woensdag, juni 22, 2016

Hoe verlicht was Kant?

"So wie die Liebe zum Leben von der Natur zur Erhaltung der Person, so ist die Liebe zum Geschlecht von ihr zur Erhaltung der Art bestimmt; d.i. eine jede von beiden ist Naturzweck, unter welchem man diejenige Verknüpfung der Ursache mit einer Wirkung versteht, in welcher jene, auch ohne ihr dazu einen Verstand beizulegen, diese doch nach der Analogie mit einem solchen, also gleichsam absichtlich Menschen hervorbringend gedacht wird.

Es fragt sich nun, ob der Gebrauch des letzteren Vermögens, in Ansehung der Person selbst, die es ausübt, unter einem einschränkenden Pflichtgesetz stehe, oder ob diese, auch ohne jenen Zweck zu beabsichtigen, den Gebrauch ihrer Geschlechtseigenschaften der bloßen tierischen Lust zu widmen befugt sei, ohne damit einer Pflicht gegen sich selbst zuwider zu handeln.

In der Rechtslehre wird bewiesen, daß der Mensch sich einer anderen Person dieser Lust zugefallen, ohne besondere Einschränkung durch einen rechtlichen Vertrag, nicht bedienen könne; wo dann zwei Personen wechselseitig einander verpflichten. Hier aber ist die Frage: ob in Ansehung dieses Genusses eine Pflicht des Menschen gegen sich selbst obwalte, deren Übertretung eine Schändung (nicht bloß Abwürdigung) der Menschheit in seiner eigenen Person sei. Der Trieb zu jenem wird Fleischeslust (auch Wohllust schlechthin) genannt. Das Laster, welches dadurch erzeugt wird, heißt Unkeuschheit, die Tugend aber, in Ansehung dieser sinnlichen Antriebe, wird Keuschheit genannt, die nun hier als Pflicht des Menschen gegen sich selbst vorgestellt werden soll. Unnatürlich heißt eine Wohllust, wenn der Mensch dazu, nicht durch den wirklichen Gegenstand sondern durch die Einbildung von demselben, also zweckwidrig, ihn sich selbst schaffend, gereizt wird. Denn sie bewirkt alsdann eine Begierde wider den Zweck der Natur, und zwar einen noch wichtigern, als selbst der der Liebe zum Leben ist, weil dieser nur auf Erhaltung des Individuum, jener aber auf die der ganzen Spezies abzielt.

Daß ein solcher naturwidrige Gebrauch (also Mißbrauch) seiner Geschlechtseigenschaft eine und zwar der Sittlichkeit im höchsten Grad widerstreitende Verletzung der Pflicht wider sich selbst sei, fällt jedem, zugleich mit dem Gedanken von demselben, so fort auf, erregt eine Abkehrung von diesem Gedanken, in der Maße, daß selbst die Nennung eines solchen Lasters bei seinem eigenen Namen für unsittlich gehalten wird; welches, bei dem des Selbstmords, nicht geschieht, den man, mit allen seinen Greueln (in einer species facti) der Welt vor Augen zu legen im mindesten kein Bedenken trägt; gleich als ob der Mensch überhaupt sich beschämt fühle, einer solchen ihn selbst unter das Vieh herabwürdigenden Behandlung seiner eigenen Person fähig zu sein: so daß selbst die erlaubte (an sich freilich bloß tierische) körperliche Gemeinschaft beider Geschlechter in der ehe im gesitteten Umgange viel Feinheit veranlaßt und erfodert, um einen Schleier darüber zu werfen, wenn davon gesprochen werden soll.

Der Vernunftbeweis aber der Unzulässigkeit jenes unnatürlichen, und selbst auch des bloß unzweckmäßigen Gebrauchs seiner Geschlechtseigenschaften, als Verletzung (und zwar, was den ersteren betrifft, im höchsten Grade) der Pflicht gegen sich selbst, ist nicht so leicht geführt.

Der Beweisgrund liegt freilich darin, daß der Mensch seine Persönlichkeit dadurch (wegwerfend) aufgibt, indem er sich bloß zum Mittel der Befriedigung tierischer Triebe braucht. Aber der hohe Grad der Verletzung der Menschheit in seiner eigenen Person durch ein solches Laster in seiner Unnatürlichkeit, da es, der Form (der Gesinnung) nach, selbst das des Selbstmordes noch zu übergehen scheint, ist dabei nicht erklärt. Es sei denn, daß, da die trotzige Wegwerfung seiner selbst im letzteren, als einer Lebenslast, wenigstens nicht eine weichliche Hingebung an tierische Reize ist, sondern Mut erfordert, wo immer noch Achtung für die Menschheit in seiner eigenen Person Platz findet, jene, welche sich gänzlich der tierischen Neigung überläßt, den Menschen zur genießbaren, aber hierin doch zugleich naturwidrigen Sache, d.i. zum ekelhaften Gegenstande macht, und so aller Achtung für sich selbst beraubt." (Immanuel Kant, Metaphysik der Sitten (1797) AA VI, pp. 424-425)

woensdag, juni 08, 2016

Wat is een katholieke school?

"De jonge generaties moeten onderwezen worden in de kunsten en wetenschappen, die de burgerlijke gemeenschap tot nut en voorspoed strekken. Het gezin nu is op zich zelf alleen voor dit werk niet toereikend. Dientengevolge ontstond het maatschappelijk instituut van de school, allereerst — men onthoude dit goed — door het initiatief van Kerk en gezin, lang voordat de staat dit werk ter hand nam. De school is derhalve, ook beschouwd in haar historische oorsprong, van nature een hulpinstelling ter aanvulling van gezin en Kerk. Daaruit volgt logisch de morele noodzakelijkheid, dat zij met deze beide andere milieus niet alleen niet in tegenspraak mag zijn, maar dat zij er in de volmaaktst mogelijke morele eenheid positief mee moet overeenstemmen, zodat zij met het gezin en de Kerk tezamen één aan de christelijke opvoeding gewijd heiligdom kan vormen, op straffe van anders haar doel te missen en veeleer in een werk van vernietiging te ontaarden. [...]

Immers, niet door het feit alleen dat er (dikwijls nog met al te grote spaarzaamheid) godsdienstonderwijs wordt gegeven, is een school in overeenstemming met de rechten van de Kerk en van het christelijk gezin, en wordt zij waardig om door katholieke leerlingen bezocht te worden.

Daarvoor is nodig, dat het gehele onderwijs en de gehele inrichting van de school: onderwijzers, programs en boeken, in ieder vak beheerst worden door de christelijke geest, onder de leiding en moederlijke waakzaamheid van de Kerk, en wel zo, dat de godsdienst werkelijk de grondslag en de bekroning is van het onderwijs in al zijn graden, niet alleen in het lager, maar ook in het middelbaar en hoger onderwijs. "Het is", om de woorden van Leo XIII te gebruiken, "noodzakelijk, dat niet alleen op bepaalde uren godsdienstonderwijs aan de jeugd wordt gegeven; ook de gehele overige vorming moet de geur van de christelijke godsvrucht ademen. Als deze ontbreekt, als deze heilige adem de ziel van onderwijzers en leerlingen niet doordringt en verwarmt, zal men uit alle onderwijs weinig nut trekken; dikwijls zelfs zullen er niet geringe nadelen uit volgen." (Pius XI, Divini illius Magistri)

donderdag, april 14, 2016

De hermeneutiek van Amoris laetitia

Hoe is het achtste hoofdstuk van Amoris laetitia te verzoenen met volgende uitspraak van de Congregatie voor de Geloofsleer uit 1994?

"Ecclesiae doctrina et disciplina hac de re fuse expositae sunt, tempore post Concilium, in Adhortatione Apostolica Familiaris consortio. Adhortatio, praeter alia, in memoriam revocat pastores, ob amorem veritatis, officio adstringi recte distinguendi varias condiciones, atque eos hortatur ut animum addant iis qui post divortium novas nuptias inierunt ut varia vitae Ecclesiae momenta participent. Simul confirmat consuetudinem constantem et universalem "in Sacris ipsis Litteris innixam, non admittendi ad Eucharisticam Communionem fideles qui post divortium novas nuptias inierunt"(9), atque huius rei rationes adducit. Structura textus Adhortationis et ipsa verba clare demonstrant huiusmodi consuetudinem, quae exhibetur obligandi vi praedita, immutari non posse ob differentes condiciones." (Congregatie voor de Geloofsleer, De receptione communionis eucharisticae a fidelibus qui post divortium novas inierunt nuptias, 14 september 1994)


woensdag, april 13, 2016

Amoris laetitia en Vaticanum II

Tijdens de openingstoespraak van Vaticanum II (Gaudet Mater Ecclesia) op 11 oktober 1962 zei de H. Johannes XXIII ondermeer:
"De Kerk heeft deze dwalingen te allen tijde bestreden en hen vaak met de grootste gestrengheid veroordeeld. Wat onze tijd betreft maakt de Bruid van Christus echter liever gebruik van het geneesmiddel der barmhartigheid dan van de wapenen der gestrengheid; meer dan door te veroordelen wil zij de noden van deze tijd tegemoet komen door te wijzen op de kracht van haar leer. Niet omdat er geen valse leer, geen gevaarlijke meningen en begrippen zouden bestaan, waarvoor men zich moet hoeden en die men moet bestrijden; maar omdat zij alle zo duidelijk in strijd zijn met de juiste zedelijke normen en zulke verderfelijke vruchten opleveren, dat de mensen deze thans reeds uit zichzelf veroordelen, namelijk vooral die levensvormen, die God en Zijn wetten verachten, die al teveel vertrouwen doen stellen in de technische vooruitgang en die naar een voorspoed streven, welke uitsluitend op de gemakken van het leven gericht is."
Méér dan vijftig jaar later getuigt deze steeds weer geciteerde zin niet enkel van een onvoorstelbare naïviteit maar ook van de gevolgen die iemands spreken kunnen hebben. Is AL niet de logische en uiteindelijke consequentie van deze zin?

vrijdag, april 08, 2016

Enkele eerste bemerkingen bij Amoris laetitia

Enkele eerste opmerkingen:
  1. Het schrijven telt 54420 woorden in de Italiaanse versie of 107 pagina’s. Ter vergelijking, de postsynodale exhortatie Familiaris consortio van de H. Johannes Paulus II uit 1981 over hetzelfde thema telt 32532 woorden. Het meest omvangrijke document van Johannes Paulus II, de encycliek Evangelium vitae telt 45079 woorden. De encycliek Casti Connubii (1930) van Pius XI telt 17682 woorden, Arcanum diviniae sapientiae (1880) van Leo XIII telt 7289 woorden oftewel 12 pagina’s.
  2. Sint-Thomas wordt zes maal in de hoofdtekst geciteerd (nrs. 99, 102, 126, 134,301, 304) en dertien maal in voetnoten (nrs. 108, 115, 116, 122, 129, 140, 144, 145, 172, 341, 342, 347, 348).
  3. Benedictus XVI wordt vier maal in de hoofdtekst geciteerd en vier maal in een voetnoot.
  4. Behalve één enkele verwijzing naar Pius XI en Pius XII wordt, zelfs in de sectie ‘Het gezin in de documenten van de Kerk’, niet – en zoals gebruikelijk - verwezen naar preconciliaire teksten.
  5. Het eerste hoofdstuk bevat een uitgebreide meditatie over psalm 128 en in hoofdstuk vier worden de eigenschappen van de liefde uit 1 Kor. 13, 4-7 uitvoerig besproken.
  6. Het principe uit Evangelii Gaudium “tijd gaat boven ruimte” (nrs. 222-223) is ook in AL van centraal belang.
  7. Nr. 222 roept op tot een herontdekking van Humanae Vitae en Familiaris consortio aangaande procreatie en dit “in contrast met een mentaliteit die dikwijls vijandig is ten aanzien van het leven.” Tevens spoort de tekst in hetzelfde nummer aan tot natuurlijke gezinsplanning.
  8. Nrs. 251-252 spreken over personen met een homoseksuele neiging. Niets nieuws hier; men herhaalt de CKK en de Relatio finalis van 2015 met name dat er geen enkele vergelijking kan gemaakt worden tussen een huwelijk en “unioni omosessuali” en het schrijven veroordeelt, net zoals de Relatio, elke druk op gezinnen en organisaties in deze materie.
  9. Nr. 56 vermeldt ‘gender’ maar ook hier betreft het een herhaling van nrs. 8 en 58 van de Relatio.
  10. Het gebruik van Thomas van Aquino is aanzienlijk maar de functie is meestal beperkt tot het illustreren van een gedachte. Het echt argumentatieve gebruik van Thomas en het steunen op diens autoriteit gebeurt in de nrs. 301-304 (voor een vertaling zie een eerdere post). Het gebruik en de nadruk op deze teksten en hun mogelijke implicaties geeft een déjà vu indruk voor wie de discussies in de moraalfilosofie kent in de jaren zestig en zeventig met Fuchs, Janssens et alii en de zogenaamde situatie-ethiek.
  11. Maar de crux van de zaak lijkt te zijn de volslagen afwezigheid van Veritatis Splendor. Immers, de nadruk op de gevolgen van particuliere situaties bij het onderscheiden (zie hoofdstuk acht van Amoris Laetitia) vraagt ernstig denkwerk om dit te verhelderen in het licht van Veritatis Splendor’ herhaalde veroordeling van soortgelijk denken en de hermeneutiek van de continuïteit. Zo lezen we bv. in Veritatis Splendor nr. 56: “Ter rechtvaardiging van deze en soortgelijke houdingen hebben enkelen een soort van dubbele zijnswijze van de zedelijke waarheid voorgesteld. Naast het leerstellig-abstracte niveau zou dan de oorspronkelijkheid van een bepaalde concretere existentiële wijze van beschouwen erkend moeten worden. Deze zou, door rekening te houden met de omstandigheden en de situatie, legitiem uitzonderingen op de algemene regels invoeren en zo toestaan om in de praktijk, met een goed geweten dat te doen, dat door de zedenwet als in zich slecht wordt beschouwd. Op deze manier ontstaat in enkele gevallen een scheiding of ook een tegenstelling tussen de leer van het universeel geldende voorschrift en de norm van het individuele geweten, dat feitelijk ten laatste over goed en kwaad zou beslissen. Krachtens dit beginsel matigt men zich aan om het toelaten van zogenaamde 'pastorale' oplossingen te motiveren, die in tegenstelling met de leer van het leergezag zijn en een 'creatieve' hermeneutiek te rechtvaardigen, volgens welke het zedelijk geweten feitelijk niet in alle gevallen gehouden zou worden aan een bijzonder negatief gebod.”

Vertaling van enkele sleutelpassages

Postsynodale Apostolische Exhortatie Amoris Laetitia
van de Heilige Vader Franciscus
aan de bisschoppen, priesters en diakens, aan de godgewijde personen, aan de christelijk gehuwden en aan alle lekengelovigen over de liefde in het gezin

1. De vreugde van de liefde die men in de gezinnen beleeft is ook de vreugde van de Kerk. Zoals de Synodevaders aangeduid hebben, “blijft”, ondanks de vele tekenen van een crisis van het huwelijk, “het verlangen naar een gezin levendig, vooral onder de jongeren en dit motiveert de Kerk”.   Als antwoord op deze aspiratie “is de christelijk boodschap over het gezin waarlijk een blijde boodschap.”.
2. De synodale weg heeft het mogelijk gemaakt de situatie van de gezinnen in de huidige wereld uit de doeken te doen, onze blik te verbreden en ons bewustzijn over het belang van het huwelijk en het gezin te versterken. Terzelfdertijd heeft de complexiteit van de besproken themata ons de noodzakelijkheid duidelijk gemaakt onbevangen enkele leerstellige, morele, spirituele en pastorale vraagstukken verder uit te werken en te verdiepen. De overwegingen van herders en theologen, indien zij trouw aan de Kerk zijn, eerlijk, realistisch en creatief, zullen ons helpen te komen tot een grotere helderheid. De debatten, zoals zij in de media of in publicaties en ook onder kerkelijke ambtsdragers gevoerd werden, gaan van een ongebreideld verlangen alles te veranderen zonder voldoende reflectie of fundering tot aan de houding alles op te lossen door het toepassen van algemene normen of het trekken van overdreven conclusies vanuit enkele theologische overwegingen.
3. Terwijl ik eraan herinner dat de tijd boven ruimte gaat, wil ik er opnieuw op wijzen dat niet alle leerstellige, morele of pastorale discussies moeten opgelost worden door interventies van het Leergezag. Vanzelfsprekend is het noodzakelijk dat er in de Kerk een eenheid van leer en praktijk is, maar dit verhindert niet dat er verschillende wijzen van interpreteren bestaan van enkele aspecten van de leer of enkele gevolgen die uit de leer voortkomen. Dit zal zo lang voortduren totdat de Geest ons brengt tot de volledige waarheid (cfr. Joh. 16,13), d.w.z. totdat Hij ons volkomen zal binnenleiden in het mysterie van Christus en wij alles met Zijn blik kunnen zien. Bovendien kunnen er in elk land of regio méér geïncultureerde oplossingen gezocht worden die aandacht hebben voor de lokale tradities en uitdagingen. Immers, “de culturen zijn onderling zeer divers en elk algemeen principe ... moet geïncultureerd worden, om gerespecteerd en toegepast te worden”. 
...
300. Indien men rekening houdt met de onnoemelijke verscheidenheid aan concrete situaties, zoals wij boven hebben vermeld, dan is het begrijpelijk dat men niet moet verwachten van de Synode of van deze Exhortatie een nieuwe algemene norm van het kerkrechterlijke type, toepasbaar in alle gevallen. Wat mogelijk is , is enkel een nieuwe aanmoediging tot een verantwoordelijke persoonlijke en pastorale onderscheiding van particuliere gevallen welke zou moeten erkennen dat, aangezien “de graad van verantwoordelijkheid niet gelijk is in alle gevallen”  , de gevolgen of de effecten van een norm niet noodzakelijkerwijze altijd dezelfde moeten zijn.    De priesters hebben de taak “de betreffende personen te begeleiden op de weg van de onderscheiding overeenkomstig het onderricht van de Kerk en de richtlijnen van de bisschop. In dit proces zal het nuttig te zijn een gewetensonderzoek te doen door middel van momenten van reflectie en berouw. Zij die gescheiden zijn en een nieuw huwelijk zijn aangegaan, zouden zich moeten afvragen hoe zij zich ten opzichte van hun kinderen hebben gedragen, toen de huwelijksverbintenis in een crisis is terechtgekomen; of er pogingen tot verzoening zijn geweest; hoe de toestand is van de partner die in de steek is gelaten; welke consequenties de nieuwe relatie heeft voor de rest van het gezin en de gemeenschap van gelovigen; welk voorbeeld deze de jongeren geeft die zich op het huwelijk moeten voorbereiden. Een eerlijke reflectie kan het vertrouwen in de barmhartigheid van God, die niemand wordt onthouden, versterken.” Het betreft een traject van begeleiding en onderscheiding die “deze gelovigen richt op een bewustwording van hun toestand voor God. Een gesprek met een priester in het forum internum draagt bij aan de vorming van een juist oordeel over wat de mogelijkheid van een vollere deelname aan het leven van de Kerk belemmert, en de stappen die deze kunnen begunstigen en doen groeien. Gegeven dat er in dezelfde wet geen geleidelijkheid is (cf. Familiaris Consortio 34), zal deze onderscheiding nooit kunnen afzien van de vereisten van waarheid en naastenliefde van het Evangelie die door de Kerk worden voorgehouden. Opdat dit gebeurt, dienen de noodzakelijke voorwaarden te worden gewaarborgd van nederigheid, terughoudendheid, liefde voor de Kerk en haar onderricht, in een oprecht zoeken naar de wil van God en in het verlangen tot een volmaakt antwoord hierop te komen.”  Deze houdingen zijn fundamenteel om het ernstige risico te vermijden van verkeerde boodschappen, zoals het idee dat een priester snel “uitzonderingen” kan toestaan of dat er personen bestaan die sacramentele privileges kunnen verkrijgen in ruil voor gunsten. Wanneer een verantwoordelijk en discreet persoon, die niet zijn eigen verlangens boven het algemeen welzijn van de Kerk wil plaatsen, zich treft met een priester die de ernst van de kwestie weet te erkennen, dan vermijdt men dat een bepaalde onderscheiding leidt tot de gedachten dat de Kerk er een dubbele moraal op nahoudt. 
301. Om op gepaste wijze te begrijpen waarom een bijzondere onderscheiding in enkele zogenoemde ‘irreguliere’ situaties mogelijk en noodzakelijk is, is er een aspect waarmee men steeds dient rekening te houden zodanig dat men nooit denkt dat men de eisen van het Evangelie wil verminderen. De Kerk bezit een solide reflectie over de milderende condities en omstandigheden. Daarom is het niet meer mogelijk te zeggen dat allen die in een zogenoemde ‘irreguliere’ situatie zich in staat van doodzonde, beroofd van de heiligmakende genade, bevinden. De grenzen hangen niet enkel af van een eventuele onwetendheid omtrent de norm. Een persoon, alhoewel hij de norm goed kent, kan grote moeilijkheden hebben “de waarden die in de morele norm liggen”    te begrijpen of kan zich in concrete situaties bevinden die hem niet toestaan anders te handelen en andere beslissingen te nemen zonder een nieuwe schuld [op zich te laden]. Zoals de Synodevaders zich goed hebben uitgedrukt “kunnen er factoren zijn die het vermogen tot beslissen beperken”.   Reeds Thomas van Aquino erkende dat iemand de genade en de liefde kan bezitten maar zonder dat deze persoon in staat is eender welke van de deugden goed uit te oefenen (I-II, q. 65, a. 3, ad 2; De malo, q. 2, a. 2.), zodanig dat, ook al bezit deze persoon alle ingestorte, morele deugden, hij toch niet duidelijk het bestaan van één van deze aantoont, omdat het uitwendige handelen van deze deugd moeilijkheden ondervindt:  “Men zegt dat sommige heiligen bepaalde deugden niet bezitten, gezien de moeilijkheden in de handelingen van deze deugden … alhoewel zij de habitus van alle deugden bezitten.” (Ibid. ad 3)  
….
303. Vertrekkende vanuit de erkenning van het gewicht van concrete omstandigheden, kunnen we toevoegen dat het geweten van personen beter moet betrokken worden in de praktijken van de Kerk in sommige situaties die niet objectief onze opvatting van het huwelijk realiseren. Vanzelfsprekend is het nodig de groei van een verlicht geweten aan te moedigen, gevormd en begeleid door een ernstige en verantwoordelijke onderscheiding van de priester, en is het nodig een steeds groter vertrouwen in de genade voor te stellen. Maar dit geweten kan niet enkel erkennen dat een situatie niet objectief beantwoordt aan het algemene voorstel van het Evangelie; het kan ook ernstig en oprecht erkennen hetgeen op dit moment het genereuze antwoord is dat men kan aanbieden aan God, en ontdekken met een zekere morele zekerheid dat dit de gave is die God zelf aan het vragen is te midden van de concrete complexiteit van de begrenzingen, alhoewel het nog niet volledig beantwoordt aan het objectieve ideaal. In elk geval dienen wij ons eraan te herinneren dat deze onderscheiding dynamisch is en altijd open moet blijven voor nieuwe fasen van groei en voor nieuwe beslissingen die toelaten het ideaal op meer volledige wijze te realiseren.
304. Het is kleinzielig te blijven staan bij enkel de beschouwing of het handelen van een persoon meer of minder beantwoordt aan een wet of een algemene norm omdat dit niet volstaat om te onderscheiden en zich te vergewissen van een volledige trouw aan God in het concrete bestaan van een mens. Vurig bid ik dat wij ons altijd in herinnering roepen wat Sint-Thomas van Aquino ons leert en dat wij in de pastorale onderscheiding leren dit tot ons te nemen: “Alhoewel er in algemene zaken een zekere noodzakelijkheid is, hoe meer men afdaalt naar particuliere zaken, des te meer onbepaaldheid. … Op het praktische gebied is de waarheid of praktische norm niet gelijk voor iedereen betreffende het particuliere,  maar enkel betreffende hetgeen algemeen is; en ook bij diegenen die in particuliere gevallen dezelfde praktische norm aanvaarden wordt deze niet op gelijke wijze door iedereen gekend. …” (I-II, q. 94, art. 4). Het is waar dat de algemene normen een goed voorhouden dat men nooit mag buiten beschouwing laten of verwaarlozen maar in hun formulering kunnen de algemene normen niet absoluut alle particuliere situaties omvatten. Terzelfdertijd is het nodig te zeggen dat, precies omwille van deze reden, hetgeen deel uitmaakt van een praktische onderscheiding in een particuliere situatie nooit kan verheven worden tot het niveau van een norm. Dit zou niet enkel gelegenheid geven tot een ondraaglijke casuïstiek, maar dit zou ook de waarden die men met bijzondere aandacht moet bewaken in gevaar brengen. (Voetnoot: Verwijzend naar de algemene kennis van de norm en naar de particuliere kennis van de praktische onderscheiding, komt Sint-Thomas tot de uitspraak dat “indien er slechts één van beiden kennissen is, dan is het te verkiezen dat het de kennis is die men heeft van de particuliere werkelijkheid, die dichter staat bij het handelen.” (Sententia libri Ethicorum, VI, 6 [ed. Leonina, t. XLVII, 354]).

Inhoudsopgave Amoris laetitia

Inhoudsopgave Amoris laetitia
Inleiding (1-7)
Hoofdstuk 1: In het licht van het Woord (8-30)
    U en uw vrouw (9-13)
    Uw kinderen als jonge olijfbomen (14-18)
    Een weg van leiden en bloed (19-21)
    De vrucht van uw handen (23-26)
    De tederheid van de omarming (27-39)
Hoofdstuk 2: De werkelijkheid en de uitdagingen van de gezinnen (31-57)
    De huidige situatie van de gezinnen (32-49)
    Enkele uitdagingen (50-57)
Hoofdstuk 3: De blik op Christus gericht: de roeping van het gezin (58-88)
    Jezus brengt het goddelijk plan opnieuw naar voren en voltooit het (61-66)
    Het gezin in de documenten van de Kerk (67-70)               
    Het sacrament van het huwelijk (71-75)   
    Zaden van het Woord en onvolmaakte situaties (76-79)
    Het doorgeven van het leven en de opvoeding van de kinderen (80-85)
    Het gezin en de Kerk (86-88)
Hoofdstuk 4: De liefde in het huwelijk (89-164)
Onze dagelijkse liefde (90)
    Geduld (91-92)
    Houding van welwillendheid (93-94)
    Het genezen van de nijd (95-96)
    Zonder te pralen of zich op te blazen (97-98)
    Beminnenswaardigheid (99-100)
    Vrijmoedig loslaten (101-102)
    Zonder innerlijk geweld (103-104)
    Vergeving (105-108)
    Zich met de ander verheugen (109-110)
    Zij verdraagt en vergeeft alles (111-113)
    Zij gelooft alles (114-115)
    Zij hoopt alles (116-117)
    Zij verdraagt alles (118-119)Groeien in de huwelijksliefde (120-122)
    Voor geheel het leven, alles gemeenschappelijk (123-125)
    Vreugde en schoonheid (126-130)
    Uit liefde trouwen (131-132)
    Liefde die zich uit en groeit (133-135)
    Dialoog (136-141)
Gepassioneerde liefde (142)
    De wereld van de emoties (143-146)
    God bemint de vreugde van zijn kinderen (147-148)
    De erotische dimensie van de liefde (150-152)
    Geweld en manipulatie (153-157)
    Huwelijk en maagdelijkheid (158-162)
De verandering van de liefde (163-164)
Hoofdstuk 5: De liefde die vruchtbaar wordt (165-198)
Nieuw leven verwelkomen (166-171)
        De liefde eigen aan de zwangerschap (168-171)
        Moeder- en vaderliefde (172-177)
Uitgebreide vruchtbaarheid (178-184)
        Het lichaam leren kennen (185-186)
Het leven in het gezin in de brede zin van het woord (187)
        Kind-zijn (188-190)
        De ouderen (191-193)
        Broer- en zus-zijn (194-195)
        Een weids hart (196-198)
Hoofdstuk 6: Enkele pastorale perspectieven (199-258)
Vandaag het evangelie van het gezin verkondigen (200-204)
De verloofden leiden op de weg ter voorbereiding op het huwelijk (205-211)
        De voorbereiding van de viering (212-216)
De begeleiding van de eerste jaren van het huwelijksleven (217-222)
        Enkele hulpmiddelen (223-230)
Opheldering in crisissen, angsten en moeilijkheden (231)
        De uitdaging van de crisissen (232-238)
        Oude wonden (239-240)
        Begeleiden na breuken en scheidingen (241-246)
        Enkele complexe situaties (247-252)
Wanneer de dood haar angel aanbrengt (253-258)
Hoofdstuk 7: De opvoeding van de kinderen versterken (259-290)
Waar zijn de kinderen? (260-262)
De morele opvoeding van de kinderen (263-267)
De waarde van de straf als aansporing (268-270)
Geduldig realisme (271-273)
Het gezinsleven als educatieve context (274-279)
Ja aan de seksuele opvoeding (280-286)
Het geloof doorgeven (287-290)
Hoofdstuk 8: De gebrokenheid begeleiden, onderscheiden en integreren (291-312)
De geleidelijkheid in de pastoraal (291-295)De onderscheiding van de zogenoemde ‘irreguliere’ situaties (296-300)
De milderende omstandigheden in de pastorale onderscheiding (301-303)
De normen en de onderscheiding (304-306)
De logica van de pastorale barmhartigheid (307-312)
Hoofdstuk 9: Spiritualiteit in huwelijk en gezin (313-325)
Spiritualiteit van de bovennatuurlijke gemeenschap (314-316)
Verenigd in gebed in het licht van Pasen (317-318)
Spiritualiteit van de exclusieve en vrije liefde (319-320)
Spiritualiteit van de zog, de troost en de aansporing (321-325)
Gebed tot de Heilige Familie