dinsdag, februari 24, 2015

Onze tien stellingen over DH

Naar aanleiding van het colloquium in het Sint-Janscentrum met als thema o.a. godsdienstvrijheid herpubliceren wij hier onze tien stellingen over Dignitatis Humanae, oorspronkelijk gepubliceerd op deze blog op 30 april 2013.

1/De kern van de zaak
DH 2/1 stelt: “Dit Vaticaans Concilie kent aan de menselijke persoon het recht toe op godsdienstvrijheid.” Het verdere verloop van DH 2/1 zegt waarin dit recht bestaat, dat dit gegrondvest is op de waardigheid van de menselijke persoon en dat dit recht dient erkend te worden als burgerlijk recht in de juridische orde van de maatschappij.

Naar eigen zeggen doet dit “geen afbreuk aan de traditionele katholieke leer omtrent de morele plicht van mensen en gemeenschappen ten opzichte van de ware godsdienst en de énige Kerk van Christus.” (DH1/3). Dit vereist van de gelovigen de instemming met goddelijk geloof.

De verklaring in DH 2/1 verdient, als onderdeel van een Oecumenisch Concilie en aangezien er geen afbreuk gedaan wordt aan de traditionele leer, religieuze volgzaamheid van wil en verstand.

Al het overige in DH is argumentatie. DH 2/2 dat begint met “Op grond van hun waardigheid” heeft uitdrukkelijk niet “enim” of “want” als eerste woord meegekregen om te vermijden dat de argumentatie als zijnde met gezag zou kunnen gelezen worden. De relator Mgr. De Smedt zei immers: “Ut clarius appareat quod argumentatio non auctoritate proponitur, deletur in lin. 7 verbum “enim”” (AS VI, 4, p. 735). De overige delen van DH dienen dus met respect en dankbaarheid ontvangen te worden maar vereisen geen verstandelijke instemming in eigenlijke zin. (Voor meer info verwijs ik naar F. Ocariz, Over de instemming met het Tweede Vaticaans Concilie, L’Osservatore Romano 2 december 2011)

Tevens is uitdrukkelijk niet een definitie van “menselijke persoon” gegeven want, zo zei dezelfde relator, “Neque mos est conciliaris definitionis philosophicas proponere” (AS VI, 4, p. 735). Dit is te betreuren.

2/Een tegenstelling tussen DH en de traditie vereist dat de tegenstelling volledig is, een twijfel of waarschijnlijkheid volstaat niet. Indien er iets niet duidelijk lijkt, geldt de onderwerping aan het Leergezag. De tegenstelling dient ook formeel te zijn, niet enkel op niveau van de terminologie.

3/Het recht op godsdienstvrijheid is geen recht op dwaling. Een dwaling heeft geen rechten want enkel een persoon kan het subject van rechten zijn. Ook een persoon die in een religieuze dwaling verkeert heeft rechten. DH zegt dus niet dat een dwalende godsdienst rechten heeft. CKK 2108 heeft dit verduidelijkt: “Het recht op godsdienstvrijheid betekent geen morele toelating om een dwaalleer aan te hangen,  noch een mogelijke vrijbrief voor de dwaling,  maar wel een natuurlijk recht van de menselijke persoon op burgerlijke vrijheid, dit wil zeggen op vrijwaring van uiterlijke dwang, binnen juiste grenzen, in godsdienstzaken, vanwege de politieke overheid. Dit natuurrecht moet in de juridische ordening zo worden erkend dat het burgerrecht wordt.”

4/Het recht op godsdienstvrijheid is geen positief recht om het kwade te doen. Voor een positief recht om iets te doen moet het object van het recht, de handeling, moreel goed zijn. DH erkent niet dat personen een positief recht hebben ten aanzien van religieuze dwaling. Een negatief recht daarentegen is een recht om niet verhinderd te worden te handelen en slaat op de morele faculteit te eisen dat er geen menselijke dwang is in een bepaald domein. Het object van een negatief recht is niet de (eventueel moreel slechte) handeling. DH spreekt altijd over het recht niet verhinderd te worden en niet over het recht te handelen.

5/Dit negatief recht ten aanzien van de burgerlijke overheid en niet een positief recht ten aanzien van God, van het goede en het kwade sluit uit dat DH indifferentisme bevordert. Integendeel DH 1/2: “Van hun kant hebben alle mensen de plicht, de waarheid te zoeken, vooral met betrekking tot God en zijn Kerk, en, zijn zij tot de kennis van de waarheid gekomen, dan zijn zij verplicht, haar te aanvaarden en er trouw aan te blijven.” Het gebruik van godsdienstvrijheid in de bovenbeschreven zin als negatief recht om zich hierdoor af te wenden van de waarheid, is in feite een misbruik van datzelfde recht.

6/De plicht van de staat om de uitoefening van valse overtuigingen niet te verhinderen in de mate dat dit de publieke orde niet verstoort is niet in tegenspraak met de plicht van diezelfde staat om de ware religie en de katholieke Kerk te erkennen, deze te helpen in haar missie voor zover politiek mogelijk en deze te beschermen. Deze plichten worden niet ontkend door DH. De “morele plicht van mensen en gemeenschappen ten opzichte van de ware godsdienst en de énige Kerk van Christus” (DH1/3) blijft gelden. Ook hier heeft CKK 2105 verduidelijking gebracht: “Zowel individueel als sociaal hebben de mensen de plicht God een waarachtige eredienst te bewijzen. Dat is "de traditionele katholieke leer over de morele plicht van mensen en gemeenschappen tegenover de ware godsdienst en de enige kerk van Christus".  Door zonder ophouden aan de mensen het Evangelie te verkondigen spant de Kerk zich ervoor in, dat ze in staat zouden zijn "de mentaliteit en de zeden, de wetten en de structuren van het milieu waarin ze leven van een christelijke geest te doordringen".  Het is de sociale plicht van de christenen in ieder mens de liefde tot de waarheid en tot het goede te eerbiedigen en te stimuleren. Dit vraagt van hen dat ze de eredienst van de ene ware godsdienst zouden doen kennen, die in de katholieke en apostolische kerk te vinden is.  De christenen zijn geroepen het licht der wereld te zijn.  Op die manier bevestigt de kerk het koningschap van Christus over de hele schepping en in het bijzonder over de menselijke samenleving.”

7/ De traditie (zo bv. nog Pius XII in de Toespraak Ci riesce uit 1953) spreekt over tolerantie van dwalingen als zijnde gerechtvaardigd indien het algemeen welzijn méér te lijden zou hebben onder de onderdrukking van deze dwalingen als onder de tolerantie ervan. Dit perspectief van de traditie veronderstelt een katholieke staat onder de orde van de openbaring. Het is immers de openbaring die de ultieme distinctie oplevert om te onderscheiden tussen waar en onwaar. Maar een gezag dat niet onder de openbaring staat heeft niet het recht te verbieden wat zich niet direct stelt tegenover de openbaring en niet direct de sociale orde verstoort. DH spreekt vanuit het standpunt van de natuurlijke orde en dus niet over tolerantie maar over het recht op godsdienstvrijheid. DH spreekt dus ten aanzien van alle maatschappijen waarvan het merendeel zich helaas heeft afgekeerd van de waarheid.

8/De burgerlijke macht, alhoewel deze rechtens niet onverschillig kan zijn, heeft toch niet in en door zichzelf het eeuwig heil van de mens als opdracht. “De katholieke Kerk heeft het bewustzijn dat haar goddelijke Stichter haar het gebied van de godsdienst, de religieuze en morele richting van de mensen in haar uitgebreidheid heeft overgeleverd, onafhankelijk van de macht van de staat” (Pius XII, Toespraak Vous avez voulu, 7 september 1955, AAS 47 (1955) 672-682). De staat zal hier dus slechts vanuit het perspectief van het tijdelijk algemeen welzijn, wat het eigenlijke doel is van de staat, optreden door de publieke orde te beschermen en anderzijds zich te associëren met de publieke cultus die de maatschappij moet brengen ten aanzien van God.

9/Het negatieve recht, het recht op immuniteit van dwang ten aanzien van de staat is niet absoluut. Ook hier heeft CKK 2109 verduidelijking gebracht: “Het recht op godsdienstvrijheid kan uit zichzelf niet onbeperkt zijn  en evenmin slechts beperkt worden door een "openbare orde" die op een positivistische of naturalistische wijze wordt opgevat.  De "juiste grenzen" die aan dit recht inherent zijn, moeten voor elke sociale situatie bepaald worden door de politieke omzichtigheid, volgens de eisen van het algemeen welzijn, en bekrachtigd worden door de burgerlijke overheid volgens "juridische normen die in overeenstemming zijn met de objectieve morele orde".

10/Volgens de relator is de leer over de godsdienstvrijheid niet in tegenspraak met de idee en realiteit van een confessionele, katholieke staat (AS III, 8, p. 463). De praktijk tot bevordering van een niet-confessionele staat door middel van concordaten betreft dus een beslissing die behoort tot het niveau van de prudentie.

vrijdag, februari 13, 2015

"Ich glaube immer mehr, die wahren Denzingerkatholiken sind gar nicht die Konservativen, die Ewiggestrigen, sondern die sogenannten Progressiven. Denn sie suchen ständig nach einem nominellen Festhalten an den Glaubenswahrheiten, einem theologischen Minimalismus, den Denzingernummern, aber nur um eine Möglichkeit zu finden, den gleichen Glauben weitestgehend zu untergraben oder die Orthodoxie von der Orthopraxie zu trennen. Und das ist wiederum nichts anderes als eine Wiederbelebung - sofern er jemals verstorben war - des alten Modernismus und des Liberalismus, den Kardinal Billot charakterisiert als »vollkommenen und absoluten Widerspruch aufgrund des Gegensatzes, den seine Anhänger zwischen Prinzipien und Praxis aufstellen; denn die Prinzipien, die sie angeblich gelten lassen, sind nichts anderes als praktische Handlungsregeln, die sie nicht gelten lassen wollen.«* Wer kann da nicht an die Lehre Kaspers denken?" Bron: http://denzinger-katholik.blogspot.be/2015/02/denzinger-mit-beipackzettel.html

dinsdag, februari 10, 2015

De werkelijkheid van de duif bij het doopsel van Christus

De evangelisten Mattheus en Johannes schrijven dat bij het doopsel van Christus in de Jordaan “de Geest Gods” neerdaalde over Christus “in de gedaante van een duif” (Mt. 3, 16). Johannes de Doper getuigt hierover: “Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op Hem rusten” (Joh. 1, 32). Voor de hedendaagse, ‘verlichte’ exegeet zijn deze Schriftversen ‘literaire procedés’ van de evangelist, ‘waanbeelden’ van de toeschouwers of welke ingenieuze verklaring men er ook voor geeft dat de Schrift spreekt over een werkelijke duif.

Voor Sint-Thomas van Aquino was dit echter niet het geval; hij meent dat er toen daadwerkelijk een duif op Christus neerdaalde. Laten we eens van naderbij bekijken welke argumenten Sint-Thomas hiervoor geeft in zijn Commentaar op het Johannesevangelie.

Sint-Thomas begint met de stelling dat de Heilige Geest niet kan gezien worden ‘in zijn wezen’, d.w.z. de Heilige Geest kan zijn eigen natuur niet laten zien. Sint-Thomas vindt een indicatie hiervoor in Joh. 3, 8: “De Geest blaast waarheen hij wil; gij hoort wel zijn gesuis, maar weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat.” Vervolgens neemt hij de Menswording absoluut ernstig. Indien de Zoon van God voor ons zichtbaar is geworden doordat Hij doorheen het vlees zichtbaar is geworden, dan is het ook gepast dat diezelfde Zoon van God kenbaar wordt gemaakt aan de wereld door middel van een werkelijke, zichtbare gestalte zoals een duif. Het is dus “redelijk”, zegt hij, aan te nemen dat hier sprake is van een werkelijk dier. De Heilige Geest komt immers Christus als Zoon van God openbaar maken. Maar Christus is de Waarheid en dus moet Hij bekend gemaakt worden door een waar feit, d.w.z. een werkelijk bestaan dier. Nog duidelijker vinden we dit verwoord in de Summa theologiae (III, 39, 7): “Het was ongepast dat de Zoon van God, de Waarheid van de Vader, zou gebruik maken van iets fictief; daarom nam Hij geen imaginair maar een waar (verum) lichaam aan. En aangezien de Heilige Geest de Geest van de Waarheid wordt genoemd (Joh. 16,13) maakte Hij een werkelijke duif waarin Hij verscheen.” Anders gezegd, voor Sint-Thomas is het onredelijk te menen dat de Waarheid zelve zich manifesteert door middel van onwaarheid, d.w.z. een waanbeeld van de toeschouwer of een literair middel van een evangelist. Tot slot onderstreept Sint-Thomas dit met citaten van de kerkvaders Augustinus en Cyprianus.

Maar waarom spreekt de Schrift over een duif en niet over een ander dier? Ten eerste omwille van de argeloosheid want de duif is argeloos: “Wees dus omzichtig als slangen en argeloos als duiven” (Mt. 10,16), zo raadt Christus aan zijn leerlingen aan wanneer Hij hen in de wereld zendt. Inderdaad, zegt Sint-Thomas, de Heilige Geest doet ons ertoe neigen om maar op één ding onze ziel te richten, nl. God. De Heilige Geest maakt ons dus argeloos, eenvoudig, ‘focused’ op één doel en daarom verscheen Hij in de vorm van een duif.
Ten tweede, zo zegt Sint-Thomas, “vanwege de eenheid van de liefde want de duif gloeit van liefde: “zoals mijn duifje, mijn schoonste, is er maar één” (Hgl. 6,9). De Heilige Geest die verschijnt als een duif is dus voor Sint-Thomas een teken van de liefdesband waarmee “de eenheid van de Kerk” bewerkstelligd en bewaard wordt.
Voor de derde reden verbindt Sint-Thomas, wiens officiële titel was ‘Magister in Sacra Pagina’, twee Schriftcitaten die op het eerste zicht los van elkaar staan. Er is hier sprake van een duif, schrijft hij, omwille van de verzuchtingen want de duif heeft een zang die lijkt op verzuchtingen. We lezen immers dat de Heilige Geest “pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen” (Rom. 8, 26) en ook “het klinkt als de verzuchtingen van duiven” (Nahum 2, 7).
Een vierde reden vindt Sint-Thomas in Leviticus 5, 7 waar er sprake is van een offer van twee duiven ter genoegdoening van een zonde jegens de Heer. Sint-Thomas schrijft dat de H. Geest in de vorm van een duif neerdaalde “vanwege de vruchtbaarheid van duiven want de duif is een zeer vruchtbaar dier. Om dus de vruchtbaarheid van de geestelijke genade in de Kerk aan te duiden, verscheen de Heilige Geest in de vorm van een duif. Daarom beval de Heer een offer van twee duiven in Leviticus 5,7”.
Sint-Thomas verwijst ten vijfde naar een tekst opnieuw uit het Hooglied. Er is sprake van een duif omwille van de voorzichtigheid en omzichtigheid die eigen is aan een duif. Hij observeert dat een duif in staat is om in het water de weerspiegeling van de havik, die boven de duif vliegt, te zien en zich zo te redden van naderend gevaar. Hij verwijst naar Hooglied 5, 12: “Zijn ogen zijn duiven aan stromende beken”. Hiermee wordt aangeduid dat onze toevlucht en onze verdediging te vinden is in het doopsel en daarom is het gepast dat de Heilige Geest in de vorm van een duif verscheen.
Tot slot voegt Sint-Thomas de volgende observatie hieraan toe: “De duif beantwoordt ook aan een figuur in het Oude Testament. Want, zoals de duif die de groene olijftak droeg een teken was van de barmhartigheid van God jegens de overlevenden van de zondvloed, zo ook is in het doopsel, de Heilige Geest, die nederdaalt in de vorm van de duif, een teken van de goddelijke barmhartigheid die de zonden van de gedoopten wegneemt en genade schenkt.”

In de Summa theologiae voegt hij hier nog aan toe dat de duif ook staat voor de zeven gaven van de Heilige Geest omdat deze zeven gaven overeenstemmen met eigenschappen van de duif. Zo verblijft de duif bij het water zodanig dat, wanneer hij de havik ziet aankomen, hij snel kan ontsnappen. Dit verwijst naar de gave van de wijsheid waardoor de heiligen zich ophouden bij de wateren van de Schrift om aan de aanvallen van de duivel te ontsnappen. De duif kiest ook het betere graan uit zoals ook de heiligen doen die, met de gave van de kennis, de gezonde leer uitkiezen en zich hiermee voeden. De duif voedt ook het gebroed van andere vogels en dit verwijst naar de gave van de raad “waarmee de heiligen, door onderricht en voorbeeld, diegenen voeden die het gebroed, d.i. de nabootsers van de duivel zijn geweest.” De duif verscheurt ook niet met zijn bek en dit verwijst naar de gave van de wetenschap waarbij de heiligen de leer niet verscheuren, uiteen halen, versnipperen zoals de ketters. De duif, zo merkt Sint Thomas terecht op, heeft ook geen galblaas. Dit verwijst naar de gave van de godsvrucht die ervoor zorgt dat heiligen geen onredelijke woede hebben. (Dit verwijst naar de leer van de ‘humores’ vooral ontwikkeld door Hippocrates en Galenus; volgens de oude Grieken werd de gemoedstoestand van mensen bepaald door het (on)evenwicht tussen vier lichaamssappen of, in het Latijn, humores). De duif bouwt ook zijn nest in de nis van een rots en dit verwijst natuurlijk naar de gave van de sterkte; ook de heiligen, zo zegt Thomas, bouwen hun nest, d.w.z. zij zoeken toevlucht en steun in de wonden van Christus, “de sterke rots”. Tot slot heeft de duif ook een geluid dat lijkt op verzuchtingen, op een klaagzang. Dit verwijst naar de gave van de vrees waarmee de heiligen zich verheugen in het berouwvol jammeren over gedane zonden.

Sint-Thomas gaat er niet vanuit dat de Schrift liegt of onwaarheden bevat zoals vele moderne exegeten doen. Neen, voor Sint-Thomas draagt geheel de werkelijkheid, omdat deze door God geschapen en gewild is, sporen in zich die verwijzen naar God. In een werkelijkheid die door God geschapen is en waarin God voorziet, kan er niets zijn dat ‘zomaar’ is, zonder betekenis, zonder doel.

maandag, december 22, 2014

"Mama, is Felix nu in de hemel?"

“Mama, is Felix nu in de hemel?”


In gezinnen met jonge kinderen wordt vandaag de dag onvermijdelijk de vraag gesteld naar de toekomst van een gestorven huisdier. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de grote rol die dieren tegenwoordig spelen in de beleving van kinderen en de zeer menselijke kenmerken die aan dieren worden toegeschreven in tekenfilms, die via digitale animatie, steeds ‘echter’ lijken.
Het Leergezag van de Kerk heeft zich, voor zover ik weet, hierover nooit expliciet uitgesproken. Benedictus XVI heeft in een homilie op 13 januari 2008 indirect hiernaar verwezen toen hij zei: "Terwijl voor andere schepselen die niet geroepen zijn tot de eeuwigheid, de dood enkel het einde van het bestaan op aarde betekent, schept de zonde in ons een afgrond waarin wij riskeren voor altijd opgenomen te worden tenzij de Vader, die in de hemel is, zijn hand naar ons uitstrekt." 

De Heilige Thomas van Aquino, de Algemene Leraar (doctor communis) van de Kerk heeft zich deze vraag onrechtstreeks gesteld. In wat volgt bied ik een vertaling van de twee teksten waarin Sint-Thomas hierover spreekt: een tekst van de jonge Thomas en een tekst geschreven in de laatste jaren van diens leven.

Tekst 1: Supplementum q. 91, a. 5

"Zullen de planten en de dieren blijven bestaan na de vernieuwing van de wereld na het laatste oordeel?
Het schijnt dat de planten en de dieren zullen blijven bestaan na deze vernieuwing.
1. Immers, de elementen mogen niet ontdaan worden van al hetgeen dat behoort tot hun versiering. Welnu, over de elementen wordt gezegd dat zij versierd worden door de dieren en planten. [Zie Gen. 1, 11-12:  “En God zei: ‘Het land moet zich tooien met jong groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen die ieder naar zijn soort hun vruchten dragen, met zaad erin.’ Zo gebeurde het. En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was.”.] Zij zullen dus niet verwijderd worden in deze vernieuwing.
2. Net zoals de elementen de mens dienden, zo deden ook de dieren, planten en minerale lichamen dit. Maar wegens deze dienst zullen de elementen verheerlijkt worden. Zowel dieren als ook planten en minerale lichamen zullen dus eveneens verheerlijkt worden.
3. Het heelal zal onvolmaakt blijven indien er iets zou verwijderd worden dat tot de volmaaktheid van het heelal behoort. Maar de soorten dieren, planten en minerale lichamen behoren tot de volmaaktheid van het heelal. Aangezien we niet kunnen zeggen dat de wereld onvolmaakt zal blijven bij deze vernieuwing, lijkt het dat we dienen te stellen dat ook de planten en de dieren zullen blijven bestaan.
4. Dieren en planten hebben meer nobele vormen dan de elementen. De wereld zal echter bij deze laatste vernieuwing veranderd worden ten beste. Daarom zullen eerder dieren en planten dan de elementen moeten blijven bestaan, aangezien zij meer nobel zijn.
5. Het is ongepast te stellen dat de natuurlijke neiging gefrustreerd zal worden. Maar door hun natuurlijke neiging verlangen dieren en planten voor altijd te bestaan, weliswaar niet als individu maar ten minste als soort en hierop is ook hun voortdurende voortbrenging gericht [Zie Aristoteles, De generatione II]. Het is dus ongepast te zeggen dat deze soorten uiteindelijk zullen ophouden te bestaan.
Maar hier staat tegenover:
1. Indien planten en dieren zullen blijven bestaan, dan zal dit gelden voor ofwel alle dieren en planten ofwel voor sommige. In het eerste geval zullen dieren, die eertijds gestorven zijn, opnieuw verrijzen zoals de mensen opnieuw zullen verrijzen. Maar dit kan niet beweerd worden aangezien hun vorm vernietigd is en zij niet opnieuw dezelfde identiek vorm kunnen aannemen. Indien daarentegen niet alle maar sommige dieren en planten zullen blijven bestaan en er geen reden is waarom de één wel en de andere niet voor eeuwig zal blijven bestaan, lijkt dat geen één van hen zal blijven bestaan. Maar wat er ook blijft bestaan na de wereld zal vernieuwd zijn geworden en zal voor eeuwig blijven bestaan zonder ontstaan en corruptie. Planten en dieren zullen dus in het geheel ophouden te bestaan na de vernieuwing van de wereld.
2. Volgens de Filosoof [Aristoteles, zie De generatione II] zullen de soorten dieren, planten en dergelijke vergankelijke dingen slechts in hun bestaan worden verdergezet door de voortdurende beweging van de hemelen. Maar dit zal ophouden te bestaan. Het zal dus onmogelijk zijn voor zulke soorten om hun bestaan verder te zetten.
3. Indien het doel ophoudt te bestaan, dan dienen ook de dingen die gericht zijn op het doel ophouden te bestaan. Welnu, dieren en planten zijn gemaakt voor het behoud van het menselijk leven. Daarom staat er geschreven in Gen. 9, 3: “Alles wat leeft en beweegt zal u tot voedsel dienen; Ik schenk u dat allemaal naast het groene gewas”. Wanneer daarom het dierlijke leven van de mens ophoudt te bestaan, dan dienen ook dieren en planten ophouden te bestaan. Welnu, na deze vernieuwing zal het dierlijke leven in de mens ophouden te bestaan. Daarom dienen planten noch dieren te blijven bestaan.
ANTWOORD. Aangezien de vernieuwing van de wereld er zal komen omwille van het heil van de mens moet deze vernieuwing ook in overeenstemming zijn met de vernieuwing van de mens. Welnu, door de vernieuwing zal de mens overgaan van de staat van vergankelijkheid naar de onvergankelijkheid en naar een staat van altijddurende rust. Daarom staat er geschreven in 1 Kor. 15, 53: “Want dit vergankelijke moet met onvergankelijkheid worden bekleed en dit sterfelijke met onsterfelijkheid.” De wereld zal dus vernieuwd worden op dusdanige wijze dat het alle vergaan van zich af zal werpen en voor altijd in rust zal blijven. Het is dus onmogelijk dat iets het onderwerp van deze vernieuwing zal zijn tenzij het niet vergankelijk is. Deze niet-vergankelijke dingen zijn de hemelse lichamen, de elementen en de mens. De hemellichamen zijn immers qua hun natuur onvergankelijk  zowel wat hun geheel als wat de delen ervan betreft. De elementen zijn vergankelijk wat hun delen betreft maar onvergankelijk als geheel. De mens is vergankelijk zowel als geheel als wat de delen betreft maar dit is te wijten aan hun materie en niet aan hun vorm, te weten de rationele ziel. Deze rationele ziel zal onvergankelijk blijven na het vergaan van de mens. Daarentegen zijn de dieren, planten, mineralen en alle gemengde lichamen vergankelijk zowel qua geheel als wat hun delen betreft, zowel wat betreft hun materie die haar vorm verliest, als ook wat betreft hun vorm, die niet actueel zal blijven bestaan. Deze laatste zijn dus op geen enkele wijze het onderwerp van onvergankelijkheid. Zij zullen dus niet blijven bestaan na deze vernieuwing maar enkel die dingen die wij boven vermeld hebben.
AD 1. Van deze lichamen wordt gezegd dat zij de elementen versieren in de zin dat de algemene actieve en passieve krachten in de elementen toegepast worden op specifieke handelingen. Zij versieren daarom de elementen in hun actieve en passieve toestand. Maar deze staat zal niet blijven bestaan in de elementen en daarom is het niet nodig dat dieren en planten blijven bestaan.
AD 2. Dieren noch planten of enig ander lichaam heeft een verdienste door hun dienst aan de mens want zij ontberen een vrije wil. Van sommige lichamen wordt echter gezegd dat zij beloond worden in die zin dat de mens verdiend heeft dat die dingen moeten vernieuwd worden die aangepast zijn om vernieuwd te worden. Maar zoals boven gezegd zijn planten en dieren niet aangepast voor de vernieuwing tot onvergankelijkheid. Om deze reden heeft de mens niet verdiend dat zij zouden vernieuwd worden want niemand kan voor een ander of zelfs voor zichzelf verdienen wat de ander of hijzelf niet in staat is om te ontvangen. Dus zelfs indien men toegeeft dat dieren iets verdiend hebben door hun dienst aan de mens, dan nog zou het niet volgen dat zij zullen vernieuwd worden.
AD 3. Net zoals er verschillende soorten volmaaktheid aan de mens worden toegeschreven (want er is de volmaaktheid van de geschapen natuur en de volmaaktheid van de verheerlijkte natuur), zo is er ook een tweevoudige volmaaktheid van het heelal waarbij de éne beantwoordt aan deze toestand van veranderlijkheid en de andere beantwoordt aan de toestand van de toekomstige vernieuwing. Welnu, planten en dieren behoren tot de volmaaktheid volgens de huidige toestand en niet volgens de toestand van deze vernieuwing aangezien zij niet in staat zijn om vernieuwd te worden.
AD 4. Alhoewel dieren en planten in bepaalde andere aspecten meer nobel zijn dan de elementen, zijn de elementen toch meer nobel in relatie tot onvergankelijkheid, zoals boven aangetoond [zie Suppl. q. 74, a. 1, ad 3]
AD 5. Het natuurlijke verlangen om altijd te bestaan dat aanwezig is in dieren en planten dient verstaan te worden in relatie tot de beweging van de hemel, zodanig dat zij kunnen voortbestaan zo lang als de beweging van de hemel duurt aangezien er geen streving kan bestaan dat een effect langer bestaan dan de oorzaak van het effect. Indien dus bij het ophouden van de beweging van de hemel de planten en dieren als soort ophouden te bestaan, dan volgt hieruit niet dat de natuurlijke streving tevergeefs is."
 
Tekst 2: Compendium Theologiae, hfdst. 170

"Hetzelfde blijkt op redelijke wijze uit de natuur van het heelal. Aangezien de mens een deel is van het materiële heelal dient het materiële heelal te blijven bestaan wanneer de mens gebracht wordt tot zijn uiteindelijke voltooiing. Een deel zou immers aan volmaaktheid ontbreken indien het zou bestaan zonder het geheel. Anderzijds kan het materiële heelal niet in bestaan blijven zonder haar essentiële delen. Maar de essentiële delen van het heelal zijn de hemellichamen en de elementen want de gehele machine van de wereld (tota mundi machina) bestaat uit deze hemellichamen en elementen. De andere lichamen echter lijken geen deel uit te maken van de integriteit van het materiële heelal maar dragen eerder bij tot de versiering en de schoonheid van dat heelal. Zij passen bij de veranderlijke toestand van het heelal in de zin dat, door een hemellichaam als efficiënte oorzaak en de elementen als materiële oorzaken, dieren en planten en mineralen worden voortgebracht. Maar in de toestand van uiteindelijke voltooiing zal er een andere soort van versiering aan de elementen worden gegeven, in overeenstemming met hun onvergankelijke conditie. In deze toestand zullen er dus mensen, elementen en hemellichamen blijven bestaan maar niet dieren, planten of mineralen."

Dit antwoord van Sint-Thomas is waarschijnlijk ongeschikt voor een kind dat heel verdrietig is bij de gedachte dat hij zijn geliefd huisdier nooit meer zal zien. Ik denk dat we er van mogen uitgaan dat God niets zal verloren laten gaan wat waar, goed, schoon en zuiver is. Maar tevens is het ook zo dat onze verhouding tot huisdieren vaak onwaarheden en onzuiverheden bevat. Wij schrijven immers menselijke kenmerken toe aan onze huisdieren, kenmerken die ze niet bevatten. Ook beschouwen we vaak, bewust of onbewust, onze huisdieren als een surrogaat voor een tekort aan aandacht en affectie.
Maar een jong kind zal dit waarschijnlijk nog niet begrijpen. Daarom stel ik voor dat we een kind niet vertellen dat Felix inderdaad in de kattenhemel is maar wel dat hij, wanneer hij hopelijk zelf in de hemel zal zijn, hij aan God vraagt of hij Felix mag terugzien. Daarbij kunnen de ouders in hun achterhoofd houden dat, wanneer iemand zich in de gelukzalige aanschouwing van God bevindt, hij dusdanig vervuld zal zijn van het genieten van Gods liefde dat zulke aardse zaken als een huisdier van geen belang meer zullen zijn.

donderdag, december 04, 2014

Whatever

“In Western society at large, the early twenty-first-century basis for most secular answers to the Life Questions seems to be some combination of personal preferences, inclinations, and desires: in principle truth is whatever is true, values are whatever you value, priorities are whatever you prioritize, and what you should live for is whatever you decide you should live for. In short: whatever. All human values, meanings, priorities, and morality are contingent, constructed, and subjective. In principle you are you own basis, your own authority, in all these matters, within the boundaries established by the law. … You can change the basis for your answers, as well as their content, at any time, any number of times, and for any reason or without any reason. You are free - hence, whatever.” (Brad Gregory, The Unintended Reformation: How a Religious Revolution Secularized Society (Cambridge: The Belknap Press of Harvard University Press, 2012, p. 77)

dinsdag, november 25, 2014

Vijf tips voor het gebed

Met dank aan Dominicanablog:

Prayer, St. John Damascene says, is the unveiling of the mind before God. When we pray we ask Him for what we need, confess our faults, thank Him for His gifts, and adore His immense majesty. Here are five tips for praying better– with the help of St. Thomas Aquinas.

5. Be humble.

Many people falsely think of humility as a virtue of a low self-esteem. St. Thomas teaches us that humility is a virtue of acknowledging the truth about reality. Since prayer, at its root, is an “asking” directed at God, humility is crucially important. Through humility we recognize our neediness before God. We are totally and entirely dependent on God for everything and at every moment: our existence, life, breath, every thought and action. As we become more humble, we recognize more profoundly our need to pray more.

4. Have faith.

It’s not enough to know that we’re needy. To pray, we also have to ask someone, and not just anyone, but someone who can and will answer our petition. Children intuit this when they ask mom instead of dad (or vice versa!) for permission or a gift. It is with the eyes of faith that we see God is both powerful and willing to help us in prayer. St. Thomas says that “faith is necessary… that is, we need to believe that we can obtain from Him what we seek.” It is faith which teaches us “of God’s omnipotence and mercy,” the basis of our hope. In this, St. Thomas reflects the Scriptures. The Epistle to the Hebrews underlines the necessity of faith, saying, “Whoever would draw near to God must believe that he exists and that he rewards those who seek him” (Heb 11:6). Try praying an Act of Faith.

3. Pray before praying.

In old breviaries you can find a small prayer that begins, “Open, O Lord, my mouth to bless your Holy Name. Cleanse, too, my heart from all vain, perverse and extraneous thoughts…” I remember finding this slightly amusing– there were prescribed prayers before prescribed prayers! When I reconsidered it, I realized that although it might seem paradoxical, it gives a lesson. Prayer is utterly supernatural, and so it is far beyond our reach. St. Thomas himself notes that God “wishes to bestow certain things on us at our asking.” The prayer above continues by asking God: “Illumine my mind, inflame my heart, that I may worthily, attentively and devoutly recite this Office and merit to be heard in the sight of Your divine Majesty.” The attentiveness and purity of heart needed to attain to God in prayer is itself received as a gift– and we will only receive if we ask.

2. Be intentional.

Merit in prayer– that is to say, whether it brings us closer to heaven– flows from the virtue of charity. And this flows from our will. So to pray meritoriously, we need to make our prayer an object of choice. St. Thomas explains that our merit rests primarily on our original intention in praying. It isn’t broken by accidental distraction, which no human being can avoid, but only by intentional and willing distraction. This also should give us some relief. We need not worry too much about distractions, as long as we don’t encourage them. We realize something of what the Psalmist says, namely, that God “pours gifts on His beloved while they slumber” (Ps 127:2).

1. Be attentive.

Although, strictly, we need only be intentional and not also perfectly attentive to merit by our prayer, it is nevertheless true that our attention is important. When our minds are filled with actual attention to God, our hearts too are inflamed with desire for Him. St. Thomas explains that spiritual refreshment of the soul comes chiefly from being attentive to God in prayer. The Psalmist cries out, “It is your face, O Lord, that I seek!” (Ps 27:8). In prayer, let us never cease to search for His Face.

woensdag, oktober 29, 2014

De heilige Johannes van Capestrano en de liturgiehervorming



Wij hebben hier al herhaaldelijk gewezen op de inhoudelijke verschillen tussen de teksten van beide missaals van de Romeinse ritus. Sint-Johannes van Capestrano (1386-1456), die wij in de gewone vorm op 23 oktober en in de buitengewone vorm op 28 maart vieren, is weer een voorbeeld om deze verschillen duidelijk aan het licht te brengen. De Franciscaanse priester Johannes van Capestrano heeft een belangrijke rol gespeeld bij het weerstaan aan het Ottomaanse Rijk bij wat is komen te heten ‘De slag van Belgrado’ in 1456.

Het is daarom passend dat er in de buitengewone vorm als openingsgebed of collecta staat:
Deus, qui per beatum Joannem fideles tuos in virtute sanctissimi nominis Jesus de crucis inimicis triumphare facisti: praeseta, quaesumus; ut, spiritualium hostium, ejus intercessione, superatis insidiis, coronam justitiae a te accipere mereamur. Per eumdem Dominum nostrum.
God, die uw gelovigen, door de heilige Johannes, in de kracht van de allerheiligste Naam Jezus, over de vijanden van het kruis hebt doen zegevieren, geef, bidden wij U, dat wij, door zijn voorspraak, over de listen van onze geestelijke vijanden zegevieren, zodat wij van U de kroon der gerechtigheid kunnen ontvangen. Door onze Heer.
Hierbij komt nog dat de buitengewone vorm voor 28 maart ook een eigen secreta en postcommunio heeft en dit in tegenstelling tot de gewone vorm waarbij er een keuze is tussen niet minder zes gebeden voor de offerande en de postcommunio. En in deze eigen gebeden in de buitengewone vorm is er opnieuw sprake van de listen van de vijanden (inimicorum insidias) en de kwaadwillige vijand (ab hoste maligno) waartegen de voorspraak van de heilige Johannes van Capestrano de Kerk beschermt.

Lauren Pristas heeft in haar boek The Collects of the Roman Missal. A Comparative Study of the Sundays in Proper Seasons before and after the Second Vatican Council (Bloomsbury, 2013) aangetoond dat één van de richtlijnen voor de herziening van bovenstaand gebed erin bestond de gebeden aan te passen aan de noden van het hedendaagse christelijke leven (accomodentur necessitatis hodiernae vitae christianae; p. 16, voetnoot 44).

Met dit voor ogen is het makkelijk in te zien dat bovenstaand gebed volledig onaangepast is. Vandaag zouden we zeggen dat het gebed absoluut politiek incorrect is. In de context van de dictatuur van het relativisme en het heilsuniversalisme zijn er immers geen vijanden meer van het kruis. Bovendien zijn we zodanig ‘verlicht’ dat we niet meer hoeven te geloven in wezens die ons geestelijk leven met listen proberen te beïnvloeden. En heeft Nostra Aetate ons niet geleerd dat we vriendelijk en lief moeten zijn voor allen die toch dezelfde God aanbidden.

Al deze foutieve meningen kunnen makkelijk weerlegd worden en dit is al meermaals gebeurd maar iedereen die in gesprek komt met (rand-)kerkelijken kan vaststellen dat de praktijk geleid wordt door deze dwalingen.

Men zou zich kunnen afvragen of nieuw geschapen gebed voor de heilige Johannes van Capestrano ook daar niet heeft aan bijgedragen. Want wat lezen we in de collecta van de gewone vorm op 23 oktober:
Deus, qui, ad pópulum fidélem in angústiis confortándum, beátum Ioánnem suscitásti, praesta, quaesumus, ut nos in tuae protectiónis securitáte constítuas, et Ecclésiam tuam perpétua pace custódias. Per Dóminum.
God, Gij hebt de heilige Johannes van Capestrano geroepen om in tijden van bedreiging Uw gelovigen bij te staan en aan te moedigen. Bescherm en beveilig ons, houd ons staande in genade en bewaar Uw kerk in vrede. Door onze Heer.
Nog afgezien van de zeer gebrekkige vertaling (die de gelovigen echter al decennia gehoord en meegebeden hebben) valt op dat
-er geen sprake meer is van voorspraak; een te katholiek begrip wellicht.
-er geen sprake meer is van een objectieve vijand maar van een subjectieve bedreiging; het Latijn ‘angustiis’ is nog subjectiever wanneer het vertaald wordt met ‘nood’.
-ook zijn de vijanden van het kruis, een duidelijke verwijzing naar de Islam, verdwenen
-het geheel is geschreven in een mildere toon

woensdag, oktober 08, 2014

De theologische competentie van de Vaticaanse persdienst

Net als canonist Edward Peters was het ook mij opgevallen dat de theologische helderheid en precisie van de samenvattingen van de Synode-discussies die de Vaticaanse persdienst rondstuurt flink
tekortschiet.
Je hoeft geen canonist te zijn maar een gewone kennis van de catechismus volstaat om in te zien dat er ernstige leerstellige fouten in deze samenvattingen staan.
Hier zijn een aantal voorbeelden van Edward Peters:

I hope it’s the Vatican’s synodal news summaries themselves that are badly phrased. Else, the level of imprecision in comments on marriage matters is very worrisome.

Four examples from today’s VIS 141008:

(A) “First and foremost, the debate focused on the Church in the Middle East and in North Africa. … In these contexts, interreligious or so-called ‘mixed’ marriages are present and on the increase in these contexts …”

Now, the vast majority of marriages between Catholics and non-Catholics in the Middle East and Africa are those contracted with Muslims, Jews, or animists. But to call these marriages “mixed” is to confuse marriages between Catholics and non-Catholic Christians (which are sacramental and are designated “mixed” in Canon 1124) with marriages between Catholics and non-baptized persons which, though presumptively valid, are not sacraments. Entering marriage without the grace of Matrimony is a pastoral challenge quite distinct from entering marriage with those graces (albeit with a spouse not in full communion). The language being reported does not seem to recognize that important fact.

(B) “A further challenge is also represented by those Christians who convert to Islam in order to marry: also in this case, suitable reflection is necessary …”

This phrasing makes little sense. First, Catholics who “convert” to Islam are canonically “apostates” per Canon 751, a state with serious negative implications regardless of one’s matrimonial status. Second, Catholic marriage with any non-baptized person is, unless dispensed, null (Canon 1086), so, whatever the civil relationship is, the Church does not even recognize it as a marriage.

(C) “The question is not simply interreligious, but at times also ecumenical: there are cases in which a Catholic who has contracted a canonical marriage and is not able to obtain a declaration of nullity passes to another Christian confession, remarrying in a Church which permits this …”

More confusion I’m afraid. “Interreligious” and “ecumenical” are distinct concepts and the statement starts off recognizing that, but then it confuses “Christian confession” with (presumably separated) “Church”, leaving one wondering what exactly is being addressed: Protestant confessions or Eastern Orthodox Churches, both of whose approaches to divorce differ between themselves and are serious at odds with Catholic teaching on the permanence of marriage. In any case, the main problem here is one of pastoral care for lapsed Catholics, not theological dialogue about the definition of marriage.

(D) “With regard to the question of divorced and remarried persons, it was highlighted that the Synod must certainly … combine the objectivity of truth with mercy for the person and for his or her suffering. It is necessary to remember that many faithful find themselves in this situation through no fault of their own …”

Setting aside the ambiguous notion of “fault”, one can indeed be divorced through no fault of one’s own. But how can someone be remarried through no fault of one’s own? And is not remarriage after divorce, and not just divorce, what is at issue here? An issue framed with a mistaken premise is not likely to be discussed fruitfully.

Praying for real clarity in true charity.

Ontbreekt het de Vaticaanse persdienst aan theologische basiscompententie? Of erger: zijn deze samenvattingen een accurate weergave van de discussies op de Synode en ontbreekt het de deelnemers aan theologische basiscompetentie?
Is dit het resultaat van het loslaten van het Latijn en het invoeren van het Italiaans als voertaal waarvan de deelnemers uit heel de wereld vaak ook maar een gebrekkige kennis bezitten?

Het doet ons denken aan een bepaling van de H. Paus Johannes XXIII in Veterum sapientia (één van de vele bepalingen die door de 'fans' van Johannes XXIII nooit in de praktijk zijn gebracht) nr. 8:
De taal, die door de Kerk gebruikt moet worden, dient echter niet alleen universeel maar ook onveranderlijk te zijn. Want indien de waarheden van de katholieke Kerk worden overgeleverd door enige of meerdere levende talen van deze tijd, dan zou toch geen enkele ervan de andere in gezag overtreffen; het gevolg hiervan zou zijn dat van de ene kant de betekenis van die waarheden wegens die verschillende talen dan ook niet voor iedereen duidelijk of helder genoeg zou blijken en van de andere kant zou er geen enkele gemeenschappelijke vaste norm zijn, waaraan de betekenis van de waarheid in de andere talen kan worden getoetst.
Zomaar een andere bepaling van Johannes XXIII die vandaag politiek incorrect is, nl. zijn oproep aan de afgescheidenen in Ad Petri Cathedram:
Moge daarom deze wonderbare manifestatie van eenheid, waardoor alleen de katholieke Kerk zich onderscheidt en kenmerkt, mogen de gebeden en smekingen, waardoor zij die eenheid voor allen van God vraagt, indruk op u maken en u op een heilzame wijze beïnvloeden, u die van deze Apostolische Stoel zijt afgescheiden.Sta toe dat Wij u in een dierbaar verlangen broeders en zonen noemen; gun ons de hoop die Wij met gevoelens van vaderlijke liefde koesteren omtrent uw terugkeer.

vrijdag, oktober 03, 2014

De lotgevallen van een citaat: Mons. Dino Staffa en Thomas op Vaticanum II

“Ter verdediging van Sint Thomas staat de toenmalige mons. Dino Staffa, secretaris van de H. Congregatie voor de Seminaries, op. Hij verzet zich tegen de poging het denken van de Aquinaat terzijde te schuiven om meer open te lijken ten aanzien van de hedendaagse wereld: “Zoals het nieuwe dat zich losmaakt van het ware geen vooruitgang is, zo ook is de ijver die de voorheen ontdekte waarheid negeert of verwerpt geen vooruitgang. Want dan zou de wijsbegeerte niets anders worden dan een onvermoeibare en absurde zoektocht die niet het object van haar onderzoek kan vinden, nu niet en niet in de toekomst. [ …] De leer van Sint-Thomas, krachtens het feit dat zij steunt op eeuwige waarheden, is niet eigen aan de middeleeuwen, maar geldig voor alle tijden, voor alle plaatsen ( en niet enkel voor de westelijke landen), en is toegankelijk voor alle mensen in de mate dat ze beantwoordt aan de fundamentele eisen van de menselijke rede.”
Dit citaat kwam ik tegen in het artikel van Michael Konrad, ‘San Tommaso d’Aquino nella recezione del concilio Vaticano II’, in: CVII-Studi e Ricerche VII/2 (2013),  pp. 216-270 het tijdschrift van het Centro Studi e Ricerche sul Concilio Vaticano II van de Pauselijke Lateraanse Universiteit te Rome.

Maar er is wat aan de hand met dit citaat. Konrad verwijst naar de Acta Synodalia III, VIII, 719. Daar is inderdaad een toespraak te vinden van Mons. en later Kardinaal Dino Staffa. Wanneer we zoeken naar het Latijnse origineel vinden we het volgende:
"Ut novum quod dissentit a vero non est progressus, sic pariter progressum non constituit labor qui veritatem iam detectam et probatam ignoret aut respuat, nam secus philosophia nihil aliud fieret quam absurda investigatio assidua et inutilis, quin posset, nunc vel inposterum, inquisitionis suae obiectum invenire."
Dit stemt inderdaad overeen met de Italiaanse vertaling die Konrad geeft en waarvan ik de Nederlandse vertaling boven heb gegeven.

Maar de rest van het citaat van Konrad, te beginnen met “De leer van Sint-Thomas” vinden we pas onderaan p. 719. Konrad voegt terecht […] om aan te geven dat hij een stuk tekst overslaat. Onderaan p. 719 lezen we: “Non absque ratione, docet Paulus VI f.r., S. Thomas salutatus fuit homo omnium horarum [NU BEGINT DE TEKST DIE KONRAD AANHAALT]. Doctrina enim sua, quae in essentia innitur rerum, ideoque in earum certa et immutabilii veritate, nec medii aevi est nec determinatae gentis propria, sed tempus et spatium transcendit, ita ut minus valida non sit pro nostrae aetatis hominibus.”

Dit is dus niet een tekst van Mons. Staffa maar, zoals Staffa zelf aangeeft, een citaat uit een brief van 7 maart 1964, te vinden in AAS 56 (1964), p. 304 waar inderdaad Paulus VI aan de magister-generaal van de Predikheren, Aniceto Fernandez, een brief in het Engels schrijft ter bedanking voor de overhandiging van een nieuw volume in de kritische editie van Sint-Thomas. Daar lezen wij:
“Not without reason he has been hailed as the ‘man of every hour’. His philosophical knowledge, which reflects the essences of really existing things, in their certain and unchanging truth, is neither medieval nor proper to any particular nation; it transcends time and space and is no less valid for humanity in our day.”

Vatten we nog eens samen wat er gebeurd is:
1/Konrad beweert een Italiaanse vertaling te geven van een citaat van Mons. Dino Staffa waaruit zou moeten blijken dat Staffa zich verzet tegen het terzijde schuiven van Thomas om meer open te lijken voor de hedendaagse wereld.
2/Deze Italiaanse vertaling is gedeeltelijk foutief; Staffa zegt bv. niet “en niet enkel voor de westelijke landen” maar vooral: Konrad schrijft een uitspraak toe aan Staffa die in feite afkomstig is van Paus Paulus VI.
3/Maar ook Staffa maakt een fout door het Engelse origineel “philosophical knowledge” te vertalen als “doctrina”
4/Het punt dat Mons. Staffa wil maken is NIET dat er een tegenstelling bestaat tussen Thomas en openheid of tussen Thomas en de hedendaagse wereld  zoals Konrad suggereert met zijn inleidende zin. Staffa wil enkel aanduiden dat vooruitgang op waarheid moet gebaseerd zijn en dat Thomas geen relict is.
5/Zelfs in de veronderstelling dat de intentie van Konrad goed is blijft het feit wel staan dat hij een citaat aan Staffa toeschrijft wat eigenlijk van Paus Paulus VI afkomstig is. Het is natuurlijk niet in het voordeel van aanhangers van een clash tussen ‘conservatieven’ en ‘open geesten’ over Thomas dat Paus Paulus VI zich schaart bij de conservatieven.

Kardinaal Dino Staffa
 
Besluit: Dit voorval bevestigt nog eens dat 1/elke referentie moet gecontroleerd worden in de bronnen zelf 2/hoe makkelijk het is bronnen te manipuleren