maandag, november 09, 2009

Dixit

We hebben zonet "Het derde testament" van 7 november bekeken.
Een in 1974 uitgetrede zuster getuigt:
"Die nieuwe liederen, het veranderende Godsbeeld, de veranderingen in de liturgie, dus dat je ook eens op een andere manier een viering in mekaar kan zetten, dat zijn allemaal dingen waardoor je langzaam maar zeker weggroeit" (Zie hier voor de gehele uitzending)
Dit toont nog maar eens het verband tussen lex orandi en lex credendi en de diepgaande, identiteitsbepalende invloed die de liturgie en dus ook elke verandering in de liturgie heeft. Zie hier ook de grote verantwoordelijkheid die rust op de schouders van hen die in het verleden en het heden de liturgie als hun allerindividueelste expressie beschouwen.

vrijdag, november 06, 2009

The oak of weeping (Gen. 35, 8)

"And the name of that place was called, The oak of weeping." (Genesis 35, 8)

De afgelopen dagen hebben we een dieptepunt kunnen waarnemen in fatsoen en gezond verstand. Fatsoen aangezien de lezer van de katholieke blogosfeer struikelt over de onbetamelijke adjectieven. Gezond verstand doordat een middel  blijkbaar als een doel op zich, 'mijn heilig huisje', wordt beschouwd, waarbij vanwege persoonlijke grieven of nostalgische oprispingen men niet in staat is de 'bigger picture' te zien. Een gebrek aan gezond verstand omdat men ook niet in staat is tot consequent denken en handelen.
En zo komt het dat wat voor de één een gesel is, voor de ander een kenmerk is van verstandelijke onbekwaamheid, als gevolg van de al te frisse lucht op het platteland.
Wie zei ook al weer: "Daar zal geween zijn en tandengeknars".





P.S. I confess: There is no oak of weeping nor gnashing of teeth, looking out from my window

maandag, november 02, 2009

Breaking news: Studenten Ariënskonvikt naar de Tiltenberg

Zoals het aartsbisdom Utrecht en het bisdom Haarlem-Amsterdam melden zal vanaf volgend studiejaar het Ariënskonvikt zijn deuren sluiten en de studenten verhuizen naar de Tiltenberg!
Op de website van het bisdom Haarlem-Amsterdam lezen we het volgende:

"In een eerste reactie zegt mgr. dr. J.Hendriks, rector van het Grootseminarie De Tiltenberg:

“Voor het aartsbisdom is dit geen gemakkelijk besluit. Het Ariënskonvikt heeft in de afgelopen dertig jaar vele vruchten voortgebracht en is een begrip geworden. Het is de hoop dat de pijn van dit besluit verzacht kan worden doordat gezocht wordt naar wegen om priesters van het Aartsbisdom bij de opleiding te betrekken. Hierover zal nog nader overleg worden gevoerd. Ook de vorming gedurende het pastorale jaar, de voorbereidingstijd op de diaken- en priesterwijding, zal in het eigen (aarts)bisdom worden gevolgd zodat een goede ingroei mogelijk wordt.

Vanuit De Tiltenberg zal in ieder geval gestreefd worden naar een zo goed mogelijke samenwerking met het Aartsbisdom; we hopen dat de Utrechtse priesterstudenten zich thuis zullen voelen in Vogelenzang en een goede overgang mogelijk wordt. Deze week zullen de Utrechtenaren al iets kunnen beleven van het seminarie als zij met de andere Nederlandse priesterstudenten deelnemen aan het symposium dat in het kader van het Jaar voor de Priester op De Tiltenberg wordt gehouden en waarbij ook de Aartsbisschop aanwezig is.”

Heuglijk nieuws komt zelden alleen!

Dank u, Mgr. Punt!


Mgr. Léonard wijdt nieuwe priesters van de Petrusbroederschap in 2007


Graag willen wij langs deze weg Mgr. Punt van harte feliciteren met de beslissing om jonge priesters en seminaristen in staat te stellen zich vertrouwd te maken met de buitengewone vorm van de Romeinse Ritus. Dit is een moedige beslissing. Want, alhoewel het de logica zelve is dat de éné Romeinse Ritus in alle onderdelen –die juridisch gelijkwaardig zijn- aangeleerd wordt (zoals de Ecclesia Dei-commissie reeds lang geopperd had), toch is het huidige kerkelijke klimaat helaas van die aard dat het gezond verstand vaak genegeerd wordt. Mgr. Punt heeft reeds eerder met de St. Agneskerk blijk gegeven niet aan deze druk te bezwijken.
Nu, méér dan 2 jaar na het van kracht worden van Summorum Pontificum, zegeviert dit gezond verstand omdat Mgr. Punt de moed heeft om een concreet en zichtbaar teken te stellen van de gehoorzaamheid die wij allen verschuldigd zijn aan de wil van Paus Benedictus. (Wij beschouwen derhalve het als een lapsus wanneer in het bericht sprake is van een “Tridentijnse Mis” of “Tridentijnse Ritus”: Summorum Pontificum maakt geen enkele melding van deze terminologie; het betreft de liturgische boeken van de Zalige Johannes XXIII (zowaar de paus van het aggiornamento) en heeft niets van doen met enige nostalgie zoals de terminologie “Tridentijns” al te vaak impliceert. Bovendien is er maar één Romeinse Ritus met twee gebruiken of vormen die gelijkwaardig zijn.)
De logica zelve gebiedt ook dat dit slechts een eerste stap kan zijn in de volledige rehabilitatie van de buitengewone vorm van de Romeinse Ritus. Daarom veronderstellen wij dat in de nabije toekomst:

1/de buitengewone vorm volledig in het curriculum van de seminarie-opleiding zal geïntegreerd worden aangezien een kortstondige cursus onvoldoende is om geheel de rijkdom van de Traditie te leren kennen.
2/de geschiedenis van de liturgie dusdanig zal gedoceerd worden dat de beoogde hermeneutiek van de continuïteit duidelijk naar voren komt, d.w.z. de ideologische en wetenschappelijk foutieve voorstelling niet meer is dat, na de gouden tijden van de eerste christenen, een periode van verval tijdens de Middeleeuwen tot aan het begin van de 20ste eeuw is opgetreden, waarna de liturgische beweging het warm water terug uitgevonden heeft en Vaticanum II dit eindelijk ingezien heeft zodanig dat alles wat vóór 1962 kwam een gepasseerd station is.
3/concrete stappen ondernomen worden om de mentaliteit zodanig te versterken dat de liefde voor de buitengewone vorm in de harten van elke seminarist zal groeien
4/de celebratie van de buitengewone vorm een vaste en regelmatige plaats zal krijgen in het leven op het seminarie
5/dit alles met het oog op –in het kader van ‘competentie-gericht’ onderwijs- elkeen die wil, in staat te stellen tegemoet te komen aan het persoonlijke verlangen en dat van de gelovigen om in de parochie de buitengewone vorm te celebreren.

zaterdag, oktober 31, 2009

Forma extraordinaria in het seminarie: het kan!


We lazen zonet enkele verslagen (hier, hier en hier) van de workshop „Zweites Vatikanisches Konzil – zwischen Geist und Gespenst?“, dat onlangs (24 oktober) georganiseerd werd te Bonn door de "Generation Benedikt". Naast de interesse voor de woorden van pater Gaudron FSSPX, (zie bv. hier) één van de leden van de commissie die gesprekken voert met het Vaticaan en auteur van het zeer lezenswaardige boek "Die Hl. Messe aller Zeiten", een uitstekende inleiding in de symboliek en de theologie van de 'Usus antiquior' van de Romeinse Ritus, bemerkten wij dat Dr. Guido Rodheudt van Herzogenrath in het Albertinum, het convict van het aartsbisdom Keulen, de Heilige Mis opdroeg in de Forma extraordinaria.
Inderdaad een buitengewone gebeurtenis, al was het maar dat wij, de Lage Landen, al weer of nog steeds achterblijven.

Waarom "versus Deum"?

Waarom “versus Deum”? (Voor alle seminaristen die op 5-6 november navolging willen geven aan de oproep van paus Benedictus tot de "opvoeding van de gelovigen tot het besef van de Eucharistische Aanwezigheid")

De bekende Engelse theoloog Aidan Nichols O.P., die het prachtige boek Reason with Piety. Garrigou-Lagrange in the Service of Catholic Thought (Naples, FL., 2008), publiceerde, schreef onlangs het volgende m.b.t. de discussie getiteld “Is the SSPX right about the liturgy?”
That said, I would agree with you that we need to "re-sacrificialise", in your invented but useful word, our common or garden usage of the rite of Paul VI - if not, in some respects, the rite itself. But to my mind the single greatest contribution we can make to that end is to press - judiciously and with respect - for the celebration of the Mass versus orientem, the Liturgy "turned towards the Lord". The celebrant stands ministerially in the place of Christ the High Priest. Appropriately, since our Great High Priest is Mediator between God and men, the Church's priest, during the Liturgy of the Sacrifice - after, that is, the litany-like moment of the Bidding Prayers - turns at key moments to the body of the faithful, engaging their response ("active" participation means engaged participation, not jumping up and down) to the sacred action of which he is protagonist. Essentially, however, in the celebration of the Sacrifice the ministerial priest is turned - always in spiritual attitude if, in our current practice, seldom in empirical fact - not to face the people but, with the beloved Son, to face the Father, to whom the Oblation of praise and thanksgiving, propitiation and supplication is addressed. Your desire for a clearer indication of the change in level as we move from the Liturgy of the Word to the Liturgy of the Sacrifice would be well met by the change of direction whereby the priest at that shift in gear turns from facing the people to facing the Father. A strengthening of the Offertory rite would appropriately accompany that change.”

De theologische achtergrond (en hier is het ons altijd om te doen) wordt verder toegelicht in volgende woorden uit een recent artikel van hem St. Thomas and the Sacramental Liturgy
The Thomist72 (2008): 571-93 (pp. 585-588)

VIII. The Priesthood of Christ As Foundation of the Liturgy

By far the most important Christological theme Thomas invokes in this connection from the New Testament and the Fathers is the priesthood of Christ. The office of a priest--and on this point social anthropology and traditional theology are at one--is to serve as a mediator between God and human beings, conveying men's prayer and penance to God and God's gifts to men. Thomas completely approves of the decision of the author of the Letter to the Hebrews to describe Jesus Christ and his work in priestly terms. As he remarks pithily in the Tertia Pars: "Through [Christ] divine gifts are bestowed on human beings, and he himself reconciled the human race to God. Thus priesthood is maximally fitting to Christ."(48)

In his commentary on the Letter to the Hebrews, Thomas sets out at some length the priestly office of Christ, the divine Word who assumed the wounded human condition to the extent of the humiliation of the Cross, thereby becoming "Lord"--that is, meriting to be exalted to the glory of heaven and installed in his humanity as our merciful judge and faithful advocate with the Father.(49) It is in this context of New-Testament-inspired reflection that Thomas is moving when in the Summa Theologiae he calls Christ the "primal agent" in the genus of priesthood. Just as the sun is not illumined but illuminates, and fire is not warmed but warms, so Christ is the "fount," fons, of all priesthood worth the name.(50) Likewise, his supreme priestly act--the sacrifice he consummated in his passion and death--has an everlasting power that invigorates all the sacrifices dependent on it while receiving nothing from them. In other words, the sacrifice of our great high priest is the source of whatever is valid for salvation in the sacrificial worship of the Church. In a Thomist perspective, the entire Liturgy of the Church thus shares in the "liturgy" of Jesus's life--the worship he gave the Father through the visible signs which were the "mysteries," the chief events, of that life--and the Church's worship is effective only by their power.(51)

All the mysteries of Christ's life can be included here because the Savior's self-oblation on the tree, the "baptism" (in blood, not water) of which he said he was "straitened" until it was "accomplished" (Luke 12:50), made of his whole life the priestly service of God. All his significant actions and sufferings can be considered as ordered to the offering on the Cross, the offering that will transmit for all time the salvation there merited.(52) Though situated in the past, these actions and sufferings of the incarnate Word, with the Cross as their center, have present efficacy. The Liturgy draws attention to this in explicit fashion since its prayers and sacrifices are pleaded on the basis of the unique merits his human career and destiny gained him: the goods we seek from God are sought, as the terse Roman formula has it, "through Christ our Lord." Thomas writes epigrammatically: "the whole cult of the Christian religion is derived from the priesthood of Christ" (totus ritus christianae religionis derivatur a sacerdotio Christi),(53) a statement that must be interpreted in the light of its fellow in the immediately previous question of the Summa Theologiae: "Through his Passion he inaugurated the rites of the Christian religion by 'offering himself as an oblation and sacrifice to God.'"(54)

Christ's priesthood means utter ecclesial fruitfulness in the sacramental Liturgy. Thomas never--or, if ever, then (in the words of W. S. Gilbert in H. M. S. Pinafore) hardly ever--speaks of the sacrifice of Christ without simultaneously thinking of its actualization in the sacraments and especially the Holy Eucharist.(55) Dom Vagaggini, fulfilling his brief as a Thomist Benedictine, wrote:

“Christian worship is the worship of God instituted by Christ in his mortal life, chiefly on Golgotha, as Redeemer and Head of the redeemed humanity which was to be formed into his Church, his body and his spouse, the expression of himself and the continuation of his work in the world until his glorious return. It is, therefore, the worship of God in Christ and through Christ: begun by Christ, continued invisibly by him in us, through us and for our benefit, that is, in his Church, by means of his Church and for the benefit of his Church, who simply takes part and associates herself in his worship. The proper excellence of the divine life on which Christian worship is formally based is, therefore, the divine life manifested in Christ.”(56)

It was said more succinctly by Pius XII, "The Liturgy is nothing more nor less than the exercise of the priestly function of Jesus Christ," words which achieved a resonance in both the Constitution on the Sacred Liturgy of the Second Vatican Council and, thirty years later, the present Catechism of the Catholic Church.(57)

48.  STh III, q. 22, a. 1.

49.  G. Berceville, O.P., "Le sacerdoce du Christ dans le Commentaire de l'Epitre aux Hébreux de saint Thomas d'Aquin," Revue Thomiste 99 (= Saint Thomas d'Aquin et le Sacerdoce: Actes du colloque organisé par l'Institut Saint-Thomas-d'Aquin les 5 et 6 juin 1998 à Toulous), 150.

50.  STh III, q. 22, a.4.

51.  Berger, Thomas Aquinas and the Liturgy, 69.

52.  In Hebr.X, lect. 1.

53. STh III, q. 63, a. 3.

54. STh III, q. 62, a. 5, with an internal allusion to Eph 5:2.

55.  Berceville, "Le sacerdoce du Christ dans le Commentaire de l'Epitre aux Hébreux de saint Thomas d'Aquin," 151.

56.  Vagaggini, Theological Dimensions of the Liturgy, 135.

57.  Pius XII, Mediator Dei, 22 (Christian Worship, p. 17); Sacrosanctum Concilium 7; Catechism of the Catholic Church 1069

vrijdag, oktober 30, 2009

St. Thomas Aquinas and the Priesthood

For all those in Rome on November 6, 2009: The Angelicum is the place to be!
For more information, click here!


zaterdag, oktober 24, 2009

Angelicum en Papa Wojtyla



Om de 60ste verjaardag van het behalen van het doctoraat van Karol Wojtyla te vieren, staat het academiejaar 2009-2010 van het Angelicum in teken van diens filosofie en theologie.
Voor meer info, bezoek deze pagina van de website van het Angelicum en de speciale website

zondag, oktober 18, 2009

Mons. Gherardini over oecumene



Aangezien Mons. Gherardini van 1967 tot 1995 ecclesiologie en oecumene doceerde aan de Universiteit van Lateranen te Rome, zijn zijn opmerkingen over het conciliaire decreet Unitatis Redintegratio van gewichtig belang. Hij publiceerde tevens talrijke werken over Karl Barth, Luther, Schleiermacher en de kerkopvatting van het protestantisme (zie zijn Festschrift 'Miscellanea Brunero Gherardini' Libreria Editrice Vaticana, 1996, pp. 2-21).

Wij hopen dat deze en andere bijdragen duidelijk hebben gemaakt dat een Nederlandse vertaling van groot belang zou zijn, te meer daar een Engelse en Franse vertaling in voorbereidinge zijn.


Mons. Gherardini over Unitatis Redintegratio (UR) nr. 19-23 welke handelen over de zij die gescheiden zijn van de Apostolische Stoel van Rome:
“Helaas komt de oppervlakkigheid aan het licht, vooral in dit deel van het decreet, gewijd aan de christenheid van het Westen, afgescheiden van Rome: de voorvallen van de Reformatie en van de reformatoren, Luther op de eerste plaats, konden niet een minder gepaste behandeling verkrijgen dan deze zowel op historisch als op theologisch vlak en gezien de weinige artikels die UR eraan besteedt en bovendien op basis van niet-wetenschappelijke criteria. De intentie was bovendien niet om een traktaat te presenteren maar de dialoog aan te vangen: over het Geloof, de H. Schrift, de sacramenten, het christelijk leven. Het betreft niet enkel de inhoud van de dialoog; ook de dialoog kan niet verhullen dat over elk van deze punten de posities verschillen. Het Geloof, dat zich weliswaar centreert op Christus in een schijnbaar gemeenschappelijke christologische belijdenis, is onderworpen aan uiteenlopende interpretaties wat betreft het verlossingswerk van het Mensgeworden Woord, de werkelijkheid en functie van de Kerk, de leer over de sacramenten, de cultus van Maria en de Heiligen.  … Over de sacramenten is de onenigheid quasi totaal en dit niet enkel door de protestantse weigering van wel vijf sacramenten, maar omwille van het begrip ‘sacrament’ als zodanig. Wat betreft Maria, is het weliswaar juist dat Luther niet geheel tegen Maria was, alhoewel hij Maria betrok in de ontkenning van de cultus van de Heiligen; en het is bovendien waar dat enkele groepen van het huidige protestantisme wat betreft Maria zeer interessante revisies en doctrinele correcties hebben doorgemaakt maar de officiële positie verandert niet. Ik zie daarom niet in wat een dialoog –grotendeels tussen doven – erin slaagt om iets waarlijks effectief bij te dragen tot de doeleinden van UR.
Ik kan tot slot niet in stilte voorbijgaan aan de verklaring over het christelijk leven en het leven van de genade in een protestante context. Ik twijfel er absoluut niet aan de Heer in staat is om ook van stenen kinderen van Abraham te maken (Mattheus 3, 9; Lucas 3, 8); maar een leven van genade, in de historische heilseconomie, hangt af van condities die door God zelf zijn in gesteld en die de protestantse wereld ofwel niet volledig respecteert ofwel gewoonweg verwerpt. Ik refereer bv. naar de onaantastbaarheid van het leven vanuit het eerste begin, aan de leer over het huwelijk, euthanasie. Zulke voorbeelden zouden echter verdergezet kunnen worden door de aandacht te vestigen op de wijze waarop men de geloofsact opvat, het mysterie van de Drie-eenheid uitlegt en beleeft, naar de bronnen van de genade verwijst. Bovendien zou men ook de aandacht moeten vestigen op de verwerping - die nog altijd niet herroepen is ondanks enkele recente pogingen- van de evangelische raden, op de wezenlijke afwezigheid van het ideaal van heiligheid als vervolmaking van de liefde, op de totale afwezigheid van de sacramentele penitentie.” (pp. 195-196)

Wat betreft Lumen Gentium 15: “De Kerk voelt zich met hen, die gedoopt zijn en de naam van christen dragen, maar niet het volledige geloof belijden of niet in de eenheid van gemeenschap leven onder de opvolger van Petrus, om meerdere redenen verbonden.”
Uit de commentaar van Brunero Gherardini:
“Is de overtuiging dat om meerdere redenen de katholieke Kerk zich verbonden voelt met de broeders die behoren tot andere christelijke denominaties al dan niet gefundeerd? Het vervolg van LG 15 is slechts een poging om expliciet op deze vraag te antwoorden: welke zijn deze redenen? De eer voor de Heilige Schrift, de religieuze ijver, geloof in God de Vader en in Christus-Verlosser, het herboren worden in de doop en de aanwezigheid van andere sacramenten, de eucharistische eredienst, de Maria-verering? Ik wil deze opsomming niet als weinig correct kwalificeren, maar niemand zou moeten de grenzen vergeten waarin het geloof van de reformatoren en hun epigonen wordt gereduceerd:
geen incompatibiliteit tussen christelijk leven en ‘ethiek’ van abortus, scheiding en ‘diversiteit;
verdrukking van tenminste vijf sacramenten;
opvatting van het sacrament als teken, maar ontdaan van het “veroorzaken van de genade die het betekent”;
reductie van de Eucharistie tot de viering van het “testament” van Christus;
eer voor de Heilige Schrift die uitgehold is door tegengestelde gedachten over de werkelijke inspiratie van de Heilige Schrift;
afwezigheid van een ware cultus van Maria zoals van de Heiligen;
niet enkel afwezigheid maar ontkenning van het ambt van de Paus en, zelfs daar waar het heerst, wordt het bisschopsambt heel anders gerespecteerd dan dewelke die voortkomt uit de apostolische successie.” (pp. 203-204)

Voor Mons. Gherardini zijn zowel wat geloof en sacramenten betreft integendeel weinig redenen om zich verbonden te voelen. Een betere uitdrukking aan deze problematiek gaf Pius XII met ‘Mystici corporis’ waarin hij sprak over een “werkelijk, effectief” (reapse) toebehoren aan de Kerk en sprak over een “een onbewuste wens en onbewust verlangen” naar de Kerk vanwege zij die zich buiten de katholieke Kerk bevinden en “trachten zich te bevrijden uit die toestand, waarin zij niet zeker kunnen zijn van hun eeuwig heil.”
 
Hij gaat verder: “Deze leer van Pius XII was uiteindelijke een traditionele leer welke UR 3 radicaal wijzigt door “werkelijk, effectief” te wijzigen door “volledig-niet volledig”, “volmaakt-niet volmaakt”. Het probleem was en is echter niet of “de katholieke Kerk met broederlijk respect en liefde de afgescheiden broeders omarmt” maar of “de verschillen die er bestaan op leerstellig vlak en ook qua discipline” en “de niet weinige beletselen die soms ernstig zijn voor de volledige kerkelijke gemeenschap” zich uitwissen door een eenvoudige slag van een spons: deze van “niet volledig”. Iedereen die een beetje Latijn kent en in staat is om logisch te redenen, begrijpt dat in de marge van “niet volledig” en de onbediscussieerde en totale werkelijkheid van “reapse” een afgrond gaapt. Waar en hoe is er dan een verbinding te vinden voor een hermeneutiek van de continuïteit?” (p. 205)