particolare a scapito di altre. »
De Franse vertaling luidt : "L'Eglise ne propose pas sa propre philosophie ni ne canonise une quelconque philosophie particulière au détriment des autres".
De Duitse vertaling luidt : "Die Kirche legt weder eine eigene Philosophie vor noch gibt sie irgendeiner besonderen Philosophie auf Kosten der anderen den Vorzug".
Deze vertalingen laten vermoeden dat de Franse en Engelse vertalingen gebaseerd zijn op de Italiaanse; allen spreken immers over het “canoniseren”. De Duitse en Nederlandse vertalingen zijn gelijkaardig en spreken over “voorkeur boven de andere”.
Belangrijker echter is het volgende. Nr. 49 wordt veelal gelezen als een eindpunt van het thomisme in de katholieke Kerk. De eerste zin van 49 zou immers in tegenspraak staan met de eeuwenlange steun van de Kerk aan het denken van Sint-Thomas, de Doctor Communis van de Kerk. Peter Henrici spreekt over “a certain relativising of the monopoly position of Thomism and Scholasticism”. [Peter Henrici: The One Who
Went Unnamed: Maurice Blondel in the Encyclical Fides et Ratio, in: Communio
26 (1999), p. 610].
Later we echter kijken naar een meer accurate en letterlijke vertaling: “De Kerk biedt niet een eigen wijsbegeerte aan en evenmin geeft Zij aan een of andere particuliere wijsbegeerte de voorkeur tot schade van andere [wijsbegeerten]”.
Een eerste bemerking is dat deze zin vervat ligt in de context van de vraag naar de autonomie van de wijsbegeerte, de wijsbegeerte die inderdaad haar eigen principes heeft. In nr. 75 wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen een autonome wijsbegeerte “die gehoorzaamt aan haar eigen wetten en alleen de krachten van de rede gebruikt” en een “afgescheiden filosofie” die voor zichzelf een diepere kennis van de waarheid ontzegt omdat zij beweert intellectueel zelfvoorzienend te zijn.
Een tweede bemerking heeft te maken met de verwijzing in de voetnoot naar Humani Generis: AAS 42 (1950), 566. Daar lezen wij: ““Liquet etiam Ecclesiam non cuilibet systemati philosophico, brevi temporis spatio vigenti, devinciri posse : sed ea quae communi consensu a catholicis doctoribus composita per plura saecula fuere ad aliquam dogmatis intellegentiam attingendam, tam caduco fundamento procul dubio non nituntur. Nituntur enim principiis ac notionibus ex vera rerum creatarum cognitione deductis; …”.
In het Nederlands: “Ook is het duidelijk, dat de Kerk zich niet kan binden aan ieder willekeurig filosofisch systeem, dat korte tijd in zwang is; maar wat de katholieke geleerden gedurende meerdere eeuwen eenstemmig hebben opgebouwd om tot enig begrip van het dogma te komen, kan onmogelijk steunen op zo'n wankele grondslag. Het steunt immers op beginselen en begrippen, die uit een ware kennis van het geschapene zijn afgeleid…”
Hier wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen nieuwe wijzen van filosoferen en datgene wat opgebouwd is geworden doorheen de eeuwen gebaseerd op “beginselen en begrippen, die uit een ware kennis van het geschapene zijn afgeleid”.
Even later in Humani Generis wordt over deze wijsbegeerte gezegd dat zij “erkend en aanvaard is door de Kerk” en dat zij “de echte en werkelijke waarde van de menselijke kennis, de onwankelbare beginselen van de metafysica - de beginselen namelijk van "ratio sufficiens", "causaliteit" en "finaliteit" - en ten slotte de mogelijkheid om de zekere en onveranderlijke waarheid te achterhalen” verdedigt. (nr. 29: “Quae quidem philosophia in Ecclesia agnita ac recepta, et verum sincerumque cognitionis humanae valorem tuetur, et metaphysica inconcussa principia — rationis nempe sufficientis, causalitatis et finalitatis — ac demum certae et immutabilis veritatis assecutionem).
Deze filosofie kan daarom nooit verlaten worden ten gunste van een andere. Dit sluit de mogelijkheid van verrijkingen echter niet uit.
“Deze filosofie leert meerdere dingen, die noch onmiddellijk noch middellijk het geloof en de zeden raken en waarover de Kerk daarom de mensen van de wetenschap vrij laat discussiëren. Maar op andere punten, vooral waar het gaat over de bovengenoemde beginselen en hoofdstellingen, bestaat die vrijheid niet. Ook in deze essentiële kwesties mag men de filosofie een passender en rijker gewaad geven, haar door doeltreffender formulering versterken, haar ontdoen van bepaalde minder geëigende schoolse vormen, haar verstandig verrijken met bepaalde gezonde elementen, die de vooruitgang van het menselijk denken heeft gebracht. Nooit echter mag men haar vernietigen of haar besmetten met valse beginselen of haar beschouwen als een wel groots, maar verouderd monument. Want de waarheid en iedere filosofische verklaring, die men er van geeft, kunnen zo maar niet telkens veranderen, vooral niet als het gaat over de beginselen, die uit zichzelf door het menselijk verstand gekend worden, of over waarheden, die steunen op eeuwenoude wijsheid en op het feit, dat zij overeenkomen met de "openbaring" en daarin een bevestiging vinden. Al wat de menselijke geest bij een eerlijk zoeken aan waarheid kan vinden, kan onmogelijk in strijd zijn met de reeds verworven waarheid.” (nr. 30)
En dit is precies volgens Humani Generis de reden waarom de Kerk Sint-Thomas heeft uitgekozen.
“Wie dit goed voor ogen houdt, begrijpt gemakkelijk, waarom de Kerk eist, dat aan de toekomstige priesters de filosofie wordt onderwezen "volgens de methode, de leer en de beginselen van de Engelachtige Leraar". Een ervaring van meerdere eeuwen heeft haar immers geleerd, dat de methode van Thomas van Aquino heel bijzonder geschikt is zowel voor het onderwijs als voor het uitdiepen van verborgen waarheden. Zij weet ook, dat zijn leer harmonisch met de "openbaring" overeenstemt en dat zij een machtig middel is om de grondslagen van het geloof veilig te stellen en om succesvol en zonder gevaar de vruchten te plukken van een gezonde ontwikkeling .” (nr. 31)
Besluit: de zin in nr. 49 van Fides et Ratio zegt dat de Kerk niet op onkritische wijze een particuliere filosofie aanneemt en daarmee anderen uitsluit en dat door een geprivilegieerde positie toe te kennen aan de filosofie en theologie van Sint-Thomas Zij, de Kerk, niet bedoelt andere scholen te veroordelen die compatibel zijn met Sint-Thomas en diens principes.
Posts tonen met het label hermeneutiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hermeneutiek. Alle posts tonen
dinsdag, augustus 22, 2017
woensdag, oktober 19, 2016
Wat is Vaticanum II?
De stelling dat Vaticanum II allereerst een verzameling van teksten is kan bevreemding veroorzaken. Wat bedoelen wij hiermee?
Stel dat we ons afvragen: wat is De Toverberg van Thomas Mann; wat is De Negende van Mahler; ja zelfs, wat is een geloofsbelijdenis?
In al deze drie gevallen is één ding een absolute en noodzakelijke voorwaarde. Er is geen Toverberg zonder een manuscript, er is geen Negende zonder een partituur, er is geen geloofsbelijdenis zonder specifieke formuleringen. Het zou onzinnig zijn te spreken over de Negende zonder dat er een partituur zou bestaan. En, weliswaar zijn er vele interpretaties mogelijk van de Negende maar de partituur legt een grens op aan het aantal interpretaties die mogelijk zijn.
De verwoede pogingen van de vroege Kerk om te komen tot precieze formuleringen (cf. homoousios, filioque), met alle debatten die erbij horen, is een duidelijke aanwijzing dat specifieke formuleringen een absolute en noodzakelijke voorwaarde zijn om te kunnen spreken van een geloofsbelijdenis.
We kunnen deze vergelijkingen doortrekken naar Vaticanum II. Het is onzinnig te spreken over Vaticanum II zonder dat er een verzameling van teksten zou bestaan. Integendeel, deze verzameling van teksten (de gepromulgeerde Latijnse documenten) is een noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan überhaupt van Vaticanum II.
Een totaal andere benadering bestaat erin Vaticanum II als een ‘gebeurtenis’ te zien waarin de ‘geest’ van een ‘nieuw begin’ belangrijker is dan de tekst. Dit is de opvatting van de invloedrijke Bologna-school van Giuseppe Alberigo (redacteur van de standaardgeschiedenis van Vaticanum II) en bijgevolg van een grote meerderheid van onderzoekers én gelovigen (de PUL in Rome en bij ons figuren als Mettepenningen et alii). Maar zoals ik boven reeds probeerde uit te leggen is deze opvatting gewoonweg op basis van het gezond verstand dat vraagt naar de essentie van iets een onhoudbare en logisch niet-consistente positie. Dit aangetoond te hebben is de grote verdienste van een kardinaal Camillo Ruino, een Agostino Marchetto met zijn twee volumes over Vaticanum II (hier en hier), een Brunero Gherardini, de volumes van Matthew Levering en Matthew Lamb en anderen.
Een gevolg van de Bologna-these is dat de aanhangers ervan vrijwel exclusief Vaticanum II benaderen vanuit de belevenissen van gelijkgezinde deelnemers en periti. Dit heeft de voorbije jaren geleid tot een explosieve toename van publicaties van dagboeken personen als Congar, Willebrands, Schillebeeckx, Philips, etc. De tekstgenese daarentegen krijgt veel minder aandacht.
Maar is Vaticanum II toch niet méér dan een verzameling teksten? Een positief antwoord op deze vraag staat niet in tegenstelling tot mijn stelling. Er is namelijk het verschil tussen een noodzakelijke voorwaarde en een noodzakelijke én voldoende voorwaarde. Om te kunnen spreken over een noodzakelijke én voldoende voorwaarde voor de essentie van Vaticanum II zijn drie elementen van belang.
Allereerst de rol van de relator tijdens de conciliaire debatten. In vele gevallen geeft de relator de grenzen aan van wat in verschillende schemata wel en niet bedoeld kan zijn. Zo kan een lezing van de tussenkomsten van Mgr. De Smedt als relator bij de totstandkoming van Dignitatis Humanae vele moeilijkheden inzake onmogelijke lezingen uit de wereld helpen.
Vervolgens moet naar het bindend karakter van de teksten gekeken worden. Dit betreft zowel het onderscheid van de teksten zelf in dogmatische constituties (Dei Verbum, Lumen Gentium), constituties, verklaringen en decreten als ook de specifieke argumentatie en bewoording binnen de teksten zelf. Het is veelzeggend dat de postconciliaire editie van Ludwig Ott’s Grundriss der katholischen Dogmatik slechts één toevoeging kent betreffende Lumen Gentium nr. 22.
Tot slot is er de rol van het Leergezag dat in teksten van na Vaticanum II onevenwichtigheden in de lectuur van de teksten uit de wereld helpt. Opnieuw kan dit inzake Dignitatis Humanae duidelijk vastgesteld worden in de passages van de Catechismus inzake godsdienstvrijheid maar ook inzake het ‘subsistit in’ van Lumen gentium 8 door teksten van de Congregatie voor de Geloofsleer uit 2000 en 2007.
De stelling dat Vaticanum II allereerst een verzameling teksten is komt ook overeen met een correct historisch bewustzijn in zoverre Vaticanum II niet minder maar ook niet meer is dan het 21ste oecumenisch concilie.
Stel dat we ons afvragen: wat is De Toverberg van Thomas Mann; wat is De Negende van Mahler; ja zelfs, wat is een geloofsbelijdenis?
In al deze drie gevallen is één ding een absolute en noodzakelijke voorwaarde. Er is geen Toverberg zonder een manuscript, er is geen Negende zonder een partituur, er is geen geloofsbelijdenis zonder specifieke formuleringen. Het zou onzinnig zijn te spreken over de Negende zonder dat er een partituur zou bestaan. En, weliswaar zijn er vele interpretaties mogelijk van de Negende maar de partituur legt een grens op aan het aantal interpretaties die mogelijk zijn.
De verwoede pogingen van de vroege Kerk om te komen tot precieze formuleringen (cf. homoousios, filioque), met alle debatten die erbij horen, is een duidelijke aanwijzing dat specifieke formuleringen een absolute en noodzakelijke voorwaarde zijn om te kunnen spreken van een geloofsbelijdenis.
We kunnen deze vergelijkingen doortrekken naar Vaticanum II. Het is onzinnig te spreken over Vaticanum II zonder dat er een verzameling van teksten zou bestaan. Integendeel, deze verzameling van teksten (de gepromulgeerde Latijnse documenten) is een noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan überhaupt van Vaticanum II.
Een totaal andere benadering bestaat erin Vaticanum II als een ‘gebeurtenis’ te zien waarin de ‘geest’ van een ‘nieuw begin’ belangrijker is dan de tekst. Dit is de opvatting van de invloedrijke Bologna-school van Giuseppe Alberigo (redacteur van de standaardgeschiedenis van Vaticanum II) en bijgevolg van een grote meerderheid van onderzoekers én gelovigen (de PUL in Rome en bij ons figuren als Mettepenningen et alii). Maar zoals ik boven reeds probeerde uit te leggen is deze opvatting gewoonweg op basis van het gezond verstand dat vraagt naar de essentie van iets een onhoudbare en logisch niet-consistente positie. Dit aangetoond te hebben is de grote verdienste van een kardinaal Camillo Ruino, een Agostino Marchetto met zijn twee volumes over Vaticanum II (hier en hier), een Brunero Gherardini, de volumes van Matthew Levering en Matthew Lamb en anderen.
Een gevolg van de Bologna-these is dat de aanhangers ervan vrijwel exclusief Vaticanum II benaderen vanuit de belevenissen van gelijkgezinde deelnemers en periti. Dit heeft de voorbije jaren geleid tot een explosieve toename van publicaties van dagboeken personen als Congar, Willebrands, Schillebeeckx, Philips, etc. De tekstgenese daarentegen krijgt veel minder aandacht.
Maar is Vaticanum II toch niet méér dan een verzameling teksten? Een positief antwoord op deze vraag staat niet in tegenstelling tot mijn stelling. Er is namelijk het verschil tussen een noodzakelijke voorwaarde en een noodzakelijke én voldoende voorwaarde. Om te kunnen spreken over een noodzakelijke én voldoende voorwaarde voor de essentie van Vaticanum II zijn drie elementen van belang.
Allereerst de rol van de relator tijdens de conciliaire debatten. In vele gevallen geeft de relator de grenzen aan van wat in verschillende schemata wel en niet bedoeld kan zijn. Zo kan een lezing van de tussenkomsten van Mgr. De Smedt als relator bij de totstandkoming van Dignitatis Humanae vele moeilijkheden inzake onmogelijke lezingen uit de wereld helpen.
Vervolgens moet naar het bindend karakter van de teksten gekeken worden. Dit betreft zowel het onderscheid van de teksten zelf in dogmatische constituties (Dei Verbum, Lumen Gentium), constituties, verklaringen en decreten als ook de specifieke argumentatie en bewoording binnen de teksten zelf. Het is veelzeggend dat de postconciliaire editie van Ludwig Ott’s Grundriss der katholischen Dogmatik slechts één toevoeging kent betreffende Lumen Gentium nr. 22.
Tot slot is er de rol van het Leergezag dat in teksten van na Vaticanum II onevenwichtigheden in de lectuur van de teksten uit de wereld helpt. Opnieuw kan dit inzake Dignitatis Humanae duidelijk vastgesteld worden in de passages van de Catechismus inzake godsdienstvrijheid maar ook inzake het ‘subsistit in’ van Lumen gentium 8 door teksten van de Congregatie voor de Geloofsleer uit 2000 en 2007.
De stelling dat Vaticanum II allereerst een verzameling teksten is komt ook overeen met een correct historisch bewustzijn in zoverre Vaticanum II niet minder maar ook niet meer is dan het 21ste oecumenisch concilie.
vrijdag, januari 24, 2014
Vaticanum II
Van Fr. Hunwicke:
"Conciliar hermeneutics have moved on. I do not only refer to the teaching of Benedict XVI about 'Continuity' and 'Rupture' (although I think this is important and I was disappointed that spokesmen of the SSPX were more concerned to evade this discussion than to grab it and run with it). I mean also the much greater willingness among many to take a longer view of the Council. The more distant an object is down the lines of perspective, the smaller it appears to the eye (do you even know when the Council of Vienne was?).
Benedict XVI echoed Newman's celebrated remarks about what unpleasant events councils have generally been and how harmful; and theologians are much less nervous now about admitting the existence even of textual problems within Vatican II itself. Arguably, Councils are best kept up the sleeve of the Sovereign Pontiff. Our present Holy Father had not been long on the Throne of S Peter when he commented on the facile optimism of Vatican II and opined that we are not so naive today (does this make him a Cryptolefebvrian?).
At the heart of this question is a really very obvious and simple truth: the Council earnestly and laudably desired to engage with the mundus hodiernus, the mundus huius temporis, and with nostra aetas; but we are not now still in the mundus or aetas of the 1960s. The Council of Vienne, like Vatican II a largely practical Council, happened 700 years ago, but it took much less time than that for it to recede so far as to disappear off the Church's horizons; and it is a long time since anybody was required to eat humble pie with regard to its Conciliar documents, the "Spirit of Vienne", and "the entire post-Viennian Magisterium".
Time itself possesses a quasi-Magisterial status, and I think enough time has elapsed since Vatican II to enable us to ... No: I will most certainly not say 'to renounce it'. After all, when Philip IV collected money for a crusade within six years and then simply embezzled that money together with the wealth he had looted from the Templars, I do not know that the Holy See thought it appropriate to annul the proceedings of Vienne. No; it is time simply to move on from the 1960s to the mundus hodiernus and the nostra aetas of 2014.
When an elderly ball has been kicked around for long enough, sensible schoolboys leave it to settle quietly into the nutrients at the bottom of the ditch, unobserved except by the water voles, and agree to move on together to newer games. Whatever was of permanent value in Vienne ... and Vatican II ... has merged and disappeared gradually into what one might call the Church's general background noise (dogmatic decrees and anathemas of dogmatic councils are, of course, a different matter). What was unhelpful in the Conciliar texts or their consequences ... and when the Templars were led out to be burned, they probably thought that was unhelpful ... Time has purged away; or will purge."
"Conciliar hermeneutics have moved on. I do not only refer to the teaching of Benedict XVI about 'Continuity' and 'Rupture' (although I think this is important and I was disappointed that spokesmen of the SSPX were more concerned to evade this discussion than to grab it and run with it). I mean also the much greater willingness among many to take a longer view of the Council. The more distant an object is down the lines of perspective, the smaller it appears to the eye (do you even know when the Council of Vienne was?).
Benedict XVI echoed Newman's celebrated remarks about what unpleasant events councils have generally been and how harmful; and theologians are much less nervous now about admitting the existence even of textual problems within Vatican II itself. Arguably, Councils are best kept up the sleeve of the Sovereign Pontiff. Our present Holy Father had not been long on the Throne of S Peter when he commented on the facile optimism of Vatican II and opined that we are not so naive today (does this make him a Cryptolefebvrian?).
At the heart of this question is a really very obvious and simple truth: the Council earnestly and laudably desired to engage with the mundus hodiernus, the mundus huius temporis, and with nostra aetas; but we are not now still in the mundus or aetas of the 1960s. The Council of Vienne, like Vatican II a largely practical Council, happened 700 years ago, but it took much less time than that for it to recede so far as to disappear off the Church's horizons; and it is a long time since anybody was required to eat humble pie with regard to its Conciliar documents, the "Spirit of Vienne", and "the entire post-Viennian Magisterium".
Time itself possesses a quasi-Magisterial status, and I think enough time has elapsed since Vatican II to enable us to ... No: I will most certainly not say 'to renounce it'. After all, when Philip IV collected money for a crusade within six years and then simply embezzled that money together with the wealth he had looted from the Templars, I do not know that the Holy See thought it appropriate to annul the proceedings of Vienne. No; it is time simply to move on from the 1960s to the mundus hodiernus and the nostra aetas of 2014.
When an elderly ball has been kicked around for long enough, sensible schoolboys leave it to settle quietly into the nutrients at the bottom of the ditch, unobserved except by the water voles, and agree to move on together to newer games. Whatever was of permanent value in Vienne ... and Vatican II ... has merged and disappeared gradually into what one might call the Church's general background noise (dogmatic decrees and anathemas of dogmatic councils are, of course, a different matter). What was unhelpful in the Conciliar texts or their consequences ... and when the Templars were led out to be burned, they probably thought that was unhelpful ... Time has purged away; or will purge."
dinsdag, april 30, 2013
Tien stellingen over Dignitatis Humanae
1/De kern van de zaak
DH 2/1 stelt: “Dit Vaticaans Concilie kent aan de menselijke persoon het recht toe op godsdienstvrijheid.” Het verdere verloop van DH 2/1 zegt waarin dit recht bestaat, dat dit gegrondvest is op de waardigheid van de menselijke persoon en dat dit recht dient erkend te worden als burgerlijk recht in de juridische orde van de maatschappij.
Naar eigen zeggen doet dit “geen afbreuk aan de traditionele katholieke leer omtrent de morele plicht van mensen en gemeenschappen ten opzichte van de ware godsdienst en de énige Kerk van Christus.” (DH1/3). Dit vereist van de gelovigen de instemming met goddelijk geloof.
De verklaring in DH 2/1 verdient, als onderdeel van een Oecumenisch Concilie en aangezien er geen afbreuk gedaan wordt aan de traditionele leer, religieuze volgzaamheid van wil en verstand.
Al het overige in DH is argumentatie. DH 2/2 dat begint met “Op grond van hun waardigheid” heeft uitdrukkelijk niet “enim” of “want” als eerste woord meegekregen om te vermijden dat de argumentatie als zijnde met gezag zou kunnen gelezen worden. De relator Mgr. De Smedt zei immers: “Ut clarius appareat quod argumentatio non auctoritate proponitur, deletur in lin. 7 verbum “enim”” (AS VI, 4, p. 735). De overige delen van DH dienen dus met respect en dankbaarheid ontvangen te worden maar vereisen geen verstandelijke instemming in eigenlijke zin. (Voor meer info verwijs ik naar F. Ocariz, Over de instemming met het Tweede Vaticaans Concilie, L’Osservatore Romano 2 december 2011)
Tevens is uitdrukkelijk niet een definitie van “menselijke persoon” gegeven want, zo zei dezelfde relator, “Neque mos est conciliaris definitionis philosophicas proponere” (AS VI, 4, p. 735). Dit is te betreuren.
2/Een tegenstelling tussen DH en de traditie vereist dat de tegenstelling volledig is, een twijfel of waarschijnlijkheid volstaat niet. Indien er iets niet duidelijk lijkt, geldt de onderwerping aan het Leergezag. De tegenstelling dient ook formeel te zijn, niet enkel op niveau van de terminologie.
3/Het recht op godsdienstvrijheid is geen recht op dwaling. Een dwaling heeft geen rechten want enkel een persoon kan het subject van rechten zijn. Ook een persoon die in een religieuze dwaling verkeert heeft rechten. DH zegt dus niet dat een dwalende godsdienst rechten heeft. CKK 2108 heeft dit verduidelijkt: “Het recht op godsdienstvrijheid betekent geen morele toelating om een dwaalleer aan te hangen, noch een mogelijke vrijbrief voor de dwaling, maar wel een natuurlijk recht van de menselijke persoon op burgerlijke vrijheid, dit wil zeggen op vrijwaring van uiterlijke dwang, binnen juiste grenzen, in godsdienstzaken, vanwege de politieke overheid. Dit natuurrecht moet in de juridische ordening zo worden erkend dat het burgerrecht wordt.”
4/Het recht op godsdienstvrijheid is geen positief recht om het kwade te doen. Voor een positief recht om iets te doen moet het object van het recht, de handeling, moreel goed zijn. DH erkent niet dat personen een positief recht hebben ten aanzien van religieuze dwaling. Een negatief recht daarentegen is een recht om niet verhinderd te worden te handelen en slaat op de morele faculteit te eisen dat er geen menselijke dwang is in een bepaald domein. Het object van een negatief recht is niet de (eventueel moreel slechte) handeling. DH spreekt altijd over het recht niet verhinderd te worden en niet over het recht te handelen.
5/Dit negatief recht ten aanzien van de burgerlijke overheid en niet een positief recht ten aanzien van God, van het goede en het kwade sluit uit dat DH indifferentisme bevordert. Integendeel DH 1/2: “Van hun kant hebben alle mensen de plicht, de waarheid te zoeken, vooral met betrekking tot God en zijn Kerk, en, zijn zij tot de kennis van de waarheid gekomen, dan zijn zij verplicht, haar te aanvaarden en er trouw aan te blijven.” Het gebruik van godsdienstvrijheid in de bovenbeschreven zin als negatief recht om zich hierdoor af te wenden van de waarheid, is in feite een misbruik van datzelfde recht.
6/De plicht van de staat om de uitoefening van valse overtuigingen niet te verhinderen in de mate dat dit de publieke orde niet verstoort is niet in tegenspraak met de plicht van diezelfde staat om de ware religie en de katholieke Kerk te erkennen, deze te helpen in haar missie voor zover politiek mogelijk en deze te beschermen. Deze plichten worden niet ontkend door DH. De “morele plicht van mensen en gemeenschappen ten opzichte van de ware godsdienst en de énige Kerk van Christus” (DH1/3) blijft gelden. Ook hier heeft CKK 2105 verduidelijking gebracht: “Zowel individueel als sociaal hebben de mensen de plicht God een waarachtige eredienst te bewijzen. Dat is "de traditionele katholieke leer over de morele plicht van mensen en gemeenschappen tegenover de ware godsdienst en de enige kerk van Christus". Door zonder ophouden aan de mensen het Evangelie te verkondigen spant de Kerk zich ervoor in, dat ze in staat zouden zijn "de mentaliteit en de zeden, de wetten en de structuren van het milieu waarin ze leven van een christelijke geest te doordringen". Het is de sociale plicht van de christenen in ieder mens de liefde tot de waarheid en tot het goede te eerbiedigen en te stimuleren. Dit vraagt van hen dat ze de eredienst van de ene ware godsdienst zouden doen kennen, die in de katholieke en apostolische kerk te vinden is. De christenen zijn geroepen het licht der wereld te zijn. Op die manier bevestigt de kerk het koningschap van Christus over de hele schepping en in het bijzonder over de menselijke samenleving.”
7/ De traditie (zo bv. nog Pius XII in de Toespraak Ci riesce uit 1953) spreekt over tolerantie van dwalingen als zijnde gerechtvaardigd indien het algemeen welzijn méér te lijden zou hebben onder de onderdrukking van deze dwalingen als onder de tolerantie ervan. Dit perspectief van de traditie veronderstelt een katholieke staat onder de orde van de openbaring. Het is immers de openbaring die de ultieme distinctie oplevert om te onderscheiden tussen waar en onwaar. Maar een gezag dat niet onder de openbaring staat heeft niet het recht te verbieden wat zich niet direct stelt tegenover de openbaring en niet direct de sociale orde verstoort. DH spreekt vanuit het standpunt van de natuurlijke orde en dus niet over tolerantie maar over het recht op godsdienstvrijheid. DH spreekt dus ten aanzien van alle maatschappijen waarvan het merendeel zich helaas heeft afgekeerd van de waarheid.
8/De burgerlijke macht, alhoewel deze rechtens niet onverschillig kan zijn, heeft toch niet in en door zichzelf het eeuwig heil van de mens als opdracht. “De katholieke Kerk heeft het bewustzijn dat haar goddelijke Stichter haar het gebied van de godsdienst, de religieuze en morele richting van de mensen in haar uitgebreidheid heeft overgeleverd, onafhankelijk van de macht van de staat” (Pius XII, Toespraak Vous avez voulu, 7 september 1955, AAS 47 (1955) 672-682). De staat zal hier dus slechts vanuit het perspectief van het tijdelijk algemeen welzijn, wat het eigenlijke doel is van de staat, optreden door de publieke orde te beschermen en anderzijds zich te associëren met de publieke cultus die de maatschappij moet brengen ten aanzien van God.
9/Het negatieve recht, het recht op immuniteit van dwang ten aanzien van de staat is niet absoluut. Ook hier heeft CKK 2109 verduidelijking gebracht: “Het recht op godsdienstvrijheid kan uit zichzelf niet onbeperkt zijn en evenmin slechts beperkt worden door een "openbare orde" die op een positivistische of naturalistische wijze wordt opgevat. De "juiste grenzen" die aan dit recht inherent zijn, moeten voor elke sociale situatie bepaald worden door de politieke omzichtigheid, volgens de eisen van het algemeen welzijn, en bekrachtigd worden door de burgerlijke overheid volgens "juridische normen die in overeenstemming zijn met de objectieve morele orde".
10/Volgens de relator is de leer over de godsdienstvrijheid niet in tegenspraak met de idee en realiteit van een confessionele, katholieke staat (AS III, 8, p. 463). De praktijk tot bevordering van een niet-confessionele staat door middel van concordaten betreft dus een beslissing die behoort tot het niveau van de prudentie.
vrijdag, februari 15, 2013
Het Concilie van de media
Paus Benedictus XVI, Ontmoeting met de clerus van Rome, 14 februari 2013
"Ik zou nu nog een derde punt willen toevoegen. Er bestond het Concilie van de Vaders, het ware Concilie, maar er was ook het Concilie van de media. Dit was bijna een Concilie op zichzelf en de wereld heeft het Concilie langs deze weg waargenomen, langs de media. Dus het Concilie dat meteen en effectief het volk bereikt heeft, was het Concilie van de media, niet dat van de Vaders. En terwijl het Concilie van de Vaders zich gerealiseerd heeft binnen het geloof – het was een Concilie van het geloof dat op zoek was naar inzicht, dat zocht zichzelf te begrijpen en de tekenen van God op dat moment te begrijpen, dat zocht te antwoorden op de uitdaging van God op dat moment en in het Woord van God het woord voor vandaag en morgen te vinden – terwijl geheel het Concilie, zoals ik zei, zich bewoog binnen het geloof, als fides quaerens intellectum [geloof op zoek naar inzicht], heeft het Concilie van de journalisten zich natuurlijk niet binnen het geloof gerealiseerd maar binnen de categorieën van de media van vandaag, dit wil zeggen buiten het geloof, met een onderscheiden hermeneutiek. Het was een politieke hermeneutiek: voor de media was het Concilie een politieke strijd, een strijd om macht tussen verschillende stromingen in de Kerk.
Het was evident dat de media positie zouden innemen voor dat gedeelte dat hen het meest passend leek met hun wereld. Er waren er die probeerden de Kerk te decentraliseren, de macht voor de Bisschoppen en vervolgens, door middel van het “Volk van God”, de macht voor het volk, de leken. Er was deze drievoudige vraag: de macht van de Paus, vervolgens overgedragen op de macht van de Bisschoppen en op de macht van allen, volkssoevereiniteit. Natuurlijk, voor hen was dit het gedeelte dat bevestigd, afgekondigd diende te worden en een voorkeursbehandeling diende te krijgen. En zo ook voor de liturgie: zij waren niet geïnteresseerd in de liturgie als geloofsdaad maar in iets waar men dingen doet die verstaanbaar zijn, een activiteit van de gemeenschap, een profaan iets. En we weten dat er een tendens was, een tendens die men ook vanuit de geschiedenis onderbouwde, om te zeggen: de sacraliteit is een heidens iets, eventueel ook iets van het Oude Testament. In het Nieuwe Testament geldt enkel dat Christus buiten gestorven is, dit wil zeggen, buiten de muren, in de profane wereld. Sacraliteit moest dus beëindigd worden, profanatie ook van de eredienst: de eredienst is geen eredienst maar een handeling van het samen-zijn, van de gemeenschappelijke participatie en zo ook participatie als activiteit. Deze vertalingen, deze banaliseringen van het idee van het Concilie zijn zeer hevig geweest in de praktijken van de toepassingen van de liturgische hervorming. Deze praktijken zijn ontstaan in een visie op het Concilie die buiten de eigen leessleutel van het Concilie ligt, buiten het geloof. En zo ook in het vraagstuk over de Schrift: de Schrift is een historisch boek dat historisch dient behandelt te worden en niets anders, en zo verder.
Wij weten dat dit Concilie van de media toegankelijk was voor allen. Daarom was dit het dominerende Concilie, het meest effectieve en het heeft zeer veel opschudding veroorzaakt, zeer veel problemen, werkelijk zeer veel ellende: seminaries werden gesloten, kloosters werden gesloten, een gebanaliseerde liturgie… en het ware Concilie had het moeilijk om zich te concretiseren, om zich te realiseren; het virtuele Concilie was veel sterker dan het werkelijke Concilie. Maar de werkelijke kracht van het Concilie was aanwezig en geleidelijk aan realiseert het zich steeds meer en wordt het de ware kracht en ook de ware hervorming en ware vernieuwing van de Kerk. We zien – zo lijk mij - dat vijftig jaar na het Concilie dit virtuele Concilie uiteenvalt, verliest en dat het ware Concilie met al haar geestelijke kracht naar voren komt. En het is onze taak, precies in dit Jaar van het Geloof en te beginnen met dit Jaar van het Geloof, om ervoor te zorgen dat dit ware Concilie, met haar kracht van de Heilige Geest, zich realiseert en dat de Kerk werkelijk vernieuwd wordt. Ik hoop dat de Heer ons helpt.
Ik, teruggetrokken met mijn gebed, zal altijd met jullie zijn en samen gaan we verder met de Heer, in de zekerheid: de Heer overwint! Dank u!"
Bron: www.vatican.va
Vertaling: Dr. J. Vijgen
"Ik zou nu nog een derde punt willen toevoegen. Er bestond het Concilie van de Vaders, het ware Concilie, maar er was ook het Concilie van de media. Dit was bijna een Concilie op zichzelf en de wereld heeft het Concilie langs deze weg waargenomen, langs de media. Dus het Concilie dat meteen en effectief het volk bereikt heeft, was het Concilie van de media, niet dat van de Vaders. En terwijl het Concilie van de Vaders zich gerealiseerd heeft binnen het geloof – het was een Concilie van het geloof dat op zoek was naar inzicht, dat zocht zichzelf te begrijpen en de tekenen van God op dat moment te begrijpen, dat zocht te antwoorden op de uitdaging van God op dat moment en in het Woord van God het woord voor vandaag en morgen te vinden – terwijl geheel het Concilie, zoals ik zei, zich bewoog binnen het geloof, als fides quaerens intellectum [geloof op zoek naar inzicht], heeft het Concilie van de journalisten zich natuurlijk niet binnen het geloof gerealiseerd maar binnen de categorieën van de media van vandaag, dit wil zeggen buiten het geloof, met een onderscheiden hermeneutiek. Het was een politieke hermeneutiek: voor de media was het Concilie een politieke strijd, een strijd om macht tussen verschillende stromingen in de Kerk.
Het was evident dat de media positie zouden innemen voor dat gedeelte dat hen het meest passend leek met hun wereld. Er waren er die probeerden de Kerk te decentraliseren, de macht voor de Bisschoppen en vervolgens, door middel van het “Volk van God”, de macht voor het volk, de leken. Er was deze drievoudige vraag: de macht van de Paus, vervolgens overgedragen op de macht van de Bisschoppen en op de macht van allen, volkssoevereiniteit. Natuurlijk, voor hen was dit het gedeelte dat bevestigd, afgekondigd diende te worden en een voorkeursbehandeling diende te krijgen. En zo ook voor de liturgie: zij waren niet geïnteresseerd in de liturgie als geloofsdaad maar in iets waar men dingen doet die verstaanbaar zijn, een activiteit van de gemeenschap, een profaan iets. En we weten dat er een tendens was, een tendens die men ook vanuit de geschiedenis onderbouwde, om te zeggen: de sacraliteit is een heidens iets, eventueel ook iets van het Oude Testament. In het Nieuwe Testament geldt enkel dat Christus buiten gestorven is, dit wil zeggen, buiten de muren, in de profane wereld. Sacraliteit moest dus beëindigd worden, profanatie ook van de eredienst: de eredienst is geen eredienst maar een handeling van het samen-zijn, van de gemeenschappelijke participatie en zo ook participatie als activiteit. Deze vertalingen, deze banaliseringen van het idee van het Concilie zijn zeer hevig geweest in de praktijken van de toepassingen van de liturgische hervorming. Deze praktijken zijn ontstaan in een visie op het Concilie die buiten de eigen leessleutel van het Concilie ligt, buiten het geloof. En zo ook in het vraagstuk over de Schrift: de Schrift is een historisch boek dat historisch dient behandelt te worden en niets anders, en zo verder.
Wij weten dat dit Concilie van de media toegankelijk was voor allen. Daarom was dit het dominerende Concilie, het meest effectieve en het heeft zeer veel opschudding veroorzaakt, zeer veel problemen, werkelijk zeer veel ellende: seminaries werden gesloten, kloosters werden gesloten, een gebanaliseerde liturgie… en het ware Concilie had het moeilijk om zich te concretiseren, om zich te realiseren; het virtuele Concilie was veel sterker dan het werkelijke Concilie. Maar de werkelijke kracht van het Concilie was aanwezig en geleidelijk aan realiseert het zich steeds meer en wordt het de ware kracht en ook de ware hervorming en ware vernieuwing van de Kerk. We zien – zo lijk mij - dat vijftig jaar na het Concilie dit virtuele Concilie uiteenvalt, verliest en dat het ware Concilie met al haar geestelijke kracht naar voren komt. En het is onze taak, precies in dit Jaar van het Geloof en te beginnen met dit Jaar van het Geloof, om ervoor te zorgen dat dit ware Concilie, met haar kracht van de Heilige Geest, zich realiseert en dat de Kerk werkelijk vernieuwd wordt. Ik hoop dat de Heer ons helpt.
Ik, teruggetrokken met mijn gebed, zal altijd met jullie zijn en samen gaan we verder met de Heer, in de zekerheid: de Heer overwint! Dank u!"
Bron: www.vatican.va
Vertaling: Dr. J. Vijgen
dinsdag, december 06, 2011
De instemming met Vaticanum II
Sinds de beroemde uitspraak van kardinaal Ratzinger tot de bisschoppen van Chile in 1988 dat velen Vaticanum II zien als een "superdogma" en zijn toespraak als paus Benedictus tot de Romeinse Curie in 2005 over de hermeneutiek van de continuïteit is de vraagstelling naar de aard van Vaticanum II en de graad van instemming in een stroomversnelling geraakt. Een teken hiervan is de positie van Mons. Brunero Gherardini, welke wij eerder hier en hier hebben toegelicht als ook het congres in december 2010 in Rome met medewerking van bekende namen in dit verband als Mgr. Athanasius Schneider, Nicola Bux en Mgr. Agostino Marchetto en het verzoek van 24 september 2011.
Wij publiceren nu onze vertaling van een tekst verschenen in de Italiaanse editie van Osservatore Romano van 2 december 2011 van de hand van Mons. Fernando Ocáriz, één van de deelnemers aan de gesprekken met de Pius X-Broederschap.
P.S. Wij vragen onze lezers het evidente onderscheid te maken tussen het vermelden van stellingen in de blogosfeer en de instemming hiermee door 'A Belgian Thomist'. Alhoewel onze mening irrelevant is, stemmen wij in met religieuze volgzaamheid van wil en verstand met volgende uitspraak van een voorganger van Paus Benedictus XVI: "sine Pontefice Maximo religio catholica iam non esset talis, sed etiam quod, si in Christi Ecclesia Petri munus pastorale summum, efficax, decretorium deesset, unitas dissolveretur."
Fernando Ocáriz
Over de instemming met het Tweede Vaticaans Concilie
De aanstaande vijftigste verjaardag van de convocatie van het Tweede Vaticaans Concilie (25 december 1961) is een reden om te vieren maar ook om opnieuw na te denken over de receptie en toepassing van de conciliaire documenten. Naast de meer direct praktische aspecten van deze receptie en toepassing, met hun licht- en schaduwzijden, lijkt het gepast om ook het wezen van de gevraagde intellectuele instemming met de onderrichtingen van het concilie in herinnering te roepen. Alhoewel het hier een leer betreft die goed gekend is en waarover een uitvoerige literatuur bestaat is het toch niet overbodig te herinneren aan de wezenlijke kenmerken hiervan, rekening houdend met het voortbestaan van misverstanden hieromtrent – ook in de publieke opinie – wat betreft de continuïteit van sommige conciliaire onderrichtingen in relatie tot voorafgaande onderrichtingen van het leergezag van de Kerk.
Vooreerst lijkt het nuttig eraan te herinneren dat de pastorale intentie van het Concilie niet betekent dat het Concilie niet leerstellig van aard is. Het pastoraal perspectief is immers en kan niet anders dan gebaseerd zijn op de leer. Maar het is vooral nodig te benadrukken dat de leer gericht is op het heil en dat dus het onderricht van de leer een integraal deel is van de pastoraal. Daarenboven is het evident dat er in de conciliaire documenten vele onderrichtingen zijn die strikt leerstellig van aard zijn: over de goddelijke Openbaring, over de Kerk, etc. Zoals de zalige Johannes Paulus II schreef: “Met Gods hulp hebben de Concilievaders gedurende vier jaar van inzet een aanzienlijk geheel van leerstellige uiteenzettingen en pastorale richtlijnen kunnen uitwerken die aangeboden worden aan de hele Kerk.” (Apostolische constitutie Fidei depositum, 11 oktober 1992, inleiding).
De vereiste instemming met het leergezag
Het Tweede Vaticaans Concilie definieert geen enkel dogma, in de zin dat het niet door middel van een definitieve handeling eenderwelke leer voorlegt. Het feit dat een handeling van het leergezag van de Kerk niet wordt uitgeoefend door middel van het charisma van de onfeilbaarheid betekent nochtans niet deze handeling kan beschouwd worden als ‘feilbaar’ in de zin dat het een ‘provisoire leer’ of ‘gezaghebbende opinies’ doorgeeft. Elke uitdrukking van het authentieke leergezag dient ontvangen te worden voor wat het waarlijk is: een onderrichting, gegeven door Herders die, staande in de apostolische opvolging, spreken met het “charisma van de waarheid” (Dei verbum, n. 8), “bekleed met het gezag van Christus” (Lumen gentium, n. 25), “in het licht van de Heilige Geest” (Ibidem).
Dit charisma, dit gezag en dit licht waren zeker aanwezig op het Tweede Vaticaans Concilie; dit te ontzeggen aan geheel het episcopaat cum Petro en sub Petro, verzameld om de universele Kerk te onderrichten, zou betekenen iets van het wezen zelf van de Kerk te ontkennen (cf. Congregatie voor de Geloofsleer, verklaring Mysterium Ecclesiae, 24 juni 1973, nn. 2-5).
Natuurlijk hebben niet alle uitspraken in de conciliaire documenten dezelfde leerstellige waarde en vereisen zij dus niet dezelfde graad van instemming. De verschillende graden van instemming met de leerstellingen van het leergezag zijn in herinnering geroepen door Vaticanum II in de n. 25 van de constitutie Lumen gentium en vervolgens samengevat in de drie clausules toegevoegd aan de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel in de formule van de Professio fidei, gepubliceerd in 1989 door de Congregatie voor de Geloofsleer met de goedkeuring van Johannes Paulus II.
De uitspraken van het Tweede Vaticaans Concilie die geloofswaarheden in herinnering roepen vereisen natuurlijk de instemming met goddelijk geloof, niet omdat zij geleerd zijn geworden door dit Concilie maar omdat zij reeds als zodanig onfeilbaar geleerd zijn geworden door de Kerk, ofwel door een plechtig oordeel ofwel door het gewone en universele leergezag. Zo ook vereisen de andere leerstellingen die Vaticanum II in herinnering roept en die reeds met een definitieve handeling door voorafgaande interventies van het leergezag waren geformuleerd een volledige en definitieve instemming.
De andere leerstellige onderrichtingen van het Concilie vereisen van de gelovigen een graad van instemming “met religieuze volgzaamheid van wil en verstand”. Een “religieuze” instemming dus die niet gefundeerd is op louter rationele motieven. Deze instemming neemt niet de vorm aan van een geloofsakt, maar veeleer van een akt van gehoorzaamheid, die niet louter disciplinair van aard is, maar geworteld is in het vertrouwen in de goddelijke bijstand van het leergezag en daarom “in de logica van het geloof en onder de impuls van de gehoorzaamheid aan het geloof” (Congregatie voor de Geloofsleer, instructie Donum veritatis, 24 mei 1990, nr. 23). Deze gehoorzaamheid aan het leergezag van de Kerk vormt niet een grens die gesteld wordt aan de vrijheid maar is daarentegen bron van vrijheid. De woorden van Christus “wie u hoort, hoort mij” (Lc 10, 16) zijn ook gericht aan de opvolgers van de apostelen; en luisteren naar Christus betekent in zich de waarheid ontvangen die vrijmaakt (cf. Joh. 8, 32).
In leerstellige documenten kunnen er ook elementen zijn die niet als zodanig leerstellig zijn maar in meer of minder mate een omstandigheid uitdrukken (beschrijvingen van de toestand van de maatschappij, suggesties, opwekkingen, etc.) zoals dit feitelijk ook het geval is in het Tweede Vaticaans Concilie. Deze elementen dienen met respect en dankbaarheid ontvangen te worden maar vereisen geen verstandelijke instemming in eigenlijke zin (cf. instructie Donum veritatis, nn. 24-31).
De interpretatie van de onderrichtingen
De eenheid van de Kerk en de eenheid van het geloof zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en dit betreft ook de eenheid van het leergezag van de Kerk op elk tijdstip inzover het de authentieke interpretator is van de goddelijke Openbaring, overgeleverd door de heilige Schrift en de traditie. Dit betekent onder andere dat een wezenlijk kenmerk van het leergezag is haar continuïteit en homogeniteit in de tijd. Continuïteit betekent niet afwezigheid van ontwikkeling; de Kerk doorheen de eeuwen maakt voortgang in de kennis, verdieping en het daaropvolgend leerstellig onderricht van het katholieke geloof en de katholieke moraal.
In het Tweede Vaticaans Concilie waren er verschillende nieuwigheden van leerstellige aard: over de sacramentaliteit van het bisschopsambt, de bisschoppelijke collegialiteit, de godsdienstvrijheid, etc. Alhoewel er ten aanzien van nieuwigheden in zaken die betrekking hebben op het geloof en de moraal en die niet geformuleerd zijn met een definitieve handeling instemming vereist is met religieuze volgzaamheid van wil en verstand, zijn enkele van deze nieuwigheden het object van controverse geweest en zijn ze dit nog altijd en dit met betrekking tot hun continuïteit met het voorafgaandelijk leergezag ofwel met betrekking tot hun compatibiliteit met de traditie. Ten aanzien van deze moeilijkheden die er mogelijk kunnen zijn om te begrijpen wat de continuïteit is met de traditie van enige conciliaire onderrichtingen, bestaat de katholieke houding erin, rekening houdend met de eenheid van het leergezag, te zoeken naar een eenmakende interpretatie, waarin de teksten van het Tweede Vaticaans Concilie en de voorafgaandelijke documenten van het leergezag wederzijds licht op elkaar werpen. Niet enkel dient Vaticanum II geïnterpreteerd te worden in het licht van voorafgaandelijke documenten van het leergezag maar ook worden enkele van deze voorafgaandelijke documenten beter begrepen in het licht van Vaticanum II. Dit is niet iets nieuws in de geschiedenis van de Kerk. Men dient zich bijvoorbeeld te herinneren dat belangrijke begrippen in de formulering van het trinitaire en christologische geloof (hypóstatis, ousía), gebruikt in het Eerste Concilie van Nicea, ten zeerste gepreciseerd zijn geworden wat betreft hun betekenis door latere concilies.
De interpretatie van de nieuwigheden van Vaticanum II moet daarom, zoals Benedictus XVI gezegd heeft, de hermeneutiek van de discontinuïteit met de traditie verwerpen en de hermeneutiek van de hervorming, van de vernieuwing in de continuïteit bevestigen (toespraak 22 december 2005). Het betreft nieuwigheden in de zin dat nieuwe aspecten worden geëxpliciteerd die tot dan nog niet waren geformuleerd door het leergezag maar die op het leerstellige niveau niet in tegenstelling zijn met de voorafgaandelijke documenten van het leergezag, alhoewel in enkele gevallen – bv. omtrent de godsdienstvrijheid – dit gevolgen met zich meebrengt die zeer verschillend zijn op het niveau van beslissingen doorheen de geschiedenis omtrent juridische en politieke toepassingen, gezien de veranderde historische en sociale omstandigheden.
Een authentieke interpretatie van de conciliaire teksten kan enkel gebeuren door hetzelfde leergezag van de Kerk. Daarom dient bij het theologische werk van de interpretatie van passages in de teksten van het Concilie welke vragen oproepen of moeilijkheden lijken te bevatten op de eerste plaats rekening gehouden te worden met de zin waarin deze passages door daaropvolgende interventies van het leergezag begrepen zijn geworden. Nochtans blijft er legitieme ruimte van theologische vrijheid in de wijze van uitleg van de niet-tegenstrijdigheid met de traditie van enkele formuleringen in de conciliaire teksten en dus in de uitleg van de betekenis zelf van enkele uitdrukkingen in deze passages.
Wat dit betreft lijkt het tot slot niet overbodig voor ogen te houden dat bijna een halve eeuw is verstreken sinds het einde van het Tweede Vaticaans Concilie en dat in deze decennia vier Pausen elkaar hebben opgevolgd op de stoel van Petrus. Het onderzoek van het leergezag van deze Pausen en de daarbij behorende instemming van het episcopaat zou een eventuele moeilijke situatie moeten omvormen in een serene en vreugdevolle instemming met het leergezag, de authentieke interpretator van de geloofsleer. Dit zou mogelijk en wenselijk moeten zijn ook indien er aspecten zouden blijven bestaan die rationeel niet volledig te begrijpen zijn, terwijl er niettemin legitieme ruimte voor theologische vrijheid blijft bestaan voor verdiepingswerk dat altijd gepast is. Zoals recentelijk Benedictus XVI heeft geschreven, “het is nodig dat de wezenlijke inhoud, die sinds eeuwen het patrimonium van alle gelovigen is, opnieuw bevestigd, begrepen en verdiept wordt op een altijd nieuwe manier om in de historische omstandigheden die verschillen van deze van het verleden, een coherent getuigenis te geven.” (motu proprio Porta fidei, n. 4).
Wij publiceren nu onze vertaling van een tekst verschenen in de Italiaanse editie van Osservatore Romano van 2 december 2011 van de hand van Mons. Fernando Ocáriz, één van de deelnemers aan de gesprekken met de Pius X-Broederschap.
P.S. Wij vragen onze lezers het evidente onderscheid te maken tussen het vermelden van stellingen in de blogosfeer en de instemming hiermee door 'A Belgian Thomist'. Alhoewel onze mening irrelevant is, stemmen wij in met religieuze volgzaamheid van wil en verstand met volgende uitspraak van een voorganger van Paus Benedictus XVI: "sine Pontefice Maximo religio catholica iam non esset talis, sed etiam quod, si in Christi Ecclesia Petri munus pastorale summum, efficax, decretorium deesset, unitas dissolveretur."
Fernando Ocáriz
Over de instemming met het Tweede Vaticaans Concilie
De aanstaande vijftigste verjaardag van de convocatie van het Tweede Vaticaans Concilie (25 december 1961) is een reden om te vieren maar ook om opnieuw na te denken over de receptie en toepassing van de conciliaire documenten. Naast de meer direct praktische aspecten van deze receptie en toepassing, met hun licht- en schaduwzijden, lijkt het gepast om ook het wezen van de gevraagde intellectuele instemming met de onderrichtingen van het concilie in herinnering te roepen. Alhoewel het hier een leer betreft die goed gekend is en waarover een uitvoerige literatuur bestaat is het toch niet overbodig te herinneren aan de wezenlijke kenmerken hiervan, rekening houdend met het voortbestaan van misverstanden hieromtrent – ook in de publieke opinie – wat betreft de continuïteit van sommige conciliaire onderrichtingen in relatie tot voorafgaande onderrichtingen van het leergezag van de Kerk.
Vooreerst lijkt het nuttig eraan te herinneren dat de pastorale intentie van het Concilie niet betekent dat het Concilie niet leerstellig van aard is. Het pastoraal perspectief is immers en kan niet anders dan gebaseerd zijn op de leer. Maar het is vooral nodig te benadrukken dat de leer gericht is op het heil en dat dus het onderricht van de leer een integraal deel is van de pastoraal. Daarenboven is het evident dat er in de conciliaire documenten vele onderrichtingen zijn die strikt leerstellig van aard zijn: over de goddelijke Openbaring, over de Kerk, etc. Zoals de zalige Johannes Paulus II schreef: “Met Gods hulp hebben de Concilievaders gedurende vier jaar van inzet een aanzienlijk geheel van leerstellige uiteenzettingen en pastorale richtlijnen kunnen uitwerken die aangeboden worden aan de hele Kerk.” (Apostolische constitutie Fidei depositum, 11 oktober 1992, inleiding).
De vereiste instemming met het leergezag
Het Tweede Vaticaans Concilie definieert geen enkel dogma, in de zin dat het niet door middel van een definitieve handeling eenderwelke leer voorlegt. Het feit dat een handeling van het leergezag van de Kerk niet wordt uitgeoefend door middel van het charisma van de onfeilbaarheid betekent nochtans niet deze handeling kan beschouwd worden als ‘feilbaar’ in de zin dat het een ‘provisoire leer’ of ‘gezaghebbende opinies’ doorgeeft. Elke uitdrukking van het authentieke leergezag dient ontvangen te worden voor wat het waarlijk is: een onderrichting, gegeven door Herders die, staande in de apostolische opvolging, spreken met het “charisma van de waarheid” (Dei verbum, n. 8), “bekleed met het gezag van Christus” (Lumen gentium, n. 25), “in het licht van de Heilige Geest” (Ibidem).
Dit charisma, dit gezag en dit licht waren zeker aanwezig op het Tweede Vaticaans Concilie; dit te ontzeggen aan geheel het episcopaat cum Petro en sub Petro, verzameld om de universele Kerk te onderrichten, zou betekenen iets van het wezen zelf van de Kerk te ontkennen (cf. Congregatie voor de Geloofsleer, verklaring Mysterium Ecclesiae, 24 juni 1973, nn. 2-5).
Natuurlijk hebben niet alle uitspraken in de conciliaire documenten dezelfde leerstellige waarde en vereisen zij dus niet dezelfde graad van instemming. De verschillende graden van instemming met de leerstellingen van het leergezag zijn in herinnering geroepen door Vaticanum II in de n. 25 van de constitutie Lumen gentium en vervolgens samengevat in de drie clausules toegevoegd aan de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel in de formule van de Professio fidei, gepubliceerd in 1989 door de Congregatie voor de Geloofsleer met de goedkeuring van Johannes Paulus II.
De uitspraken van het Tweede Vaticaans Concilie die geloofswaarheden in herinnering roepen vereisen natuurlijk de instemming met goddelijk geloof, niet omdat zij geleerd zijn geworden door dit Concilie maar omdat zij reeds als zodanig onfeilbaar geleerd zijn geworden door de Kerk, ofwel door een plechtig oordeel ofwel door het gewone en universele leergezag. Zo ook vereisen de andere leerstellingen die Vaticanum II in herinnering roept en die reeds met een definitieve handeling door voorafgaande interventies van het leergezag waren geformuleerd een volledige en definitieve instemming.
De andere leerstellige onderrichtingen van het Concilie vereisen van de gelovigen een graad van instemming “met religieuze volgzaamheid van wil en verstand”. Een “religieuze” instemming dus die niet gefundeerd is op louter rationele motieven. Deze instemming neemt niet de vorm aan van een geloofsakt, maar veeleer van een akt van gehoorzaamheid, die niet louter disciplinair van aard is, maar geworteld is in het vertrouwen in de goddelijke bijstand van het leergezag en daarom “in de logica van het geloof en onder de impuls van de gehoorzaamheid aan het geloof” (Congregatie voor de Geloofsleer, instructie Donum veritatis, 24 mei 1990, nr. 23). Deze gehoorzaamheid aan het leergezag van de Kerk vormt niet een grens die gesteld wordt aan de vrijheid maar is daarentegen bron van vrijheid. De woorden van Christus “wie u hoort, hoort mij” (Lc 10, 16) zijn ook gericht aan de opvolgers van de apostelen; en luisteren naar Christus betekent in zich de waarheid ontvangen die vrijmaakt (cf. Joh. 8, 32).
In leerstellige documenten kunnen er ook elementen zijn die niet als zodanig leerstellig zijn maar in meer of minder mate een omstandigheid uitdrukken (beschrijvingen van de toestand van de maatschappij, suggesties, opwekkingen, etc.) zoals dit feitelijk ook het geval is in het Tweede Vaticaans Concilie. Deze elementen dienen met respect en dankbaarheid ontvangen te worden maar vereisen geen verstandelijke instemming in eigenlijke zin (cf. instructie Donum veritatis, nn. 24-31).
De interpretatie van de onderrichtingen
De eenheid van de Kerk en de eenheid van het geloof zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en dit betreft ook de eenheid van het leergezag van de Kerk op elk tijdstip inzover het de authentieke interpretator is van de goddelijke Openbaring, overgeleverd door de heilige Schrift en de traditie. Dit betekent onder andere dat een wezenlijk kenmerk van het leergezag is haar continuïteit en homogeniteit in de tijd. Continuïteit betekent niet afwezigheid van ontwikkeling; de Kerk doorheen de eeuwen maakt voortgang in de kennis, verdieping en het daaropvolgend leerstellig onderricht van het katholieke geloof en de katholieke moraal.
In het Tweede Vaticaans Concilie waren er verschillende nieuwigheden van leerstellige aard: over de sacramentaliteit van het bisschopsambt, de bisschoppelijke collegialiteit, de godsdienstvrijheid, etc. Alhoewel er ten aanzien van nieuwigheden in zaken die betrekking hebben op het geloof en de moraal en die niet geformuleerd zijn met een definitieve handeling instemming vereist is met religieuze volgzaamheid van wil en verstand, zijn enkele van deze nieuwigheden het object van controverse geweest en zijn ze dit nog altijd en dit met betrekking tot hun continuïteit met het voorafgaandelijk leergezag ofwel met betrekking tot hun compatibiliteit met de traditie. Ten aanzien van deze moeilijkheden die er mogelijk kunnen zijn om te begrijpen wat de continuïteit is met de traditie van enige conciliaire onderrichtingen, bestaat de katholieke houding erin, rekening houdend met de eenheid van het leergezag, te zoeken naar een eenmakende interpretatie, waarin de teksten van het Tweede Vaticaans Concilie en de voorafgaandelijke documenten van het leergezag wederzijds licht op elkaar werpen. Niet enkel dient Vaticanum II geïnterpreteerd te worden in het licht van voorafgaandelijke documenten van het leergezag maar ook worden enkele van deze voorafgaandelijke documenten beter begrepen in het licht van Vaticanum II. Dit is niet iets nieuws in de geschiedenis van de Kerk. Men dient zich bijvoorbeeld te herinneren dat belangrijke begrippen in de formulering van het trinitaire en christologische geloof (hypóstatis, ousía), gebruikt in het Eerste Concilie van Nicea, ten zeerste gepreciseerd zijn geworden wat betreft hun betekenis door latere concilies.
De interpretatie van de nieuwigheden van Vaticanum II moet daarom, zoals Benedictus XVI gezegd heeft, de hermeneutiek van de discontinuïteit met de traditie verwerpen en de hermeneutiek van de hervorming, van de vernieuwing in de continuïteit bevestigen (toespraak 22 december 2005). Het betreft nieuwigheden in de zin dat nieuwe aspecten worden geëxpliciteerd die tot dan nog niet waren geformuleerd door het leergezag maar die op het leerstellige niveau niet in tegenstelling zijn met de voorafgaandelijke documenten van het leergezag, alhoewel in enkele gevallen – bv. omtrent de godsdienstvrijheid – dit gevolgen met zich meebrengt die zeer verschillend zijn op het niveau van beslissingen doorheen de geschiedenis omtrent juridische en politieke toepassingen, gezien de veranderde historische en sociale omstandigheden.
Een authentieke interpretatie van de conciliaire teksten kan enkel gebeuren door hetzelfde leergezag van de Kerk. Daarom dient bij het theologische werk van de interpretatie van passages in de teksten van het Concilie welke vragen oproepen of moeilijkheden lijken te bevatten op de eerste plaats rekening gehouden te worden met de zin waarin deze passages door daaropvolgende interventies van het leergezag begrepen zijn geworden. Nochtans blijft er legitieme ruimte van theologische vrijheid in de wijze van uitleg van de niet-tegenstrijdigheid met de traditie van enkele formuleringen in de conciliaire teksten en dus in de uitleg van de betekenis zelf van enkele uitdrukkingen in deze passages.
Wat dit betreft lijkt het tot slot niet overbodig voor ogen te houden dat bijna een halve eeuw is verstreken sinds het einde van het Tweede Vaticaans Concilie en dat in deze decennia vier Pausen elkaar hebben opgevolgd op de stoel van Petrus. Het onderzoek van het leergezag van deze Pausen en de daarbij behorende instemming van het episcopaat zou een eventuele moeilijke situatie moeten omvormen in een serene en vreugdevolle instemming met het leergezag, de authentieke interpretator van de geloofsleer. Dit zou mogelijk en wenselijk moeten zijn ook indien er aspecten zouden blijven bestaan die rationeel niet volledig te begrijpen zijn, terwijl er niettemin legitieme ruimte voor theologische vrijheid blijft bestaan voor verdiepingswerk dat altijd gepast is. Zoals recentelijk Benedictus XVI heeft geschreven, “het is nodig dat de wezenlijke inhoud, die sinds eeuwen het patrimonium van alle gelovigen is, opnieuw bevestigd, begrepen en verdiept wordt op een altijd nieuwe manier om in de historische omstandigheden die verschillen van deze van het verleden, een coherent getuigenis te geven.” (motu proprio Porta fidei, n. 4).
maandag, oktober 17, 2011
Jaar van het Geloof in het licht van de hermeneutiek van de continuïteit
"Quibusdam sub aspectibus Veneratus Decessor
Noster hunc Annum quandam “consecutionem et necessitatem postconciliarem”[8]
respexit, prorsus sibi illius temporis gravium difficultatum conscius,
praesertim quod ad veram fidem profitendam eandemque recte interpretandam
attinent. Censuimus Annum fidei incohari, quinquagesimo anno transacto
a Concilio Vaticano II incepto, opportunam dare occasionem, ut intellegatur
scripta, hereditate a Patribus accepta, ad beati
Ioannis Pauli II verba, pretium
non amittere nec fulgorem. Necesse est ut congruenter legantur et noscantur et
approprientur uti textus idonei et directorii Magisterii, in ambitu
Ecclesiasticae Traditionis ... Ut quam maxime assumimus officium ostendendi
Concilium uti summam gratiam qua Ecclesia saeculo XX est ditata: in eo nobis
tutissimus offertur index ad iter hoc ineunte saeculo detegendum”.
Nos quoque magnopere id confirmare volumus quod de Concilio paucis post mensibus
a Nostra ad Petri Successoris munus electione diximus: “Si id legimus ac recta
hermeneutica percipimus, ipsum esse fierique magis ac magis potest magna vis ad
Ecclesiam renovandam, quod est semper necessarium”
Bron: Apostolische Brief Motu Proprio Data "Porta fidei"
Bron: Apostolische Brief Motu Proprio Data "Porta fidei"
Vragen aan het Concilie
In verband met een eerdere posts over het werk van Prof. Brunero Gherardini en zijn Verzoek aan paus Benedictus XVI (zie hier, hier en hier), geven wij hier in Nederlandse vertaling een hernieuwd en breder Verzoek aan paus Benedictus. Het betreft een aantal wezenlijke vragen omtrent de interpretatie van teksten van Vaticanum II. Dit dient inderdaad de insteek te zijn zowel wat betreft de beoordeling van de Buitengewone Vorm als het Concilie: de betekenis van de tekst en de gezaghebbende interpretatie van het Leergezag.
Verzoek
Aan de Heilige Vader Paus
Benedictus XVI, dat hij moge bevorderen een grondig onderzoek van het pastoraal
Concilie Vaticanum II
Heiligheid,
Mons. Brunero Gherardini,
priester van het bisdom Prato en kanunnik van de Basiliek van Sint-Petrus,
voormalig Hoogleraar ecclesiologie aan de Pauselijke Universiteit van Lateranen
en Decaan van de Italiaanse theologen, heeft in 2009 aan Uwe Heiligheid een
dringend maar evenzeer respectvol Verzoek
gericht om een kritisch debat te openen over de teksten van Vaticanum II,
een debat dat op grondige en publieke wijze zou gevoerd worden. Dit Verzoek werd in 2010 ondersteund door
Professor Roberto de Mattei, docent kerkgeschiedenis en geschiedenis van het
christendom aan de Europese Universiteit van Rome en vice-president van de
Nationale Raad voor Onderzoek.
In zijn Verzoek schreef
Professor Gherardini:
“Omwille van het heil van de
Kerk - en in het bijzonder omwille van
de realisatie van het zielenheil (salus animarum), welke de eerste en hoogste
wet is – [CIC 1983, can. 1752] en na decennia van vrije creativiteit op het
gebied van de exegese, theologie, liturgie, geschiedenis en pastoraal in naam
van het Tweede Oecumenisch Vaticaans Concilie lijkt het mij een dringende
noodzaak dat er wat helderheid komt door met gezag te antwoorden op de vraag
omtrent de continuïteit van dit Concilie – niet door dit af te kondigen maar
door dit aan te tonen – met de andere Concilies en omtrent de trouw ervan ten
aanzien van de Overlevering zoals zij altijd al van kracht is in de Kerk.”
“Het lijkt immers moeilijk,
zo niet onmogelijk, te komen tot de gewenste hermeneutiek van de continuïteit
[met het gehele voorafgaandelijke Leergezag] indien men niet eerst is gekomen
tot een aandachtige en wetenschappelijke analyse van de afzonderlijke
documenten, in hun geheel en in hun afzonderlijke argumenten, van de
onmiddellijke en verwijderde bronnen ervan maar daarentegen voortgaat erover te
praten en enkel de inhoud ervan te herhalen en deze voor te stellen als een
absolute nieuwigheid.”
“Een onderzoek van deze
draagwijdte overstijgt ten zeerste de mogelijkheden van één enkele persoon, en
dit niet enkel omdat éénzelfde argument vereist behandeld te worden vanuit
verscheidene perspectieven, - historisch, patristisch, juridisch, filosofisch,
liturgisch, theologisch, exegetisch, sociologisch, wetenschappelijk – maar ook
omdat elk document aan tientallen en tientallen argumenten raakt die enkel door
de geleerden in deze gebieden kunnen effectief beantwoordt worden.”
“Reeds lang geleden ontstond
in mij het idee – dat ik nu durf voor te leggen aan Uwe Heiligheid – van een
plechtige en zo mogelijk definitieve verklaring over het laatste Concilie in al
haar aspecten en inhouden. Het lijkt inderdaad logisch en noodzakelijk dat elk
aspect en elke inhoud zou worden bestudeerd in zichzelf en in de context van al
het overige en dit met het oog op alle bronnen en vanuit de specifieke
invalshoek van het voorafgaande kerkelijke
- zowel plechtig als gewoon – Leergezag. Op basis van zulk een breed en
objectief wetenschappelijk werk zal het vervolgens mogelijk zijn om materiaal
te leveren voor een zekere en objectieve beoordeling van Vaticanum II bij de
beantwoording van volgende – naast de vele andere – vragen:
1.
Wat is haar ware aard/wezen?
2.
In welke verhouding staat het pastorale karakter van
Vaticanum II - een begrip dat men op gezaghebbende wijze zal moeten preciseren
- tot het eventueel dogmatisch karakter? Verzoent zich het pastorale karakter
met het dogmatische karakter?
3.
Is het daadwerkelijk mogelijk om dogmatisch Vaticanum
II te definiëren? En dus naar het Concilie te verwijzen als zijnde dogmatisch;
nieuwe theologische beweringen funderen op het Concilie; in welke zin en met
welke limieten?
4.
Is het een "gebeurtenis" in de zin van de
professoren uit Bologna [de Alberigo-school, verantwoordelijk voor een
invloedrijke geschiedenis van Vaticanum II], die de verbindingen met het
verleden verbreekt een tijdperk instelt dat in elk aspect nieuw is? Of herleeft
het verleden in Vaticanum II "eodem sensu eademque sententia"?
Het is vanzelfsprekend dat
de hermeneutiek van de breuk en de hermeneutiek van de continuïteit afhangen
van de antwoorden op deze vragen. Maar indien de wetenschappelijke conclusie
leidt naar de hermeneutiek van de continuïteit als de enig mogelijke en
aanvaardbare conclusie, dan zal het noodzakelijk zijn te bewijzen – en dit meer
dan het louter declameren ervan – dat deze continuïteit werkelijk is en dat
deze zich toont, enkel in de onderliggende dogmatische identiteit. Indien dit,
geheel of ten dele, niet zou wetenschappelijk bewezen worden, dan is het
noodzakelijk dit rustig en eerlijk te zeggen en dit in antwoord op het
verlangen naar helderheid waarop men al bijna een halve eeuw wacht.”[1]
In zijn recente, zeer
gedocumenteerde en vernieuwende geschiedenis van Vaticanum II, welke eindelijk
aan het publiek een nauwkeurig en realistisch kader geeft van de prangende en
dramatische gebeurtenissen van dit Concilie besluit professor de Mattei als
volgt:
“Tot besluit van dit werk
zij het mij toegestaan mij met verering te richten tot Zijne Heiligheid
Benedictus XVI, in wie ik de opvolger van Petrus herken waarmee ik mij
onlosmakelijk verbonden voel en hem van harte mijn dank te betuigen dat hij de
poorten heeft opengezet voor een ernstig debat over Vaticanum II. Ik herhaal
dat ik een bijdrage tot dit debat heb willen leveren als historicus, niet als
theoloog maar ik verenig mij met de verzoeken van die theologen die met eerbied
en kinderlijke gehoorzaamheid aan de Plaatsvervanger van Christus op aarde
vragen een grondig onderzoek te bevorderen van Vaticanum II, in al haar
complexiteit en omvang, om op deze wijze de continuïteit van dit Concilie met
de twintig voorafgaande Concilies te verifiëren en de schaduwen en twijfels uit
te bannen, die bijna een halve eeuw de Kerk doen lijden, in de zekerheid echter
dat de poorten van de Hel Haar nooit zullen overwinnen (Mt. 16, 18).”[2]
Wij, ondertekenaars,
eenvoudige gelovigen, sluiten ons geheel en al aan bij deze gezaghebbende en
respectvolle vragen. In de zekerheid dat het ons niet ontbreekt aan kinderlijk
respect voor Uwe Heiligheid, staan wij onszelf toe enkele van deze “vele andere
vragen” toe te voegen – en dit als een verdere, zij het beknopte illustratie
van de delicate materie – welke volgens onze bescheiden mening vast en zeker
eindelijk een verhelderend antwoord zouden verdienen, en dit op basis van de
resultaten van de analyses van Prof. Gherardini en van andere theologen en
intellectuelen, welke al sinds het begin van het postconciliaire tijdperk
gevochten hebben om helderheid te verkrijgen over Vaticanum II:
5.
Wat is de exacte betekenis van het begrip “levende
traditie” in de constitutie Dei Verbum
over de goddelijke Openbaring? In zijn recente, grondige studie over het begrip
‘katholieke traditie’ stelt Prof. Gherardini dat in Vaticanum II zich
daarentegen een echte ‘copernicaanse revolutie’ zou hebben voorgedaan in de
opvatting omtrent de Traditie van de Kerk, omdat de dogmatisch waarde van de
Traditie er niet helder gedefinieerd wordt (DV 8); er is daar een ongewone reductio ad unum van de twee bronnen van
de Goddelijke Openbaring (Schrift en Traditie) welke steeds erkend zijn
geworden in de Kerk en bevestigd in de dogmatische Concilies van Trente en
Vaticanum II (DV 9); er verschijnt zelfs een aanslag op het dogma van de
inerrantie van de Heilige Geschriften omdat “nadat bevestigd is geworden dat
alles wat de gewijde schrijvers stellen van de Heilige Geest komt, het kenmerk
van de inerrantie enkel wordt toegeschreven aan ‘heilswaarheden’ of ‘verlossingswaarheden’,
aan een deel van het geheel (“veritatem, quam Deus nostrae salutis causae
Litteris Sacris consignari voluit”). Maar indien de Heilige Geest alles heeft
geïnspireerd wat de gewijde schrijvers hebben geschreven, dan zou de inerrantie
moeten toegepast worden op het geheel en niet enkel op heilswaarheden. De tekst
lijkt daarom onlogisch.[3]
6.
Wat is de exacte betekenis die men dient toe te
schrijven aan de nieuwe definitie van de Katholieke Kerk in de dogmatische
constitutie (welke nochtans geen dogma’s definieert) Lumen gentium over de Kerk? Indien deze definitie samenvalt met
deze van alle tijden – dat enkel de katholieke Kerk de enige en ware Kerk van
Christus is omdat deze de enige is die doorheen de eeuwen ongeschonden de
geloofsschat, ingesteld door Onze Heer en door de Apostelen onder leiding van
de Heilige Geest, heeft bewaard – waarom heeft men deze dan veranderd door te
schrijven – op een manier die niet makkelijk te begrijpen is voor de eenvoudige
gelovige en die nooit duidelijk is uitgelegd geworden (men moet dit durven
zeggen) – dat “de enige” Kerk van Christus “subsisteert in de katholieke Kerk,
bestuurd door de opvolger van Petrus en de bisschoppen in gemeenschap met hem ofschoon
men buiten haar meerdere elementen van heiliging en waarheid vindt, die, als
eigen gaven van Christus' Kerk, een uitnodiging zijn tot de katholieke eenheid.”
(LG 8). Lijkt het niet dat in deze formulering de katholieke Kerk verschijnt
als louter een deel van de Kerk van Christus? Een deel omdat de Kerk van
Christus, naast de katholieke Kerk, ook “meerdere elementen van heiliging en
waarheid”, geplaatst “buiten” de katholieke Kerk zou bevatten? Met als gevolg
dat de “enige ware godsdienst welke subsisteert in de katholieke Kerk (DH 1)
deze zou zijn van een “Kerk van Christus” die “elementen” bevat die buiten de
katholieke Kerk zouden liggen. Wie wil kan dit misschien ook zo begrijpen dat
de “enige ware godsdienst” volgens het Concilie ook subsisteert in de
niet-katholieke “elementen van de “Kerk van Christus”.
7.
Wat is de ware betekenis die men moet toeschrijven aan
het begrip van de Kerk algemeen begrepen als “Volk van God” (LG 9-17), een
begrip dat in het verleden enkel een deel van het geheel aanduidde, het geheel
dat daarentegen vertegenwoordigd werd door het “Mystieke Lichaam van Christus”?
8.
Welke betekenis dient men toe te schrijven aan de
weglating van de termen ‘bovennatuurlijk’ en ‘transsubstantiatie’ in de teksten
van het Concilie? Betreft deze weglating misschien ook de daarmee verbonden
concepten, zoals sommigen beweren?
9.
Wat is de exacte betekenis van de nieuwe wijze waarop
de collegialiteit verstaan wordt? Hoe moeten we de interpretatie die de Nota esplicativa praevia, geplaatst aan
het begin van Lumen gentium (ten
einde de controverse hierover onder de concilievaders te beslechten) hiervan
geeft, beschouwen in het licht van het altijdgeldende onderricht van de Kerk.
Wij verwijzen naar de twijfels zoals deze in zijn tijd helder zijn uiteengezet
door Romano Amerio:
“De Nota praevia
verwerpt de klassieke interpretatie van de collegialiteit, volgens de welke het
subject van de hoogste macht in de Kerk enkel de Paus is die deze meedeelt,
wanneer hij wil, met de universaliteit van de bisschoppen door hem
bijeengeroepen voor het Concilie. De hoogste macht is collegiaal enkel door de
mededeling ad nutum van de Paus. De Nota praevia verwerpt tevens de leer van
de nieuwlichters volgens de welke het subject van de hoogste macht in de Kerk
het college van bisschoppen is, verenigd de Paus en niet zonder de Paus die er
het hoofd van is, maar op zulke wijze dat wanneer de Paus de hoogste macht
uitoefent, ook alleen, hij deze uitoefent als hoofd van het college en dus als
vertegenwoordiger van het college, dat hij verplicht is te raadplegen om er te
betekenis van uit te drukken. Dit is de theorie die geënt is op de stelling die
spreekt over de veelzijdige [democratische] oorsprong van het gezag, een
stelling die moeilijk te verzoenen is met de constitutie van de Kerk [welke
hiërarchisch is en van goddelijke oorsprong, niet ontsproten aan het volk].
Terwijl de Nota praevia beide
theorieën verwerpt houdt ze stevig vast aan het feit dat de hoogste macht ligt
bij het college van bisschoppen, verenigd met het Hoofd [en dit is de grote
nieuwigheid], maar dat het Hoofd deze macht kan uitoefenen onafhankelijk van
het college, terwijl het college niet onafhankelijk kan zijn van het Hoofd [en
dit zou de toegeving zijn aan de Traditie].”[4]
En is het juist te stellen dat de toeschrijving van
juridisch machten, deze van een waar en eigenlijk college, aan de
bisschoppenconferentie de facto de
figuur van de bisschop heeft ontwaardigd en gedeformeerd? In feite lijken de
bisschoppen, als bisschoppen apart, voor niets meer mee te tellen in de Kerk
(Uwe Heiligheid moge ons onze openheid vergeven). Over dit punt nogmaals
Amerio:
“De meest betekenisvolle nieuwigheid van de
postconciliaire Kerk ligt erin dat participatie is gegeven aan alle organen van
de Kerk welke juridisch gedefinieerd zijn geworden zoals de permanente synode
van bisschoppen, de bisschoppenconferenties, de diocesane en nationale synodes,
de pastorale raden, priesterraden, etc. […]. De constitutie van de bisschoppenconferenties
heeft twee zaken voortgebracht: ze heeft de organische structuur van de Kerk
gedeformeerd en het gezag van de bisschoppen ontwaardigd.
Volgens het preconciliaire recht zijn de bisschoppen de
opvolgers van de Apostelen en besturen zij elk hun eigen bisdommen met gewone
macht, zowel in het geestelijke als in het tijdelijke en hierbij oefenen zij
legislatieve, juridische en uitvoerende macht uit (can. 329 en 335 CIC 1917).
Dit gezag is precies, individueel, en behoudens de instelling van de vicaris-generaal,
niet-delegeerbaar (de vicaris-generaal was daarenboven ad nutum van de bisschop) […]. Het decreet Christus Dominus over het pastorale ambt van de bisschoppen
schrijft aan het episcopale corps collegialiteit toe, d.w.z. “hoogste en volledige
macht over de universele Kerk” en deze macht zou in alles gelijk zijn aan deze
van de Romeinse Paus indien deze macht zou kunnen worden uitgeoefend zonder de
instemming van de Romeinse Paus. Deze hoogste macht is altijd toegeschreven
geworden [enkel] aan de verzamelde bisschoppen, bijeengeroepen door de Paus in
een oecumenisch Concilie. Maar er stelt zich de vraag of een autoriteit die
enkel in werking wordt gesteld door een instantie die hoger is dan haar, kan
beschouwd worden als een hoogste
gezag en of dit niet neerkomt op een loutere virtualiteit en als het ware een ens rationis. Maar volgens de geest van
Vaticanum II ligt de uitoefening van het bisschoppelijke macht waarin zich de
collegialiteit concretiseert in de macht van de bisschoppenconferenties.
Hier is het eigenaardig te zien hoe het decreet Christus Dominus (in nr. 37) de reden
voor deze nieuwe instelling vindt in de noodzaak voor de bisschoppen van
eenzelfde land om samen te werken en hoe niet gezien wordt dat deze
samenwerkingsband, vanaf nu juridisch bepaald, de orde van de Kerk verandert
door de bisschop te vervangen door een corps van bisschoppen en de persoonlijke
verantwoordelijkheid door deze van een collectieve verantwoordelijkheid, d.w.z.
een verdeelde verantwoordelijkheid […]. Met de instelling van de
bisschoppenconferenties is de Kerk nu een policentrisch corps geworden […]. Het
eerste gevolg van deze nieuwe structuur is dus de verzwakking van de band van
eenheid [met de Paus] zoals zichtbaar is geworden in de overvloed van
onenigheden over zeer belangrijke zaken [bv. de leer van de encycliek Humanae vitae van 25 juli 1968]. Het
tweede gevolg is het verlies aan gezag van de afzonderlijke bisschoppen; zij
leggen niet meer verantwoordelijkheid af aan hun eigen volk noch aan de Heilige
Stoel: in plaats van individuele verantwoordelijk komt er immers een collegiale
verantwoordelijkheid, die, aangezien deze zich bevindt in het gehele corps,
niet kan toegeschreven worden aan de afzonderlijke componenten van het corps.”[5]
10.
Welke betekenis dient men vandaag te geven aan de
figuur van de priester, deze authentieke instelling van de Kerk?[6]
Is het waar dat reeds vanaf het Concilie de priester van “priester van God”
verlaagd is geworden tot “priester van het Volk Gods” en gereduceerd is
geworden voornamelijk tot de functies van “animator” en “voorzitter van de
verzameling” van het “Volk Gods” en tot “sociaal werker”?
·
In dit verband worden bekritiseerd: Lumen gentium 10, 2 dat lijkt op
hetzelfde plan te willen stellen het “ambtelijk of hiërarchisch” priesterschap
en het zogenaamde “algemeen priesterschap van de gelovigen” – dat in het
verleden enkel als een eretitel werd aanzien – in de bewering dat beiden “in
betrekking staan tot elkaar” (“ad invicem tamen ordinantur”) (zie ook LG, 62,2);
·
Lumen
gentium 13, 3 dat het priesterschap aanduidt louter als “functie” van het “Volk
Gods”;
·
het feit dat de prediking van het Evangelie als
eerste wordt aangeduid betreffende de priesterlijke “functie” (Presbyterorum Ordinis nr. 4: “de
priesters, als medewerkers van de bisschoppen, [hebben] als eerste taak, aan
allen het Evangelie van God te verkondigen”) terwijl daarentegen het dogmatisch
Concilie van Trente gesteld heeft dat datgene wat de zending van de
priesterschap op de eerste plaats kenmerkt ligt in “de volmacht om Zijn Lichaam
en Bloed te consacreren (consecrandi), op te dragen (offerendi) en uit te delen
(ministrandi)” en ten tweede “om zonden te vergeven en niet te vergeven.” (DS
957/1764).
·
En is het waar dat Vaticanum II de facto het kerkelijk celibaat
ontwaardigd heeft door de bevestiging dat de “de volmaakte en blijvende
onthouding omwille van het koninkrijk der hemelen, die door Christus de Heer is
aanbevolen, […] is door de Kerk vooral voor
het priesterleven altijd zeer hoog gewaardeerd. … Ze wordt weliswaar niet door
het wezen zelf van het priesterschap vereist (PO 16); deze laatste bewering
gerechtvaardigd door een foutieve interpretatie van 1Tim. 3, 2-5 en Tit 1, 6?
11.
Wat is de precieze betekenis van het principe van de “creativiteit”
in de Heilige Liturgie, een principe dat ongetwijfeld het resultaat is van de
concessies aan de bisschoppenconferenties van een omvangrijke competentie in
deze materie, met in begrip van de mogelijkheid te experimenteren met nieuwe
vormen van eredienst om deze aan te passen aan het karakter en de tradities van
de volkeren en om deze zo veel mogelijk te vereenvoudigen? Dit alles wordt
voorgesteld in de constitutie Sacrosanctum
Concilium over de Heilige Liturgie: art. 22, 2 over de nieuwe competenties
van de bisschoppenconferenties; 37, 38, 39 en 40 over de aanpassing aan het
karakter en de tradities van de volkeren en over de criteria van de liturgische
aanpassing in het algemeen; art. 21 en 34 over de liturgische vereenvoudiging.
Werd een gelijkaardige mogelijkheid om te vernieuwen in de liturgie niet ten
allen tijde sterk afgewezen door het Leergezag van de Kerk? Het is waar dat SC
altijd de controle van de Heilige Stoel over de liturgie en de vernieuwingen
ervan oplegt (SC 22, 2 en 40, 1 en 2) maar deze controle heeft zich onbekwaam
getoond om de wijdverspreide vernietiging van de liturgie te verhinderen, een
vernietiging die vele gelovigen van de kerken verwijderd heeft en tot op de dag
van vandaag voortduurt, niettegenstaande de disciplinaire maatregelen om te
komen tot de eliminering van de begonnen misdrijven, maatregelen waaraan Uwe
Heiligheid stevig vasthoudt. Zou het gewenste onderzoek niet een licht kunnen
werpen op de motieven van dit falen?
We kunnen natuurlijk niet op alle vragen ingaan die
opgeworpen worden door de teksten van het Concilie en welke in verband staan
met de huidige situatie van de Kerk. Vele vragen zouden nog gesteld kunnen
worden waaronder over fundamentele themata als de gewetensvrijheid en het
oecumenisme. Wat dit betreft mogen wij enkel nog het volgende hieraan
toevoegen:
12.
Het principe van de godsdienstvrijheid, voor het eerst
afgekondigd door het Concilie als “mensenrecht” of “natuurlijk” recht van de
persoon, ongeacht zijn godsdienst, en dus prevalerend ten aanzien van het recht
van de enige Geopenbaarde Waarheid (onze katholieke godsdienst), die dient beleden
te worden als ware godsdienst met voorkeur ten aanzien van de anderen die niet
geopenbaard zijn en dus niet afkomstig zijn van God; dit principe, dat
gegrondvest is op de veronderstelling dat alle godsdiensten gelijk zijn, maar
waarvan de toepassing enkel indifferentisme, agnosticisme en uiteindelijk
atheïsme bevorderd heeft; dit principe, zoals het verstaan wordt door het
Concilie, waarin verschilt dit werkelijk met de gewetensvrijheid zoals die een
ereplaats krijgt toegewezen tussen de laïcale “rechten van de Mens”, beleden
door de ultralaïcale en anti-christelijke Franse Revolutie.
13.
Lijkt ook niet het huidige oecumenisme te leiden tot
een gelijkaardig resultaat (indifferentisme en verlies van het geloof), gezien
het feit dat het eigenlijke doel ervan niet zozeer lijkt te zijn de bekering
(in zoverre mogelijk) van het mensengeslacht tot Christus maar wel de eenheid
en zelfs de vereniging van het menselijk geslacht tot een soort van nieuwe Kerk
of mondiale religie, in staat om –zo wenst men – een messiaans rijk van vrede
en broederschap tussen alle volkeren te beginnen? Indien dit de doeleinden van
het oecumenisme zijn, welke gedeeltelijk reeds te vinden zijn in de pastorale
constitutie Gaudium et spes over de
Kerk en de huidige wereld, lijkt dan de actuele oecumenische dialoog niet
gevaarlijk af te stevenen op een soort van “akkoord tussen Christus en Belial”?[7]
Zou dan niet de gehele dialoog van de postconciliaire Kerk met de huidige wereld
opnieuw onderzocht moeten worden?
Heilige
Vader,
De vragen die wij U hebben durven stellen in dit
nederige Verzoek kunnen zeker
diegenen in de Hiërarchie ontstemmen die reeds verklaard hebben het Verzoek van
twee jaar geleden vanwege Professor Gherardini niet te waarderen. Het betreft
dat gedeelte van de Hiërarchie dat nog niet lijkt te hebben begrepen –sta ons
toe dit te zeggen- de uitzonderlijke ernst van de crisis die nochtans reeds
vijftig jaar de Heilige Kerk belaagt; een crisis waarvan de preconciliaire
tekenen op het Concilie explodeerden, zoals het boek van Prof. de Mattei en
daarvóór meer beknopt de werken van P. Ralph M. Wiltgen svd en Prof. Romano
Amerio aangetoond hebben.
Volgens ons geweten als gelovigen lijkt deze vraag, die
wij met al ons groot respect in dit Verzoek
gericht hebben, in volledige harmonie te zijn
-zo durven wij zeggen- met het werk van herstel, vernieuwing en
zuivering van de strijdende Kerk, een werk dat zo moedig ondernomen wordt door
Uwe Heiligheid, en dit niettegenstaande het verzet en de moeilijkheden van
allerlei aard zoals die bij iedereen bekend zijn. Wij verwijzen niet enkel naar
het onbuigzame handelen van Uwe Heiligheid tegen de corruptie van de zeden bij
een deel van de clerus noch naar de handelingen inzake het gezond maken van
sommige bekende katholieke caritas-instelingen, die nauwelijks meer dan de naam
‘katholiek’ hebben behouden.
Wij verwijzen ook naar de “liberalisering” van de
viering van de H. Mis in de antieke Romeinse ritus (welke oneigenlijk genoemd
wordt “tridentijns’ aangezien de Canon, volgens een stevige traditie, teruggaat
tot de apostolische tijd) en de toediening van de H. Sacramenten en de ritus
van het exorcisme volgens het preconciliaire rituaal. Wij verwijzen ook naar Uw
opheffing van de excommunicatie (omwille van welbekende disciplinaire redenen)
van de bisschoppen van de Priesterbroederschap S. Pius X, gesticht door Z. Exc.
Mons. Marcel Lefebvre, en dat deze “liberalisering” respectvol maar met
aandrang gevraagd werd aan Uwe Heiligheid, terwijl met dit doel ook een ‘Internationale
kruistocht van de H. Rozenkrans’ werd opgericht, die een brede aanhang heeft
gevonden bij de gelovigen.
In al deze bepalingen, welke zeker van het hoogste
belang zijn voor de wedergeboorte van de Kerk, bepalingen genomen motu proprio, in Uw volle gezag van
Paus, dat Zijn potestas iurisdictionis
over geheel de Kerk enkel ontleend aan Onze Heer, ziet onze sensus fidei van eenvoudige katholieken
duidelijk het werk van de Heilige Geest. Wij besluiten daarom ons nederig
Verzoek door de hulp van de Heilige Geest af te roepen opdat Uwe Heiligheid,
bij het ondernomen werk van herstel om Christus opnieuw tot centrum te maken
van het katholicisme (Ef. 1, 10), ook moge insluiten het gewenste heronderzoek
van het Concilie.
Met geheel onze kinderlijke devotie en ontzag,
In Domino et in corde Mariae
24 september 2011
Ondertekenaars van dit Verzoek aan de Heilige Vader,
Benedictus XVI
1. Prof. Paolo Pasqualucci, docente
di filosofia; 2. Mons. Brunero Gherardini, decano dei teologi italiani,
docente di Ecclesiologia; 3. Mons.
Antonio Livi, professore emerito di Filosofia della conoscenza nell'Università
Lateranense; 4. Prof. Roberto de Mattei, Università Europea di Roma; 5. Prof.
Luigi Coda Nunziante, a titolo personale e in qualità di presidente della
Associazione "Famiglia Domani"; 6. Dott. Paolo Deotto, direttore di
Riscossa Cristiana, www.riscossa cristiana.it; 7. Prof. Piero Vassallo, docente
di filosofia, condirettore di Riscossa Cristiana; 8. Prof. Emilio Biagini; 9.
Prof. Paolo Mangiante; 10. Prof. Primo Siena; 11. Dott. Luciano Garibaldi; 12.
Dott. Mauro Faverzani; 13. Dr.ssa Virginia Coda Nunziante; 14. Dott. Pucci
Cipriani; 15. Dott. Normanno Malaguti; 16. Dott. Giovanni Ceroni; 17. Dott.
Paolo Maggiolo; 18. Maria Viscidi; 19. Dr.ssa Carla D'Agostino Ungaretti – Roma;
20. Alfredo Bazzani – Verona; 21. Francesca Poluzzi; 22. Diacono Don Roberto
Donati – Firenze; 23. Fabio Scaffardi – Firenze; 24. Dott. Giovanni Catanzaro; 25.
Annarosa Berselli; 26. Tommaso Lopatriello - Policoro (MT); 27. Francesco Dal
Pozzo – Bologna; 28. Don Marcello Stanzione e tutta la Milizia di San Michele
Arcangelo; 29. Prof. Dante Pastorelli - Governatore della Venerabile
Confraternita di S. Girolamo e S. Francesco Poverino in S. Filippo Benizi,
Firenze. Presidente di Una Voce, sez. di Firenze; 30. Maria Eleonora
Bagnoli – Prato; 31. Cesaremaria Glori – Belluno; 32. Maria Matilde; 33.
Calogero Cammarata - Presidente di Inter Multiplices Una Vox – Torino; 34.
Dr.ssa Cristina Siccardi - Castiglione Torinese (TO); 35. Dott. Carlo Manetti -
Castiglione Torinese (TO); 36. Roberto Sgaramella – USA; 37. Alessandro Gnocchi;
38. Mario Palmaro; 39. Mario Crisconio - Cavaliere di Malta, Governatore del
Pio Monte della Misericordia (in Napoli), presidente di "Una Voce",
sezione di Napoli; 40. Enrico Villari - ingegnere e dottore in filosofia –
Napoli; 41. Marcello Paratore - docente di filosofia – Napoli; 42. Giuseppe De
Vargas Machuca - Primo Governatore della Reale Arciconfraternita e Monte del
SS. Sacramento dei Nobili Spagnoli – Napoli; 43. Giovanni Turco - docente
universitario, presidente della "Società Internazionale Tommaso
d'Aquino", sezione di Napoli; 44. Giovanni Tortelli - scrittore, studioso
di diritto ecclesiastico e storia della Chiesa – Firenze; 45. Luigi Torre,
avvocato – Genova; 46. Stefania Zanon Torre – Geonva; 47. Dott. Fausto Belfiori;
48. Don Roberto Donati, diacono dell'Arcidiocesi di Firenze; 49. Lucia Biancato
- Mogliano Veneto (TV); 50. Prof. Corrado Gnerre - Università Europea di Roma; 51.
Adriana Turcato – Treviso; 52. Umberto Bonvicini - Treviso
Vertaling uit het Italiaans:
A Belgian Thomist
[1] B.
GHERARDINI, Supplica al Santo Padre, in
appendice a: ID., Concilio Ecumenico Vaticano
II. Un discorso da fare, Casa Mariana Editrice, Frigento (AV),
2009, cm.editrice@immacolata.ws , pp. 254-256. In dit verzoek zijn alle teksten in rechte haakjes van de
schrijver, niet van de geciteerde auteur.
[3] B. GHERARDINI, “Quod et
tradidi vobis”. La Tradizione vita e giovinezza della Chiesa, in ‘Divinitas’,
Nova Series, 2010 (53) nn. 1-2-3, pp. 165-186.
[4] R. AMERIO, Iota Unum. Studiodelle variazioni della Chiesa cattolica nel secolo XX, Ricciardi,
Milano-Napoli, 1986², pp. 79-80 (§ 44).
[5]
Ibid., pp. 441-444 (§ 232 e 233).
[6] Noot
van de vertaler: De Italiaanse grondtekst voegt hieraan toe: ribattezzato
“presbitero” per motivi che al fedele restano oscuri? Lett.: “herdoopt ‘priester’
omwille van motieven die duister blijven voor de gelovigen”. Het Italiaans werkt hier met het onderscheid tussen ‘sacerdote’
en ‘presbitero’ dat wij in het Nederlands niet kennen.
[7] B. GHERARDINI, Quale accordo
fra Cristo e Beliar? Osservazioni teologiche sui problemi, gli equivoci ed i
compromessi del dialogo interreligioso, Fede & Cultura, Verona, 2009.
Abonneren op:
Posts (Atom)






