dinsdag, juni 29, 2010

Hoe niet te evangeliseren

Dat de evangelisatie langs de zintuigen gaat, is vanuit de thomistische visie over de eenheid van lichaam en ziel evident. Indien echter de wereld, het zintuiglijke, dat binnensluipt in de Kerk niet deze mensvisie heeft maar de moderne, cartesiaanse, 'sola anima' mensvisie, dan krijg je modernisme in alle onderdelen van het kerkelijk leven en dus ook in de wijze waarop kerkgebouwen worden gebouwd of 'aangepast' aan de 'nieuwe tijd'.

Dat het ook anders kan, ook vandaag, wordt bewezen door onderstaande nieuwe kerk van St. Anthony's High School in South Huntington, New York (via NLM).


Contrasteer dit met onderstaande nieuwe kerk in een Nederlands bisdom

maandag, juni 14, 2010

Memoriale Domini

Memoriale Domini, de beruchte instructie van de Congregatie voor de Eredienst uit 1969, is eindelijk in het Nederlands vertaald (zie hier)

De aandachtige lezing van de inhoud en opbouw van dit document, waarbij de handcommunie als indult werd toegestaan aan die bisschoppenconferenties die erom vroegen, licht een tipje van de sluier op van de kerkpolitieke intriges die eraan vooraf zijn gegaan. Meer informatie uit onverdachte hoek is te vinden in A. Bugnini's Die Liturgiereform 1948-1975. Zeugnis und Testament (Herder, Freiburg 1988), pp. 673-694.
Daar lezen we dat het 'Consilium' zelf in de documentatie voor paus Paulus VI schrijft dat er "besteht eine breite absolue Mehrheit gegen die neue Praxis" en dat de oplossing de handcommunie toe te staan "[wäre] gegen die Mehrheit der Bischöfe und würde den Ungehorsam belohnen und ernsten Unzuträglichkeiten Tür und Tor öffnen" (pp. 688-689).
Paus Paulus VI noteert daarop: "Man muss sich bewusst sein, dass der Brauch -oder Missbrauch- der Handkommunion in einigen Gegenden schon weit verbreitet ist, und dass die Bischöfe, z. B. Kardinal Suenens, nicht glauben, dass man ihn abstellen kann." (p. 690)

Daarentegen, voor een stellingname, ontdaan van elke kerkpolitieke beschouwing, maar gericht op het wezen van de zaak, zie de commentaar van het Bureau voor de Liturgisch Vieringen van de Paus onder leiding van Mons. Guido Marini (die Sint-Thomas gelezen heeft):

"De oudste praktijk van verdeling van de Communie bestond, naar alle waarschijnlijkheid, erin de Communie in de palm van de hand van de gelovigen te leggen. De geschiedenis van de liturgie getuigt echter ook van het proces, -dat al vrij snel begint-, om deze praktijk te veranderen. Vanaf de tijd van de Vaders ontstaat en zet zich door een tendens om de uitdeling van de Communie op de hand steeds meer te beperken en de voorkeur te geven aan de uitdeling op de tong. De reden voor deze voorkeur is dubbel: enerzijds de verspreiding van de eucharistische fragmenten zo veel mogelijk voorkomen; anderzijds de groei van de devotie van de kant van de gelovigen ten aanzien van de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in het sacrament bevorderen.

Ook Sint-Thomas van Aquino verwijst naar het gebruik de Communie enkel op de tong te ontvangen wanneer hij bevestigt dat de uitdeling van het Lichaam van Christus enkel toebehoort aan de gewijde priester. Dit omwille van diverse redenen, onder andere de eerbied voor het sacrament dat “ door niemand die niet gewijd is wordt aangeraakt. Daarom worden het corporale, de kelk en ook de handen van de priester gewijd, nl. om dit sacrament te kunnen aanraken. Het is dus niemand anders toegestaan het sacrament aan te raken, behalve in geval van noodzaak, bv. indien het op de grond zou vallen of in andere gelijkaardige gevallen (Summa Theologiae III, 82, 3).

Doorheen de eeuwen heeft de Kerk steeds geprobeerd om het moment van de Communie met sacraliteit en de hoogste waardigheid aan te duiden en dit door constant de beste wijze van uiterlijke gebaren te ontwikkelen die de zin van het grote sacramentele mysterie zou bevorderen. Vanuit Haar pastorale zorg en liefde draagt de Kerk ertoe bij dat de gelovigen de Eucharistie met de vereiste instelling kunnen ontvangen. Dit houdt in het begrijpen en inwendig beschouwen van de werkelijke aanwezigheid van Diegene die men gaat ontvangen (Katechismus van Pius X, nrs. 628 en 636).

Onder de tekenen van devotie die eigen zijn aan de communicanten heeft de Kerk van het Westen tevens het knielen vastgelegd. Een beroemde uitdrukking van Sint-Augustinus, welke hernomen wordt  in nr. 66 van Sacramentum Caritatis van Benedictus XVI, zegt: “niemand eet dit vlees [ het Eucharistisch Lichaam] zonder het eerst te aanbidden; wij zouden zondigen door het niet te aanbidden" (Enarrationes in Psalmos 98, 9). Deze noodzakelijke aanbidding, voorafgaand aan het ontvangen van de Eucharistische Christus, is de betekenis van het knielen en wordt bevorderd door het knielen.

Vanuit dit perspectief heeft de toenmalige kardinaal Ratzinger verzekerd dat “de Communie haar diepte enkel bereikt wanneer zij ondersteund en begrepen wordt vanuit de aanbidding” (Inleiding tot de geest van de liturgie, Cinisello Balsamo, San Paolo 2001, p. 86). Daarom stelde hij dat “in het voordeel van de praktijk van het knielen voor de heilige Communie spreken eeuwen van traditie en het is een teken van aanbidding dat op bijzondere wijze uitdrukking geeft aan en helemaal gepast is in het licht van de ware, werkelijke en substantiële aanwezigheid van Onze Heer Jezus Christus in de gewijde gedaanten.” (geciteerd in de brief “This Congregation” van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Discipline van de Sacramenten van 1 juli 2002; EV 21, nr. 666).

In zijn laatste encycliek, Ecclesia de Eucharistia, schreef Johannes Paulus II in nr. 61: “Door aan de Eucharistie alle belang toe te kennen die zij verdient en door met grote aandacht ervoor te waken niets van haar dimensie of aanspraak af te doen laten we zien dat we ons werkelijk bewust zijn van de grootheid van deze gave. Een ononderbroken overlevering nodigt ons daartoe uit, die vanaf de eerste eeuwen getuigt van de waakzaamheid van de christelijke gemeente met betrekking tot het bewaren van deze 'schat'…. Er bestaat geenszins het gevaar in de zorg voor dit mysterie te overdrijven, aangezien "in dit sacrament het hele geheim van ons heil is samengevat"”

In continuïteit met het onderricht van zijn Voorganger is de Heilige Vader Benedictus XVI, ten beginne met het Hoogfeest van Corpus Christi, begonnen met het uitdelen aan de gelovigen van het Lichaam van de Heer direct op de tong en al knielend." (Vertaling: Summa Catholica)


Of zoals Mons. Guido Marini het zelf zegt: "Come si sa la distribuzione della Santa Comunione sulla mano rimane tutt’ora, dal punto di vista giuridico, un indulto alla legge universale, concesso dalla Santa Sede a quelle Conferenze Episcopali che ne abbiano fatto richiesta. E ogni fedele, anche in presenza dell’eventuale indulto, ha diritto di scegliere il modo secondo cui accostarsi alla Comunione. Benedetto XVI, cominciando a distribuire la Comunione in bocca e in ginocchio, in occasione della solennità del “Corpus Domini” dello scorso anno, in piena consonanza con quanto previsto dalla normativa liturgica attuale, ha inteso forse sottolineare una preferenza per questa modalità. D’altra parte si può anche intuire il motivo di tale preferenza: si mette meglio in luce la verità della presenza reale nell’Eucaristia, si aiuta la devozione dei fedeli, si introduce con più facilità al senso del mistero."

donderdag, juni 10, 2010

Vaticanum II en het Heilig Hart

Uit de brief Diserti interpretes van Paulus VI aan oversten van instituten die toegewijd zijn aan het Heilig Hart van Jezus (25 mei 1965)

"Zoals immers iedereen weet is de eerste bedoeling van het concilie, dat op alle terreinen en sectoren van het christelijk leven een vernieuwing van het publiek en persoonlijk handelen wordt bereikt en daartoe heeft het concilie het glanzend mysterie van de heilige Kerk in het licht gesteld. Dit geheim echter kan men niet juist begrepen, wanneer de harten zich niet richten op die eeuwige liefde van het mensgeworden Woord, waarvan Zijn gewond Hart zo een duidelijk teken is.

Zoals wij immers lezen in de dogmatische constitutie van het concilie over dit onderwerp groeit de Kerk, “reeds in mysterie aanwezig, in de wereld door de kracht van God. Dit begin en deze groei worden verzinnebeeld door het bloed en het water, vloeiend uit de geopende zijde van de gekruisigde Jezus (Lumen gentium, nr. 3). Inderdaad de Kerk is geboren uit het doorstoken Hart van de Verlosser en zij wordt erdoor gevoed, want Christus “heeft zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen, haar reinigend door het waterbad met het woord” (Ef. 5, 25-26).

Het is dan ook waarlijk noodzakelijk, dat de gelovigen zowel in de gevoelens van hun persoonlijk godsdienstig leven als in uitingen van de openbare eredienst dit Hart, uit wiens volheid wij allen ontvangen hebben, hun eer betuigen.  

Van Hem kunnen zij op volmaakte wijze leren, hoe zij moeten leven om juist te beantwoorden aan de eisen van deze tijd. 
Hier immers, wij bedoelen in het Hart van Jezus, vinden wij de bron en het beginsel van de heilige liturgie, want Hij is de heilige tempel Gods, vanwaar naar de eeuwige Vader het offer van verzoening opstijgt, waardoor Hij in staat is voor altijd hen te redden, die door zijn tussenkomst tot God willen naderen (Hebr, 7, 25).

Hier vindt de Kerk ook het verlangen om alle middelen en wegen te zoeken, die onze gescheiden broeders doen komen tot de volle eenheid rond de stoel van Petrus, die zelfs ook degenen, die niet christen zijn, met ons “doen kennen de enig ware God en Hem, die Hij gezonden heeft, Jezus Christus” (Joh. 17, 3).

De pastorale ijver immers en de missionaire verlangens zullen dan juist branden, wanneer priesters en leken omwille van Gods eer, met het voorbeeld van de eeuwige liefde, die Christus ons betoonde, voor ogen, hun krachten zullen geven om de ondoorgrondelijke rijkdommen van Christus aan allen bekend te maken.
Wij weten allen, dat daar juist de grote verlangens liggen, die het oecumenisch concilie met vooruitziende blik en niet zonder de hulp van de Heilige Geest in de harten van de gelovigen oproept. Bij al onze pogingen nu, om op gelukkige wijze te verwerkelijken wat wij hopen, moeten wij telkens opnieuw aan de Goddelijke Verlosser vragen om de kracht en het licht, omdat Zijn doorstoken Hart zulke krachtige motieven verschaft om dit te verwezenlijken.

Voor eerdere bijdragen over het H. Hart, zie hier
Voor enkele gebeden zie hier

Een Zalig Hoogfeest!

zondag, juni 06, 2010

Paus Benedictus XVI over de betekenis van het kruis

Paus Benedictus over de betekenis van het kruis (Nicosia, 5 juni 2010; Bron: www.vatican.va)

Dear brothers and sisters in Christ,
The Son of Man must be lifted up, so that whoever believes in him may have eternal life (cf. Jn 3:14-15). In this Votive Mass we adore and praise our Lord Jesus Christ, because by his Holy Cross he has redeemed the world. Through his death and resurrection he has thrown open the gates of heaven and he has prepared a place for us, so that we, his followers, may be granted a share in his glory.
In the joy of Christ’s saving victory, I greet all of you gathered here in Holy Cross Church and I thank you for your presence. I greatly appreciate the warmth of the reception you have given me. I am particularly grateful to His Beatitude the Latin Patriarch of Jerusalem for his words of welcome at the beginning of Mass and for the presence of the Father Custos of the Holy Land. Here in Cyprus, a land that was the first port of call on Saint Paul’s missionary journeys across the Mediterranean, I come among you today, following in the great Apostle’s footsteps, to strengthen you in your Christian faith and to preach the Gospel that offers life and hope to the world.

The focus of our celebration today is the Cross of Christ. Many might be tempted to ask why we Christians celebrate an instrument of torture, a sign of suffering, defeat and failure. It is true that the Cross expresses all these things. And yet, because of him who was lifted up on the Cross for our salvation, it also represents the definitive triumph of God’s love over all the evil in the world.
There is an ancient tradition that the wood of the Cross was taken from a tree planted by Adam’s son Seth over the place where Adam was buried. On that very spot, known as Golgotha, the place of the skull, Seth planted a seed from the tree of the knowledge of good and evil, the tree in the midst of the Garden of Eden. Through God’s providence, the work of the Evil One would be undone by turning his own weapons against him.

Beguiled by the serpent, Adam had foresaken his filial trust in God and sinned by biting into the fruit of the one tree in the garden that was forbidden to him. In consequence of that sin, suffering and death came into the world. The tragic effects of sin, suffering and death were all too evident in the history of Adam’s descendants. We see this in our first reading today, with its echoes of the Fall and its prefiguring of Christ’s redemption.

As a punishment for their sin, the people of Israel, languishing in the desert, were bitten by serpents and could only be saved from death by looking upon the emblem that Moses raised up, foreshadowing the Cross that would put an end to sin and death once and for all. We see clearly that man cannot save himself from the consequences of his sin. He cannot save himself from death. Only God can release him from his moral and physical enslavement. And because he loved the world so much, he sent his only-begotten Son, not to condemn the world – as justice seemed to demand – but so that through him the world might be saved. God’s only-begotten Son had to be lifted up just as Moses lifted up the serpent in the desert, so that all who looked upon him with faith might have life.
The wood of the Cross became the vehicle for our redemption, just as the tree from which it was fashioned had occasioned the Fall of our first parents. Suffering and death, which had been a consequence of sin, were to become the very means by which sin was vanquished. The innocent Lamb was slain on the altar of the Cross, and yet from the immolation of the victim new life burst forth: the power of evil was destroyed by the power of self-sacrificing love.

The Cross, then, is something far greater and more mysterious than it at first appears. It is indeed an instrument of torture, suffering and defeat, but at the same time it expresses the complete transformation, the definitive reversal of these evils: that is what makes it the most eloquent symbol of hope that the world has ever seen. It speaks to all who suffer – the oppressed, the sick, the poor, the outcast, the victims of violence – and it offers them hope that God can transform their suffering into joy, their isolation into communion, their death into life. It offers unlimited hope to our fallen world.

That is why the world needs the Cross. The Cross is not just a private symbol of devotion, it is not just a badge of membership of a certain group within society, and in its deepest meaning it has nothing to do with the imposition of a creed or a philosophy by force. It speaks of hope, it speaks of love, it speaks of the victory of non-violence over oppression, it speaks of God raising up the lowly, empowering the weak, conquering division, and overcoming hatred with love. A world without the Cross would be a world without hope, a world in which torture and brutality would go unchecked, the weak would be exploited and greed would have the final word. Man’s inhumanity to man would be manifested in ever more horrific ways, and there would be no end to the vicious cycle of violence. Only the Cross puts an end to it. While no earthly power can save us from the consequences of our sins, and no earthly power can defeat injustice at its source, nevertheless the saving intervention of our loving God has transformed the reality of sin and death into its opposite. That is what we celebrate when we glory in the Cross of our Redeemer. Rightly does Saint Andrew of Crete describe the Cross as “more noble, more precious than anything on earth […] for in it and through it and for it all the riches of our salvation were stored away and restored to us” (Oratio X; PG 97, 1018-1019).

Dear brother priests, dear religious, dear catechists, the message of the Cross has been entrusted to us, so that we can offer hope to the world. When we proclaim Christ crucified we are proclaiming not ourselves, but him. We are not offering our own wisdom to the world, nor are we claiming any merit of our own, but we are acting as channels for his wisdom, his love, his saving merits. We know that we are merely earthenware vessels, and yet, astonishingly, we have been chosen to be heralds of the saving truth that the world needs to hear. Let us never cease to marvel at the extraordinary grace that has been given to us, let us never cease to acknowledge our unworthiness, but at the same time let us always strive to become less unworthy of our noble calling, lest through our faults and failings we weaken the credibility of our witness.

In this Year for Priests, let me address a special word to the priests present today, and to those who are preparing for ordination. Reflect on the words spoken to a newly ordained priest as the Bishop presents him with the chalice and paten: “Understand what you do, imitate what you celebrate, and conform your life to the mystery of the Lord’s Cross”. As we proclaim the Cross of Christ, let us always strive to imitate the selfless love of the one who offered himself for us on the altar of the Cross, the one who is both priest and victim, the one in whose person we speak and act when we exercise the ministry that we have received. As we reflect on our shortcomings, individually and collectively, let us humbly acknowledge that we have merited the punishment that he, the innocent Lamb, suffered on our behalf. And if, in accordance with what we have deserved, we should have some share in Christ’s sufferings, let us rejoice because we will enjoy a much greater gladness when his glory is revealed.

In my thoughts and prayers I am especially mindful of the many priests and religious in the Middle East who are currently experiencing a particular call to conform their lives to the mystery of the Lord’s Cross. Through the difficulties facing their communities as a result of the conflicts and tensions of the region, many families are taking the decision to move away, and it can be tempting for their pastors to do likewise. In situations of this kind, though, a priest, a religious community, a parish that remains steadfast and continues to bear witness to Christ is an extraordinary sign of hope, not only for the Christians but for all who live in the region. Their presence alone is an eloquent expression of the Gospel of peace, the determination of the Good Shepherd to care for all the sheep, the Church’s unyielding commitment to dialogue, reconciliation and loving acceptance of the other. By embracing the Cross that is held out to them, the priests and religious of the Middle East can truly radiate the hope that lies at the heart of the mystery we are celebrating in our liturgy today.

Let us all take heart from the words of our second reading today, which speak so beautifully of the triumph that was in store for Christ after his death on the Cross, a triumph in which we are invited to share. “For God raised him high and bestowed on him the name which is above every name, that at the name of Jesus every knee should bow in heaven and on earth and under the earth” (Phil 2:9-10).
Ναι, αγαπητές εν Χριστώ αδελφές και  αγαπητοί αδελφοί,εμάς δε μή γένοιτο καυχάσθαι ει μή εν τώ σταυρώ του Κυρίου ημών Ιησού Χριστού (cf. Gal 6:14).  Αυτος ειναι η σωτηρία, η ζωή και η ανάστασις. Δια μέσου αυτου εσωθήκαμε και ελευθερωθήκαμε. [1]

 

[1] Yes, beloved brothers and sisters in Christ, far be it from us to glory except in the cross of our Lord Jesus Christ (cf. Gal. 6:14). He is our life, our salvation and our resurrection; through him we are saved and set free.

zaterdag, mei 22, 2010

Vragen bij enkele oraties in beide missaals van de éne Romeinse Ritus

In deze bijdrage zetten wij onze vergelijkende analyse van de Buitengewone Vorm en de Gewone Vorm verder. Eerder schreven we al over het nieuwe lectionarium, de kalenderhervorming, de oraties in het algemeen en bij wijze van voorbeeld  Sint-Albertus en heiligen en engelen.

In deze bijdrage stellen we ons enkele vragen betreffende de thematiek van de oraties. Het doel van deze en de andere bijdragen is om een veelgehoorde mening te ontkrachten. Vaak hoort men zélfs zij die de Gewone Vorm praktiseren toegeven de Romeinse Ritus volgens het Missaal van de Zalige Johannes XXIII beter in staat is om het mysterie tot uitdrukking te brengen. En men verwijst dan graag naar het Latijn en Gregoriaans, de uitgebreide riten, en allerlei esthetische aspecten (gewaden, wierook, etc.). Wij willen dit niet ontkennen, integendeel. Maar vaak voegen deze voorstanders er meteen aan toe dat de Gewone Vorm, gevierd ad Orientem, in het Latijn en met Gregoriaans en gelijkaardige, esthetische aspecten dit ook kan doen. Dit willen wij op het eerste zicht ook niet ontkennen, ten minste bij een oppervlakkig 'volgen' van de H. Mis door de gelovigen.

Bij nader toezien echter -en dit is onze centrale stelling- en via een vergelijkende analyse van beide missaals kan men duidelijk zien dat het hier twee, soms wezenlijk, verschillende liturgische boeken betreft. De oorzaak ligt niet enkel in het gebrek aan organische groei van de Novus Ordo maar ook in het verwaarlozen van centrale delen van de katholieke geloofsbelijdenis in het missaal van Paulus VI. Meest berucht in dit opzicht is de wijziging van nr. 7 van de Algemene Inleiding tot het Missaal van 1969. Maar dit is een verhaal apart.

Dit verwaarlozen kunnen we illustreren aan de hand van bv. volgende vragen en een selectie van antwoorden:


Zijn er nog dwalenden in de Novus Ordo ?
(vertalingen van de Novus Ordo volgens het missaal van de Vereniging voor Latijnse Liturgie)


27 april, Petrus Canisius

“ut ejus exemplis et monitis errantes ad salutem resipiscant”: “opdat door zijn voorbeeld en leer de dwalenden mogen terugkeer tot het heil”

dit wordt:

“ut, qui veritatem quaerunt, te Deum prudenter inveniant”: “dat allen die op zoek zijn naar de waarheid U, God, vol vreugde vinden”

13 mei, Robertus Bellarminus, verplaatst naar 17 september

“Deus qui ad errorum insidias repellendas et Apostolicae Sedis jura propugnanda,., ut nos in veritatis amore crescamus et errantium corda ad Ecclesiae tuae redeant unitatem...": "God, die om de hinderlagen van de dwalingen te verijdelen en de rechten van de Apostolische Stoel te verdedigen…, opdat wij mogen groeien in de liefde tot de waarheid en dat de harten van de dwalenden tot de eenheid van uw Kerk terugkeren”

dit wordt:

“" Deus qui ad tuae fidem Ecclesiae vindicandam beatum Robertum... ut populus tuus ejusdem fidei semper integritate laetetur ": God, om het geloof van uw Kerk te verdedigen…dat uw volk altijd vreugde vindt in het behoudt van dit geloof”

28 mei, Augustinus van Canterbury

" Deus qui Anglorum.. Verae fidei luce illustrare dignatus es,… errantium corda ad veritatis tuae redeant unitatem,.. ": “God, die het Engelse Volk hebt gewaardigd te verlichten met het licht van het ware geloof…Wil … de harten van de dwalenden doen terugkeren tot de eenheid in Uw waarheid…

dit wordt:

“Anglorum gentes ad Evangelium perduxisti… ut eius laborum fructus in Ecclesia tua perenni fecunditate persistant”: “de volkeren van Engeland tot het Evangelie gebracht…laat zijn apostolische arbeid altijd vrucht blijven dragen in uw Kerk”

3 juli, Ireneüs van Lyon, verplaatst naar 28 juni

" Deus, qui beato Irenaeo...tribuisti ut et veritate doctrinae expugnaret haereses,.. ": “God, die aan de heilige Ireneüs… hebt verleend door de waarheid van zijn leer de ketterijen te doen overwinnen…”

dit wordt:

“Deus, qui beato Irenaeo…tribuisti, ut veritatem doctrinae pacemqua Ecclesiae feliciter confirmasti”: “God, Gij hebt de heilige Ireneüs gemaakt tot een krachtig verdediger van de ware leer en van de vrede in uw Kerk…”

Zijn er nog zonden, is er nog boete, bekering in de Novus Ordo

8 augustus, Pastoor van Ars, verplaatst naar 4 augustus

“…qui sanctum Joannem Mariam pastorali studio et jugi orationis ac paenitentiae ardore mirabilem effecisti…”: “die de heilige Johannes Maria gemaakt hebt tot een wonder van herderlijke ijver en standvastig vuur voor het gebed en de boete”

dit wordt:

“qui sanctum Joannem Mariam presbyterum pastorali studio mirabilem effecisti…”: “de heilige pastoor van Ars tot een toonbeeld van pastorale inzet en ijver.”

10 augustus, H. Laurentius

" Da nobis quaesumus omnipotens Deus : vitiorum nostrorum flammas exstinguere ; qui beato Laurentio tribuisti tormentorum suorum incendia superare ": “Wij vragen U, almachtige God, doe ons het vuur van onze verkeerde neigingen uitdoven, zoals Gij de heilige Laurentius over de gloed van het marteltuig hebt doen zegevieren”

dit wordt:

“Deus, cuius caritatis ardore beatus Laurentius servitio claruit fidelis et martyrio gloriosus, fac nos amare quod amavit, et opera exercere quod docuit.”: “God, Gij hebt het vuur van uw liefde doen branden in de heilige Laurentius, die een stralend licht is geworden door zijn trouwe dienst als diaken en zijn glorievolle marteldood. Doe ons liefhebben wat hij heeft liefgehad en metterdaad volbrengen wat hij heeft geleerd.”

Donderdag na Aswoensdag

“Deus qui culpa offenderis, paenitentia placaris... flagellatuae iracundiae, quae pro peccatis nostris meremur, averte ": “God, gij wordt door onze zonden beledigd, maar door onze boete weer verzoend… keer van ons af de slagen van uw toorn, die wij om onze zonden verdienen."

dit wordt:

“Largire nobus, quaesumus, Domine, simper spiritum cogitandi quae recta sunt, promptius et agenda, ut, qui sine te esse non possumus, secundum te vivere valeamus.”: “Heer, wij vragen U: help ons altijd bedacht te zijn op het goede en dit bereidwillig te volbrengen. Laat ons die zonder U niet kunnen bestaan een leven leiden overeenkomstig uw wil”

Heilig Hart

“Deus, qui nobis in Corde Filii tui, nostris vulnerato peccatis, infinitos dilectionis thesaurus misericorditer largiri dignaris: concede, quaesumus, ut illi devotum pietatis nostrae praestantes obsequium, dignae quoque satisfactionis exhibeamus officium”: “God, Gij gewaardigt U ons in het Hart van Uw Zoon, gewond door onze zonden, [zie de uitspraak van Benedictus XVI over het seksueel misbruik anno 2010] de oneindige schatten van uw liefde barmhartig ter beschikking te stellen. Wij vragen U, zorg dat wij, die Hem onze liefdevolle en toegewijde onderdanigheid betuigen, ook onze plicht van waardig eerherstel vervullen.”

dit wordt:

“Concede, quaesumus, omnipotens Deus, ut qui, dilecti Filii tui Corde gloriantes, eius praecipua in nos beneficia recolimus caritatis, de illo donorum fonte caelesti supereffluentem gratiam mereamur accipere.”: “Almachtige God, wij herdenken de wonderen van Jezus’ liefde jegens on bij deze viering van het Hart van uw beminde Zoon. Wij bidden U: laat ons uit deze bron van genade uw gaven in overvloed ontvangen.

donderdag, mei 13, 2010

De zwanenzang van Piero Marini

Nu met veel bombarie de Nederlandse vertaling van Piero Marini's boek uit 2007 'A Challenging Reform: Realizing the Vision of the Liturgical Renewal' wordt aangekondigd (zie hier), uitgegeven door de Abdij van Berne (bekend van hun voorliefde voor het 'betere' Nederlandstalige lied) en vertaald door Prof. Jozef Lamberts, is het goed even terug te blikken naar reacties op de Engelstalige editie.
Dr. Alcuin Reid schrijft over dit boek:

"Let us be clear: this publication is a partisan response to what Marini terms “a tendency to return to a preconciliar mindset that has for years now characterised the Curia’s approach”. This perceived trend, some liturgists believe, has gained considerable momentum in this pontificate. The book is also an act of filial homage by Marini to his mentor, Bugnini. Marini was at Bugnini’s side in the work of reform from the outset while still a young deacon and priest. It is a pity that their close personal association is not clearly acknowledged or discussed here.Nevertheless, the book is significant because for the first time the political manoeuvring and motivations of Bugnini and Lercaro et al as they sought rapidly to bring about “a liturgy that would be more pastoral and open to the needs of the contemporary world” are openly discussed.
What is clear is that the implementation of the liturgical reform was politicised from the beginning. The “enemy”, the Congregation for Rites, which was responsible for the liturgy after the Council of Trent, “was still firmly anchored to a limited tradition since the Council of Trent and not in favour of the broad innovations desired by the Council.”
Whether the Council desired any such thing is a moot point. Nevertheless, we are told that the Curia and Congregation for Rites “were in no way suited for the implementation of the Vatican II reform. It was likely that the radical nature of the liturgical reform promoted by the Constitution on the Liturgy was not fully appreciated by the Curia.”
Hence it was necessary to establish a body that did appreciate this but which also had independence of the Curia. This took time and political effort on the part of Bugnini and Lercaro and the most fascinating facet of this book is Marini’s account of the ensuing intrigues as they wrestled to ensure for themselves exclusive authority and the interpretation implementation of Sacrosanctum Concilium. Eventually, when Paul VI’s personal support had been harnessed, Marini was able to boast that it was the “Consilium that had the upper hand.”
And so Marini can rejoice that “the support of the Pope and the collaboration of those forces that had long awaited the liturgical renewal” combined to make it “possible for the Consilium to begin to produce the new revised rites.” This relied on “two crucial further factors: the efficient functioning of the Consilium and the marginalisation of the Congregation of Rites.” The Consilium was “competent, international, collegial, efficient, and unconstrained by precedent,” he claims, and “was greatly aided by the direct access of the president and secretary to the Pope.” Furthermore, “its innovative approach to reform which was closer to reality and more suitable for implementing a liturgical renewal able to fulfil the desire of Vatican II by meeting the needs of the modern world.”"

Daarom is het begrijpelijk dat Piero Marini een klaagzang houdt op wat hij beschouwt als de "nostalgie", vooral bij jonge priesters. (Voor een gelijkaardige klaagzang in ons taalgebied, zie Evert P. de Jong in Tijdschrift voor Liturgie 92 (2008) pp. 252 e.v.).

Uit de bespreking van George W. Rutler in het nummer van maart 2008 van First Things lezen we dat Marini schrijft: "In order to renew the liturgy, it was not enough to issue new directives; it was also necessary to change the attitudes of both the clergy and the lay faithful to enable them to grasp the purpose of the reform. "
Elders in deze bespreking schrijft George Rutler: "There are no grays in the book: Champions like Lercaro, Giobbe, and Larraone were "brilliant" and "charismatic" and "progressive," while anonymous members of the Congregation for Rites were "anchored in the past" and often "overplayed their hand.""

En ook nog in deze bespreking valt te lezen:
"Marini fuels the suspicions of conspiracy theorists by admitting: "Unlike the reform after Trent," the liturgical reform after Vatican II "was all the greater because it also dealt with doctrine.""

Kortom, historisch een zeer interessant boek, zo lijkt het, maar inhoudelijk voorbijgestreefd.

Beklagenswaardig is vooral dat met deze Nederlandse vertaling opnieuw de weg van de eenzijdigheid gekozen wordt. We herinneren eraan dat de basiswerken van de Nieuwe Liturgische Beweging in de Nederlandse taal zoals de Ordo Missae van de Buitengewone Vorm, kardinaal Ratzingers "De geest van de liturgie" en Uwe Michael Langs "Conversi ad Dominum" er NIET zijn gekomen op initiatief van 'katholieke' uitgeverijen of academische instanties maar van weldenkende individuen die begaan zijn met de verstandelijke en geestelijke ontwikkeling van de gelovigen.
Hoelang moeten we nog wachten op vertalingen van andere klassiekers van Marchetto, Gherardini, Reid, Gamber, en anderen?
Het blijvend éénzijdig benaderen van de liturgie-hervorming, tegen de kerkelijke en culturele ontwikkeling ingaande, kan niet anders beschouwd worden als een misbruik van het verstand en de ziel van de gelovigen.

zaterdag, mei 08, 2010

Kardinaal Alfredo Ottaviani over een andere, maar even belangrijke, vorm van misbruik

 Wij publiceren hier onze vertaling uit het Latijn van een schrijven van kardinaal Alfredo Ottaviani (29 oktober 1890-3 augustus 1979), gedateerd 24 juli 1966 en gericht aan de Bisschoppenconferenties. Deze vertrouwelijke brief vroeg o.a. aan de Bisschoppenconferenties om de Congregatie in te lichten omtrent dwalingen inzake een tien-tal thema's. Aangezien deze brief echter uitlekte (zie voetnoot onderaan onze vertaling), werd deze gepubliceerd in de Acta Apostolica Sedis.
De actuele waarde van deze brief heeft betrekking op het misbruik van de zielen van de gelovigen door nalatigheid en de dringende noodzaak van een hermeneutiek van de continuïteit

Om deze brief te situeren, geven we enkele feiten en teksten uit de onmiddellijke voorgeschiedenis.
A) 11 oktober 1962, Gaudet Mater Ecclesia: Openingstoespraak van Vaticanum II van de Zalige Paus Johannes XXIII

"Wat onze tijd betreft maakt de Bruid van Christus echter liever gebruik van het geneesmiddel der bamihartigheid dan van de wapenen der gestrengheid; meer dan door te veroordelen wil zij de noden van deze tijd tegemoet komen door te wijzen op de kracht van haar leer. Niet omdat er geen valse leer, geen gevaarlijke meningen en begrippen zouden bestaan, waarvoor men zich moet hoeden en die men moet bestrijden; maar omdat zij alle zo duidelijk in strijd zijn met de juiste zedelijke normen en zulke verderfelijke vruchten opleveren, dat de mensen deze thans reeds uit zichzelf veroordelen, namelijk vooral die levensvormen, die God en Zijn wetten verachten, die al teveel vertrouwen doen stellen in de technische vooruitgang en die naar een voorspoed streven, welke uitsluitend op de gemakken van het leven gericht is."

Dit fragment riep bij velen het idee op dat veroordelingen door de Kerk niet meer van deze tijd waren en werd, ook door bisschoppen, ingeroepen als voorwendsel tot het zich niet kwijten van hun taak.

B) 25 december 1964: Kersttoespraak van Paus Paulus VI tot de Curie:

“Wanneer wij bij dit overzicht onze blik zouden moeten richten op andere feiten en aspecten van het kerkelijk leven, dan zou dit een zeer lange en niet altijd bemoedigende opsomming worden. kunnen wij bijv. zwijgen over onze bezorgdheid omtrent een zekere lichtvaardigheid waarmee sommigen, overigens goede katholieken overhellen naar een ideologisch en praktisch relativisme, dat de problemen van het christelijk leven meent te kunnen oplossen langs de gemakkelijke weg van een zich aansluiten bij gangbare wereldse opvattingen?”

C) 3 september 1965: Encycliek Mysterium Fidei waarin Paus Paulus VI zijn “ernstige pastorale bezorgdheid en ongerustheid” uitdrukt over “verwarrende” en “afwijkende” meningen omtrent de H. Eucharistie

D) 7 december 1965: Motu Proprio Integrae servandae: de naam en de regels van het Heilig Officie worden gewijzigd. Voortaan is de naam ‘Congregatie voor de Geloofsleer’ met als taak o.a. : “Nr. 4. Zij onderzoekt de nieuwe leerstellingen en opinies, op éénder welke wijze verspreid; bevordert onderzoek in de materie en congressen van geleerden; zij veroordeelt echter de leerstellingen waarvan zij vaststelt dat ze in tegenstelling zijn met de principes van het geloof na echter de Bisschoppen van de regio aanhoort te hebben, indien zij er een bijzonder belang bij hebben. Nr. 5: Zij onderzoekt nauwkeurig de werken die haar overhandigt worden en, indien nodig, veroordeelt deze, na echter de auteur gehoord te hebben. Aan de auteur wordt de mogelijkheid gegeven zich te verdedigen, ook schriftelijk, en de veroordeling gebeurt niet zonder eerst de Ordinarius gewaarschuwd te hebben, zoals reeds vastgelegd is in de Constitutie ‘Sollicita ac provida’ van Onze Voorganger Benedictus XIV.”

E) 3 januari 1966: Motu Proprio Finis Concilio : oprichting van de “Centrale Commissie voor de coördinatie van de werkzaamheden na het Concilie en de interpretatie van de decreten van het Concilie

F) 14 juni 1966: Notificatie Post litteras apostolicas van Kardinaal Ottaviani, Pro-Prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer (de integrale tekst luidt:)

"Immers, na ‘Integrae servandae’ –zo staat te lezen in de notificatie- zijn er vele vragen gekomen omtrent de status van de Index van verboden boeken. “Na de Apostolische Brief ‘Integrae servandae’, gegeven in de vorm van een motu proprio op 7 december 1965, zijn er niet weinig vragen gericht aan de Heilige Stoel omtrent de toestand van de Index van de verboden boeken, welke tot nu toe bewaard werd door de Kerk om, volgens goddelijk mandaat, de integriteit van het geloof en de zeden te bewaren. Om op vernoemde vragen te antwoorden, meldt de Congregatie voor de Geloofsleer dat, nadat het gesproken heeft met de Heilige Vader, de Index zijn morele kracht blijft behouden inzoverre deze het geweten van de christenen leert op de hoede te zijn, krachtens een eis van dezelfde natuurwet, voor deze geschriften die het geloof en de goede zeden in gevaar kunnen brengen. Maar tezelfdertijd meldt de Congregatie dat de Index de kracht van de kerkelijke wet heeft met de daarbij verbonden censuren.
Daarom vertrouwt de Kerk in het volwassen geweten van de gelovigen, vooral van de auteurs en de katholieke uitgevers en zij die zich bezighouden met de opvoeding van de jongeren. Zij plaatst haar meest vaste hoop in de waakzame zorg van de afzonderlijke Ordinarii en van de Bisschoppenconferenties aan wie het recht en de taak toekomt schadelijke werken te onderzoeken en ook te voorkomen en indien dit het geval zou zijn, te laken en te veroordelen.
De Congregatie voor de Geloofsleer, volgens de geest van de apostolische brief ‘Integrae servandae” en de decreten van het Tweede Vaticaans Concilie deelt mee dat zij ter volledige beschikking staat, indien nodig, van de Ordinarii van de katholieke wereld om te helpen in hun ijver om gepubliceerde werken te beoordelen, in de bevordering van een gezonde cultuur tegenover een gevaarlijke cultuur en dit in verbondenheid met instituten en universiteiten.
Indien echter leerstellingen en meningen, welke gericht zijn tegen de principes van geloof en zeden, alsnog verspreiding vinden en hun schrijvers, na welwillend uitgenodigd te zijn om deze te corrigeren, dit niet willen doen, dan zal de Heilige Stoel rechtens en vanuit haar taak zulke geschriften alsnog publiek veroordelen, om met billijke gestrengheid te voorzien in wat goed is voor de zielen.
Vervolgens zal zij op gepaste wijze erin voorzien dat de christengelovigen bekend worden met het oordeel van de Kerk omtrent de gepubliceerde werken.

Gegeven te Rome, vanuit de gebouwen van het H. Officie, op 14 juni 1966."

Hier volgt nu de vertaling van de brief van kardinaal Ottaviani, soms ook genoemd naar de openingswoorden "Cum Oecumenicum Concilium"

Aan de Eerbiedwaardige Voorzitters van de Bisschoppenconferenties*

Aangezien het Oecumenisch Concilie Vaticanum II, dat onlangs tot een gelukkig einde is gebracht, uiterst wijze documenten heeft afgekondigd, -zowel wat betreft leerstellige als disciplinaire zaken-, om het leven van de Kerk met goed gevolg te bevorderen, rust op geheel het volk van God de ernstige taak om zich met alle kracht ertoe te bekommeren dat datgene gerealiseerd wordt wat, onder leiding van de Heilige Geest en door de zeer omvangrijke vergadering van Bisschoppen, onder het voorzitterschap van de Summus Pontifex, is voorgesteld en afgekondigd geworden.

Aan de Hiërarchie komt echter het recht en de taak toe om de vernieuwing die door het Concilie begonnen is te bewaken, te richten en te bevorderen zodat de Documenten en Decreten van datzelfde Concilie op juiste wijze geïnterpreteerd worden en met precisie worden toegepast in getrouwheid aan hun betekenis en geest. Want deze leer moet door de Bisschoppen bewaard worden, zij bezitten immers het ambt van het onderricht onder het hoofd van Petrus. Het is inderdaad lovenswaardig dat vele Herders reeds begonnen zijn de leer van het Concilie op gepaste wijze uit te leggen.

Helaas bereiken ons uit vele delen van de wereld ongunstige berichten over toenemende misbruiken in de interpretatie van de leer van het Concilie als ook over vreemdsoortige en vermetele opinies die hier en daar opduiken welke de zielen van vele gelovigen niet weinig verstoren. Studies en inspanningen om de waarheid grondiger te onderzoeken zijn lovenswaardig op voorwaarde dat goed onderscheiden wordt tussen wat geloofd moet worden en wat een mening is. Uit de documenten die door deze Heilige Congregatie zijn onderzocht geworden, blijkt dat er niet weinig uitspraken zijn die de grenzen van de loutere opinie of hypothese makkelijk overschrijden en tot op zekere hoogte het dogma zelf en de fundamenten van het geloof lijken aan te tasten.

Het is nuttig om uit deze uitspraken en dwalingen bij wijze van voorbeeld enkele te vernoemen zoals deze naar voren komen uit de rapporten van geleerde mannen als ook uit gepubliceerde geschriften.

1)    Ten eerste is er de Heilige Openbaring zelf: er zijn er immers die een beroep doen op de Heilige Schrift met opzettelijke terzijdestelling van de Overleving, maar de reikwijdte en kracht van de Bijbelse inspiratie en foutloosheid beperken en de waarde van de historische teksten niet op de juiste wijze begrijpen.
2)    Wat de Geloofsleer betreft: er wordt gezegd dat de dogmatische formuleringen dusdanig onderworpen zijn aan de historische evolutie dat de objectieve betekenis zelf van deze dogmatische formuleringen onderworpen is aan veranderingen.
3)    Het gewone Leergezag van de Kerk, en vooral dat van de Paus van Rome, wordt soms zodanig verwaarloosd en geringschat dat het ongeveer herleidt wordt tot het domein van wat een opinie is.
4)    Sommigen erkennen nauwelijks de objectieve, absolute, zekere en onveranderlijke waarheid en onderwerpen alles aan een vorm van relativisme maar dit op basis van de valse grond dat elke waarheid noodzakelijkerwijze het ritme van de evolutie van het geweten en de geschiedenis volgt.
5)    Zelfs de aanbiddenswaardige Persoon van Onze Heer Jezus Christus wordt aangevallen wanneer in het heroverwegen van de christologie zulke concepten over de natuur en de persoon worden gebruikt die nauwelijks kunnen verzoend worden met de dogmatische definities. Een soort van christologisch humanisme sluipt binnen wegens de reductie van Christus tot de toestand van een loutere mens die allengs het bewustzijn van zijn goddelijk Zoonschap verwierf. Zijn maagdelijke ontvangenis, Zijn wonderen, ja zelfs Zijn Verrijzenis worden met woorden toegegeven maar in werkelijkheid herleid tot de loutere natuurlijke orde.
6)    Zo ook in het theologische traktaat over de Sacramenten worden sommige elementen ofwel niet behandeld ofwel verkrijgen ze onvoldoende aandacht, vooral wat de Allerheiligste Eucharistie betreft. Het ontbreekt niet aan diegenen die de werkelijke tegenwoordigheid van Christus onder de gedaanten van brood en wijn ter discussie stellen en een overdreven symbolisme voorstaan alsof brood en wijn niet door de transsubstantiatie veranderen in het Lichaam en Bloed van Onze Heer Jezus Christus, maar louter overgebracht worden tot een bepaalde betekenis. Er zijn er ook die voorstaan dat het begrip ‘agapè’ met betrekking tot de Mis méér gepast is dan het idee van het Offer.
7)    Sommigen verkiezen het Sacrament van de Penitentie te verklaren als een middel van de verzoening met de Kerk en geven hierbij onvoldoende uitdrukking aan de verzoening met God zelf die beledigd is geworden. Zij beweren ook dat voor de viering van dit Sacrament de persoonlijke belijdenis van de zonden niet noodzakelijk is en dus bekommeren zij zich om enkel uitdrukking te geven aan de sociale functie van de verzoening met de Kerk.
8)    Evenmin ontbreekt het aan diegenen die de leer van het Concilie van Trente over de erfzonde ofwel geringschatten ofwel zodanig becommentariëren dat de erfschuld van Adam en de overdracht van de zonde zelf tenminste verduisterd worden.
9)    Niet minder dwalingen worden uitgedragen in het gebied van de moraaltheologie. En inderdaad, niet weinigen durven de objectieve natuur van de moraliteit te verwerpen; anderen aanvaarden niet de natuurwet en verklaren dat de zogenaamde ‘situatie-moraal’ legitiem is. Schadelijke meningen worden verkondigd over de moraliteit en verantwoordelijkheid in zaken van seksualiteit en huwelijk.
10)    Naast al datgene moet een opmerking toegevoegd worden over het oecumenisme. Gewis, de Apostolische Stoel looft diegenen die, in de geest van het Conciliaire Decreet over het oecumenisme, ondernemingen verrichten ter bevordering van de liefde voor de afgescheiden broeders en welke hen leiden naar de eenheid van de Kerk. Maar Zij is bedroefd omdat het niet ontbreekt aan diegenen die het Conciliaire Decreet op hun eigen wijze interpreteren en ijveren voor een bepaalde oecumenische activiteit die de waarheid van het Geloof en de eenheid van de Kerk beledigt door een gevaarlijk irenisme en onverschilligheid te verkiezen, welke volledig vreemd is aan de geest van het Concilie.

Deze dwalingen en gevaren, welke afzonderlijk her en der verbreid zijn, maar in deze brief onder de vorm van een beknopte synthese verzameld, worden aan de locale Ordinarii aangeboden opdat elkéén volgens zijn ambt en taak zich bekommert om deze te beteugelen of te trachten te voorkomen.

Dit Heilig Dicasterie vraagt echter met aandrang dat de Ordinarii van deze plaatsen, verenigd in hun Bisschoppenconferenties, deze behandelen en dit over te brengen aan de Heilige Stoel, samen met hun advies, vóór het feest van de Geboorte van Onze Heer Jezus Christus van het lopende jaar.

Deze brief, wier publicatie omwille van klaarblijkelijke redenen van voorzichtigheid niet geoorloofd is, dient onder strikt geheim gehouden te worden door de Ordinarii en door alle anderen aan wie zij oordelen deze met gegronde reden mee te delen.

Rome, 24 juli 1966

A. Kard. Ottaviani"

Bron: Acta Apostolica Sedis 58 (1966) pp. 659-661 (gepubliceerd: 30 september 1966)
* De tekst in AAS bevat ook volgende voetnoot: 
"We hebben de toelating gekregen om deze brief te publiceren zodat de echte inhoud ervan bekend wordt want, alhoewel de aard van de brief alle mogelijke discretie vereist, hebben sommige kranten niet geaarzeld om delen ervan te publiceren, zonder echter de eigen aard van het document gade te slaan. Aldus is er twijfel ontstaan over de werkelijke inhoud van de brief en het doel dat de Heilige Stoel voor ogen heeft."

Na dit alles zullen sommige lezers misschien nieuwsgierig zijn naar de antwoorden van de Belgische en Nederlandse Bisschoppenconferenties. Dit zal Deo volente het onderwerp zijn van een volgende bijdrage. Alleszins lichten de teksten uit de voorgeschiedenis van deze brief al een tipje van de sluier op.

woensdag, april 28, 2010

Gehoorzaamheid in het lijden

Homilie van Mgr. Edward Slattery, Bisschop van Tulsa (V.S.), uitgesproken tijdens de Pontificale Heilige Mis in de Buitengewone Vorm van de Romeinse Ritus op 24 april 2010 in de Basiliek van de Onbevlekte Ontvangenis te Washington D.C. bij gelegenheid van de vijfde verjaardag van het pontificaat van Paus Benedictus XVI. Vertaling: Belgian Thomist; voor het origineel zie hier

We hebben veel te bespreken nu wij hier bij deze luisterrijke gelegenheid verzameld zijn onder de priemende blikken van de wereld om de vijfde verjaardag te vieren van de bestijging van de troon van Petrus door Joseph Ratzinger.

We dienen tot het inzicht te komen hoe het kan dat het lijden de barmhartigheid van God openbaart en onder ons de troostende aanwezigheid van Christus, gekruisigd en nu verrezen uit de dood, laat zien.

Vandaag moeten we spreken over dit mysterie, eerst en vooral omdat het één van de grootste mysteries is van de openbaring waarover in het Nieuwe Testament verteld wordt en waarvan elke heilige in de lange geschiedenis van de Kerk, de martelaren door hun bloed, de belijders door hun volharding, de maagden door hun zuiverheid en de lekengelovigen van het lichaam van Christus door hun vastberaden moed wanneer ze onder vuur liggen, getuigenis afleggen.

Maar we moeten ook duidelijk over dit mysterie spreken vanwege het enorme lijden dat alomtegenwoordig is en dat dermate de cultuur van onze moderne tijd bepaalt.

Van het enorme lijden van Zijne Heiligheid de afgelopen maanden tot het lijden van de meest recente martelaren van de Kerk in Indië en Afrika; van het lijden dat ontstaat door het lijden van de armen en ontheemden en zij die geen papieren bezitten en zich in de tranen uitdrukt van de slachtoffers van misbruik en verwaarlozing; van het lijden van vrouwen die misleid werden te menen dat abortus enkel maar een medische procedure is en zo een deel van hun ziel verloren hebben aan de hebzicht van de abortus-activist; van het lijden dat deel uitmaakt van hen die lijden aan kanker, diabetes, aids of de emotionele ziekten van onze tijd: het is het lijden van ons volk dat de cultuur van onze moderne, seculiere tijd definieert.

Dit enorme lijden dat zoveel verschillende fysieke, mentale en emotionele vormen kan aannemen, zal ons reduceren tot niets anders dan sidder en vrees indien we ons niet herinneren dat Christus, ons Paaslam, uit de dood is opgestaan. Onze pijn en onze angst kan ons ontmenselijken want het bezit het vermogen om ons in onszelf op te sluiten zodanig dat we altijd in chaos en verwarring zouden leven, indien we ons niet herinneren dat Christus, onze hoop, omwille van ons is opgestaan. Jezus is ons Paaslam, onze hoop en ons licht.

Hij komt het meest aanwezig in het lijden van zijn volk en dit is het mysterie waarover wij vandaag moeten spreken, want wanneer wij spreken over Zijn reddende aanwezigheid en Zijn oneindige liefde te midden van ons lijden verkondigen, wanneer wij Zijn licht zoeken en weigeren ons over te geven aan de duisternis, dan ontvangen wij het licht dat het leven van de mens is; het licht dat, zoals Sint-Jan ons in herinnering roept in de proloog van zijn Evangelie, nooit kan overwonnen worden door de duisternis, al is deze nog zo ondoordringend, al is deze nog zo verstikkend.

Op deze manier wordt ons lijden door Zijn aanwezigheid omgevormd. Het heeft niet meer de kracht om ons te vervreemden of te isoleren. Ook kan ons lijden ons niet meer ontmenselijken of vernietigen. Het lijden, hoe lang en verschrikkelijk het ook moge zijn, heeft enkel het vermogen om ons Christus te laten zien en Hij is de barmhartigheid en vergeving van God.

Het mysterie waarover wij dus spreken is het licht dat in de duisternis schijnt, Christus onze Heer, die Zichzelf openbaart op de meest wonderbaarlijke wijze aan hen die lijden opdat lijden en dood ons enkel nog kunnen brengen tot de barmhartigheid van de Vader.

Maar het punt dat wij moeten verduidelijken is dat Christus Zichzelf openbaart aan hen die lijden in Christus, aan hen die nederig hun pijn aanvaarden als een persoonlijk delen in Zijn Passie en die op deze wijze gehoorzamen aan het gebod van Christus dat wij ons kruis dienen op te nemen en Hem dienen te volgen. Lijden op zichzelf beschouwd is enkel de belofte dat de dood beslag zal leggen op onze sterfelijke lichamen maar lijden in Christus is de belofte dat we zullen verrijzen met Christus, wanneer onze sterfelijkheid zal hermaakt worden tot Zijn onsterfelijkheid en dat alles wat in ons leven gebroken is, omdat het vergankelijk en eindig is, onvergankelijk zal gemaakt worden.

Dit is de betekenis van de bewering van Petrus dat hij een getuige is van het lijden van Christus en dus iemand die deelheeft aan de heerlijkheid die nog geopenbaard moet worden. Op het moment dat Petrus de overweldigende waarheid van dit mysterie vatte, werd zijn leven veranderd. Aan de wereld had Petrus niets. Voor hem bestond enkel Christus.

Dit is –zoals jullie weten- een dramatische omslag voor de man die Onze Heer driemaal verloochend had, de man tot wie Jezus zei: “Gij zijt Petrus en op deze rots zal ik mijn Kerk bouwen en de poorten van de hel zullen Haar niet overweldigen”.

De verklaring van Christus aan Petrus dat hij de rots zou zijn, het onwankelbare fundament, de berg van Sion waarop het nieuwe Jeruzalem zou worden gebouwd, volgt in het Evangelie van Mattheus op de dramatische geloofsbelijdenis van Petrus, wanneer de Heer aan de Twaalf vraagt: “Wie zeggen de mensen dat ik ben?” en Petrus, impulsief zoals altijd, antwoordt: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de Levende God.”

Het is pas later, veel later, dat Petrus de volledige implicatie van deze eerste Geloofsbelijdenis zal vatten. Petrus moest nog leren dat om Christus na te volgen, om waarlijk Zijn leerling te zijn, men moet loslaten wat de wereld beschouwt als waardevol en noodzakelijk en men machteloos moet worden. Dit is het mysterie dat de ‘onafhankelijke’ Petrus verwart. Het is het mysterie dat ook ons nog verwart: om Christus na te volgen, dient men alles over te geven en gehoorzaam te worden met de gehoorzaamheid van Christus, want niemand verkrijgt toegang tot het Koninkrijk van de Vader, tenzij hij binnengaat doorheen de nederigheid en gehoorzaamheid van Christus.

Petrus had geen idee dat uiteindelijk deze gehoorzaamheid volledig zou aanvaarden en met vreugde zijn deelname aan de Passie en de Dood van Christus zou aanvaarden. Maar Petrus beminde Onze Heer en de liefde was de weg waarlangs Petrus leerde te gehoorzamen. “Heer, Gij weet dat ik u bemin.” Petrus bevestigt dit driemaal met tranen en driemaal beveelt Christus hem de kudde te hoeden die verzameld is aan de voet van de Calvarie – en daar is het waar wij nu ook staan.

Petrus wist dat Jezus de ware Herder was, de éne Meester en enige Leraar; wij allen zijn leerlingen en de les die we moeten leren is gehoorzaamheid, gehoorzaamheid tot de dood. En niets minder dan dit want, enkel indien wij gehoorzaam willen zijn met de gehoorzaamheid van Christus, zullen wij Christus’ aanwezigheid onder ons herkennen.

Gehoorzaamheid is dus het hart van het leven van de leerling en de sleutel tot het lijden in Christus en met Christus. Maar deze gehoorzaamheid is heel verschillend van de gehoorzaamheid waarvan de wereld spreekt en die de wereld verwerpt.

Voor zij die in de wereld leven is gehoorzaamheid een last en iets dat opgelegd wordt. Het is de manier waardoor de machtigen de machtelozen dwingen tot gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid is enkel iets juridisch en altijd iets uitwendigs, het is een buigen dat breekt maar het breken is nog altijd minder pijnlijk dat de straf die opgelegd is voor de ongehoorzaamheid. Voor zij die in de wereld leven is gehoorzaamheid een straf die vermeden dient te worden maar voor christenen is gehoorzaamheid altijd persoonlijk omdat Christus het centrum is. Het is een overgave aan Jezus die wij beminnen.

Voor wie Christus het centrum van het leven is, is gehoorzaamheid die beweging die het hart maakt wanneer het opspringt van vreugde eens dat het de waarheid ontdekt heeft.

Laat ons dan vervolgens overwegen dat Christus ons zowel het beeld van Zijn gehoorzaamheid gegeven heeft als ook de handeling waardoor wij gehoorzaam gemaakt worden.

Het beeld van de gehoorzaamheid van Christus is Zijn Heilig Hart; dat Hart, blootgesteld en gewond, moet ons doen stilstaan want het hart van de mens is in het algemeen verborgen en geheimvol. In de stilte van zijn eigen hart, ontdekt elk van ons de waarheid over wie wij zijn, de waarheid waarom wij zwijgen wanneer we zouden moeten spreken of ruziën en irriteren wanneer we zouden moeten stil zijn. In de verborgen diepten van ons hart leren we de impulsen achter onze daden kennen en de redenen waarom wij zo vaak handelen als lafaards en dwazen.

Maar terwijl het hart van de mens in het algemeen verborgen en geheimvol is, is het Hart van de God-Mens volledig zichtbaar en toegankelijk. Ook dát Hart laat de motieven zien achter de zelfovergave van de Heer: de gehoorzaamheid aan de wil van de Vader dat de mensheid zou verzoend worden en onze vele zonden vergeven. Zoals de Apostel ons in herinnering roept: “Hoewel Hij Gods Zoon was, heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd.” Gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan het kruis, vraagt Jezus aan Zijn Vader om ons te vergeven opdat God de volledige diepte van Zijn barmhartigheid en liefde zou openbaren: “Vader, vergeef hen” –zo bidt Hij- “want ze weten niet wat ze doen.”

Het Heilig Hart van Christus is het beeld van de gehoorzaamheid waarmee Christus zijn offerende liefde op de Calvarie toonde. Het Offer van Calvarie is voor ons ook het middel waardoor wij gehoorzaam worden en dit is iets wat men nooit mag vergeten: in de Mis offeren wij onszelf op aan de Vader in eenheid met Christus, die Zichzelf offert in volledige gehoorzaamheid aan de Vader. We brengen dit offer in gehoorzaamheid aan Christus die ons opgedragen heeft: “Doe dit tot Mijn gedachtenis” en ons gehoorzamend offeren wordt vervolmaakt in de liefde waarmee de Vader de gave van Zijn Zoon ontvangt.

Wees dus niet verbaasd dat in de Mis ons bloedeloos offeren van het bloedige Offer van Calvarie een drievoudige handeling van gehoorzaamheid is. Ten eerste, Christus is gehoorzaam aan de Vader en offert Zichzelf als een offer van verzoening. Ten tweede, we zijn gehoorzaam aan Christus en offeren onszelf aan de Vader met Jezus de Zoon; en ten derde, in de deelname aan de gehoorzaamheid van Christus aan de Vader worden wij gehoorzaam gemaakt aan een nieuwe werkelijkheid, waarin liefde het hoogste is en het leven eeuwig heerst, waarin lijden en dood verslagen zijn geworden doordat zij voor ons de middelen zijn geworden waardoor de uiteindelijke overwinning van Christus, zijn toekomstig komen, duidelijk en werkelijk is geworden, vandaag.

Het lijden, dat van jou, dat van mij, dat van de Paus, is het hart van de persoonlijke heiligheid omdat het ons delen is in de gehoorzaamheid van Jezus, een gehoorzaamheid die Zijn heerlijkheid laat zien. Het is het middel waardoor wij getuigen worden van Zijn lijden en deelhebbers aan de komende heerlijkheid.
Wees niet ontmoedigd dat er velen zijn in de Kerk die dit nog niet gevat hebben en nog minder in de wereld zullen dit sowieso overwegen. Jij weet dat dit waar is en tien mensen die de waarheid fluisteren spreken luider dan honderd miljoen die liegen.

Indien vervolgens iemand vraagt waarover we vandaag gespreken hebben, zeg hem dat we gesproken hebben over de waarheid. Indien iemand jou vraagt waarom jij naar deze Mis bent gekomen, vertel hem dan dat je dit gedaan hebt om te kunnen gehoorzaam worden met Christus. Indien iemand vraagt naar de homilie, vertel hem dan dat deze handelde over een mysterie en indien iemand vraagt wat ik gezegd heb over de huidige toestand, vertel hem dan enkel dat wij allen heiligen moeten worden.