maandag, juni 23, 2014

Het graf van kardinaal Alfredo Ottaviani (1890-1979)

In het Vaticaan is er een klein kerkje waar zich in een zijkapel het graf van kardinaal Alfredo Ottaviani bevindt. Hier zijn een aantal foto's.









En uit de oude doos!




woensdag, juni 04, 2014

Heiligverklaringen en onfeilbaarheid: Sint-Thomas van Aquino

De recente canonisaties van Johannes Paulus II en Johannes XXIII kunnen ons doen nadenken over de relatie tussen canonisatie en onfeilbaarheid. Te meer daar tot de 81 pausen die momenteel heiligverklaard zijn behoren alle 35 eerste pausen (dus van Petrus tot St. Julius I (337-352) en 52 van de 54 eerste pausen (dus tot en met St. Felix IV (526-530) behalve Liberius (352-366) en Anastasius II (496-498). Deze werden allen door algemene acclamatie heiligverklaard.
Daarna volgen nog 17 heilige pausen tot aan de eerste canonisatie door de paus zelf.

Canonisaties door de Paus komen voor sinds het einde van de 10e eeuw. De eerste Paus die deed was Johannes XV (985-996) die op een Romeinse synode in 993 Ulrich, bisschop van Augsburg, canoniseerde. Voorheen was dit een bevoegdheid van de plaatselijke bisschop. Het was Paus Alexander II (1159-1181) die in een schrijven tussen 1171 en 1180 het alleenrecht tot canonisatie voor de pauselijke Stoel reserveerde. In 1234 wordt dit schrijven in de Decretalen van Gregorius IX opgenomen en zo formeel voor de pauselijke Stoel gereserveerd.
Sinds 1234 waren er tot voor kort slechts 3 heilige pausen (Celestinus V (1294), Pius V (1566-1572) en Pius X (1903-1914) en tot aan het jaar 2000 slechts 5 zalige pausen (Gregorius X (1271-1276), Innocentius V (1276), Benedictus XI (1303-1304), Urbanus V (1362-1370), Innocentius XI (1676-1689). Bovendien werd Benedictus XI pas zaligverklaard in 1773, Urbanus V pas in 1870, Innocentius XI pas in 1956, Innocentius V pas in 1898 en Gregorius X in 1713.

Sinds 2000 groeit de lijst snel aan. De zaligverklaring van Pius IX (1846-1878) en Johannes XXIII (1958-1963) in 2000, de zaligverklaring van Johannes Paulus II (1978-2005) in 2011, gevolgd door de canonisatie van Johannes XXIII en Johannes Paulus II op 27 april 2014.
Tevens is de zaligverklaring van Paulus VI (1963-1978) aangekondigd voor october 2014 en loopt de zaligverklaring van Pius XII (1939-1958) en Johannes Paulus I (1978).

Kortom, onder de laatste 10 pausen zijn er nu 3 heilige pausen (Pius X, Johannes XXIII en Johannes Paulus II), 1 zalige (Pius IX) en binnenkort een tweede (Paulus VI)  waarbij in afzienbare tijd misschien nog 2 bijkomen (Johannes Paulus I en Pius XII).  Enkel voor Leo XIII, Benedictus XV en Pius XI loopt er momenteel geen proces.

De relatie tussen canonisatie en onfeilbaarheid wordt reeds besproken vanaf de publicatie van de Decretalen van Gregoius IX in 1234. Er ontwikkelingen zich verschillende stellingen.
Stelling 1/Omstreeks deze tijd begint dus de discussie over de vraag of een canonisatie door de Paus een onfeilbare handeling is. De eerste canonisten zijn van mening dat de Paus in een canonisatie niet onfeilbaar is. Een vergissing is weliswaar onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk. Desondanks dienen canoniseerde heiligen vereerd te worden. Zo bv. Innocentius IV: “Venerandi sunt omnes sancti canonizati…dicimus, quod etiam si Ecclesia erraret quod non est credendum: tamen preces per talem bona fide porrectas Deus acceptaret” (Super libros quinque Decretalium, l. 3, ti. 24, c. 1).

Stelling 2/Theologen zoals Johannes van Napels OP (gest. ca. 1336) verdedigen daarentegen de stelling dat er absolute zekerheid is over het oordeel van de Paus in canonisatie. Zo bv. in zijn Quodlibetale kwestie 2 waar hij begint met een onderscheid te maken tussen “particuliere aangelegenheid van particuliere mensen” zoals beneficies, promoties etc. en zaken die behoren “ad statum universalem totius Ecclesiae vel quantum ad fidem”. Zaken die behoren tot het geloof zijn “articulos et Ecclesiae sacramenta et omnia alia contenta in sacra Scriptura, sive quantum ad bonos mores”. In de eerste zaken kan de Paus dwalen maar in de tweede soort van zaken “credendum est, papam errare non posse, quia christus oravit pro Ecclesia, Luc 22 Ego pro te rogavi, Petr, ut non deficiat fides tuo … et dicere quod in huiusmodi Papa errare possit, esset haereticum.” Johannes van Napels verwijst naar de Quodlibetale kwestie van zijn confrater Thomas van Aquino. Deze stelling werd ook verdedigd door paus Benedictus XIV (1675-1758) en in recentere tijden door Johannes Vincentius de Groot OP (1848-1922), Adolphus Tanquerey sj (1854-1932) en Franz Diekamp (1864-1943).

Stelling 3/In het verdere verloop verliest de stelling van de eerste canonisten aan gewicht. Maar het is niet zo dat de tweede stelling van o.a. Johannes van Napels het haalt. Een derde stelling doet zijn ingang nl. dat de Paus in een canonisatie niet kan dwalen is weliswaar niet zeker maar een goed gefundeerde en vrome aanname. Voorstanders van deze stelling zijn o. a. Cajetanus, Franciscus de Vitoria, Dominicus de Soto, Melchior Cano, Dominicus Banez, Ioannes a Sancto Thomas en Philippus a SS. Trinitate, dus met name Dominicanen.

Stelling 4/Een vierde stelling ontwikkelt zich, nl. dat de Paus onfeilbaar is en dat dit de fide zeker is en dat de status van een gecanoniseerde onder het goddelijk geloof valt. Deze stelling wordt vooral door Jezuïeten, Carmelieten en Franciscanen verdedigd maar ietwat uitzonderlijk ook door Franciscus Marin-Sola OP (1873-1932).

Stelling 5/Verzet tegen deze stelling, nl. dat de inhoud van een canonisatie onder goddelijk geloof valt en dus geopenbaard is, kwam er met de volgende stelling, nl. de onfeilbaarheid is niet de fide zeker maar theologice certa en de inhoud van de canonisatie behoort tot het kerkelijk geloof). Deze stelling maakt opgang in de 17e en 18e eeuw en werd in meer recente tijden ook door Christian Pesch sj (1853-1925) verdedigd.

Stelling 6/Een laatste stelling, vooral in de 19e eeuw opgang gemaakt, probeert stelling 4 en 5 te combineren en zegt dat de Paus weliswaar onfeilbaar is en dat dit de fide is maar de inhoud van een canonisatie behoort niet formeel tot een geopenbaarde waarheid. Verdedigers van deze stelling waren Johann Baptist Franzelin sj, Matthias Scheeben en Louis Billot sj.
In al deze discussies beroept men zich op een lectuur van een Quodlibetale kwestie van Thomas van Aquino welke men leest in de context van de eigen vraagstellingen omtrent openbaring en onfeilbaarheid. Maar dat is weer een heel ander verhaal.
Alleszins volgt hier de eerste Nederlandse vertaling van deze tekst van Sint-Thomas.


Quodlibet IX, q. 8: Zijn alle heiligen die door de Kerk heiligverklaard zijn in de heerlijkheid of zijn er sommigen onder hen in de hel?
Het lijkt dat sommigen die door de Kerk zijn heiligverklaard in de hel kunnen zijn.
Arg. 1. Immers, niemand kan zeker zijn van de staat van iemand anders, net zo min als van zichzelf “want wat betreft de mens kent niemand deze tenzij de geest van de mens die in hem is” zoals gezegd wordt in 1 Kor. 2, 11. Maar een mens kan niet zeker zijn van zichzelf of hij in staat van heil is: “De mens weet niet of hij waardig is voor haat of liefde” (Pred. 9, 1). Des te minder dus weet de Paus dit. Hij kan dus dwalen bij het heiligverklaren.
Arg. 2. Iedereen die steunt op een feilbaar middel bij het oordelen kan dwalen. Maar bij de heiligverklaring steunt de Kerk op de getuigenis van mensen wanneer zij door middel van getuigen onderzoek verricht naar het leven en de wonderen. Aangezien dus het getuigenis van mensen feilbaar is, lijkt het dat de Kerk kan dwalen bij het heiligverklaren.

Daarentegen. 1. Er kan geen veroordelenswaardige dwaling bestaan in de Kerk. Maar het zou een veroordelenswaardige dwaling zijn indien men iemand als een heilige zou vereren die een zondaar was. Immers, sommigen zouden, bij de kennis van diens zonden geloven dat deze verering als heilige vals is en indien dit zou gebeuren, dan zouden ze tot een dwaling kunnen gebracht worden. De Kerk kan hieromtrent dus niet dwalen.
2. In een brief aan Hieronymus zegt Augustinus dat, indien men toegeeft dat er in de canonieke Schrift een leugen aanwezig is, ons geloof, dat afhankelijk is van de canonieke Schrift, op het spel komt te staan. Maar zoals wij gehouden zijn te geloven wat in de heilige Schrift staat, zo ook zijn wij gehouden te geloven wat in het algemeen bepaald is door de Kerk. Vandaar dat iemand die een stelling verdedigt die tegen de bepaling van de Concilies ingaat beoordeeld wordt als ketter. Het algemene oordeel van de Kerk kan dus niet in dwaling zijn. Zodoende is de conclusie dezelfde als voorheen.

Antwoord
Iets kan beoordeeld worden als mogelijk wanneer het op zichzelf beschouwd wordt en, wanneer in relatie wordt gebracht met iets extrinsiek, dan wordt gevonden dat het onmogelijk is. Ik zeg dus dat het mogelijk is dat het oordeel van hen die aan het hoofd staan van de Kerk kan dwalen omtrent eender wat indien men enkel de personen die aan het hoofd staan, beschouwt. Echter, indien men de goddelijke voorzienigheid, die zijn Kerk door zijn heilige Geest leidt opdat ze niet zou dwalen, zoals beloofd in Joh. 16, 31: “De Geest die komen gaat zal alle waarheid leren” omtrent wat noodzakelijk is voor het heil in ogenschouw neemt, dan is het zeker dat het onmogelijk is dat het oordeel van de universele Kerk dwaalt omtrent wat behoort tot het geloof. Vandaar moet men zich meer houden aan de uitspraak van de Paus, aan wie het toekomt het geloof te bepalen, dan aan de mening van alle experten inzake de Schrift. Immers, in Joh. 11, 51 lezen we dat Kajafas, alhoewel waardeloos [als persoon], toch profeteerde zonder het te weten omdat hij [dat jaar] hogepriester was.
In andere uitspraken, echter, omtrent particuliere zaken zoals bezittingen, misdrijven en dergelijke is het mogelijk dat het oordeel van de Kerk dwaalt vanwege valse getuigen. De canonisatie houdt het midden tussen deze twee. Echter, omdat de eer die wij bewijzen aan de heiligen in zekere zin een geloofsbelijdenis is, waarin wij geloven in de heerlijkheid van de heiligen, dient men met devotie te geloven dat het oordeel van de Kerk hieromtrent niet kan dwalen.

Ad 1. De Paus, aan wie het toekomt heiligen te canoniseren, kan verzekerd zijn van de staat van iemand door middel van een onderzoek naar diens leven en de bevestiging van wonderen en vooral door de inspiratie van de Heilige Geest "die alles doorgrondt, zelfs de verborgenheden Gods" (1 Kor. 2, 10)
Ad 2. De goddelijke voorzienigheid vrijwaart de Kerk opdat Zij zich niet vergist in dergelijke zaken door middel van het feilbare getuigenis van mensen.

woensdag, mei 14, 2014

Rahner, Ottaviani en St. Thomas

In "Julius Kardinal Döpfner : Konzilstagebücher, Briefe und Notizen zum Zweiten Vatikanischen Konzil", hrsg. G. Treffler, Schnell und Steiner, München, 2006 (Schriften des Archivs des Erzbistums München und Freising 9) vinden we volgende interessante documenten. Ter info, Kardinaal Julius Döpfner (1913-1976) was eerst bisschop van Würzburg en dan van Berlijn tot hij in 1958 kardinaal werd en in 1961 aartsbisschop van München und Freising. Tijdens Vaticanum II was hij, samen met de kardinalen Agagiagian, Lercaro, Suenens, moderator van het Concilie.

Het eerste document is een notitie uit 1961 waarin kardinaal Döpfner bericht dat hij Paus Johannes XXIII gevraagd heeft Karl Rahner als lid van de theologische commissie te benoemen. Hierop vraagt de paus of Rahner "eigensinnig sei oder ob er sich einordnen könne". Verder vertelt de notitie dat kardinaal Ottaviani argwanend is wegens de vragen die er op dat moment bij het H. Officie omtrent Rahner liggen.
Een tweede document is een brief van Karl Rahner aan kardinaal Döpfner uit 1962. Hierin beklaagt Rahner zich over een schema over St. Thomas in bewoordingen die typisch zijn voor Rahner's houding t.a.v. Thomas en tegelijkertijd de opstellers ervan beschouwt als een "reactionaire clicque".

woensdag, mei 07, 2014

Heilig zonder wonder?

Sinds Innocentius IV (1243-1254) geldt dat voor een heiligverklaring een wonder vereist is. Het wonder dient als bevestiging vanuit de hemel van de heiligheid van de persoon. In het monumentale werk van Prospero Lambertini (Paus Benedictus XIV 1740-1748) citeert hij Thomas van Aquino die schrijft dat doorheen een wonder God werkt voor het voordeel van de mens en dit op twee manieren: ter bevestiging van een verkondigde waarheid en ter bewijsvoering van de heiligheid van een mens die God verlangt aan de mensen als voorbeeld aan te bevelen (ST II-II, 178, 2).

Daarnaast spreekt paus Lambertini over de mogelijkheid van een “equivalente canonisatie”. Hiervoor zijn drie voorwaarden noodzakelijk: een oude traditie van verering, de constante en algemene bevestiging door geloofwaardige historici van de deugden of het martelaarschap en de ononderbroken faam van wonderen. Indien deze voorwaarden vervuld zijn dan kan de paus de verering van een nieuwe heilige voor de hele Kerk toestaan zonder voorafgaand proces en dus zonder vaststelling van een wonder en zonder een definitieve formele uitspraak.
Paus Lambertini geeft twaalf voorbeelden van zulke equivalente canonisatie voor zijn eigen pontificaat: Romualdus (canonisatie in 1595), Norbertus (1621), Bruno (1623), Peter Nolasco (1655), Raymond Nonnatus (1681), Stephanus van Hongarije (1686), Margareta van Schotland (1691), Johannes van Matha en Felix van Valois (1694), Gregorius VII (1728), Wenceslaus van Bohemia (1729), Gertrudis van Helfta (1738).

In de periode nadien zijn er de volgende gevallen: Petrus Damianus en de martelaar Bonifatius (canonisatie in 1828); Cyrillus en Methodius (1880); Cyrillus van Alexandria, Cyrillus van Jerusalem, Justinus de Martelaar en Augustinus van Canterbury (1882); Johannes Damascenus en abt Sylvester (1890); Beda Venerabilis (1899); Ephrem de Syriër (1920); Albertus Magnus (1931); Margareta van Hongarije (1943); Gregorius Barbarigo (1960); John of Avila and Nicola Taveli en drie gezellen martelaren (1970); Marko Krizin, István Pongrácz en Melchior Grodziecki (1995) en tot slot Hildegard van Bingen (2010). (Bron)

In deze laatste reeks valt op dat Leo XIII (1878-1903) er twintig jaar voor nodig heeft voor elf gevallen, Pius X (1903-1914) dit niet toepast, Benedictus XV (1914-1922) slechts éénmaal, Pius XI (1922-1939) ook slechts éénmaal, Pius XII (1939-1958) ook slechts eenmaal, Johannes XXIII (1958-1963) ook slechts eenmaal, Paulus VI  ook slechts eenmaal, Johannes Paulus I dit niet toepast en dat zelfs in het lange pontificaat van Johannes Paulus II (1978-2005) dit slechts éénmaal gebeurt en dat dit laatste ook geldt voor Benedictus XVI (2005-2013). Bovendien gaat het in nagenoeg de meeste gevallen over heiligen uit het eerste millennium of de middeleeuwen.

Grondig anders is het bij paus Franciscus. De lijst van equivalente canonisaties is op nauwelijks méér dan 1 jaar pontificaat als volgt: Angela da Foligno (1248-1309, canonisatie 9 oktober 2013), Petrus Faber SJ (1506-1546, canonisatie 17 december 2013), . José de Anchieta SJ (1534-1597, canonisatie 3 april 2014), Maria van de Incarnatie (geboren Marie Guyart, 1599-1672, canonisatie 3 april 2014 ), bischop François de Montmorency-Laval (1623-1708, canonisatie 3 april 2014) en tot slot paus Johannes XIII (1881-1963, canonisatie 27 april 2014). Kortom, op iets meer dan 1 jaar pontificaat zijn er zes nieuwe heiligen zonder dat er sprake is van een wonder.

De paus geldt als opperste wetgever en de voorwaarden voor een canonisatie vallen niet onder de goddelijke wet en kunnen dus door de opperste wetgever veranderd of afgeschaft worden. Niettemin, in een leerstellige nota uit 1989, ondertekend door de toenmalige prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, kardinaal Ratzinger worden heiligverklaringen beschouwd als waarheden waarvan gezegd wordt: “Iedere gelovige echter moet vast en definitief instemmen met deze waarheden steunend op het geloof in de bijstand die de heilige Geest schenkt aan het leergezag van de Kerk en op de katholieke leer omtrent de onfeilbaarheid van het leergezag in deze zaken.” Een heiligverklaring dient “definitief gehouden te worden”. Op dezelfde lijn plaatst de nota waarheden als wat de Kerk zegt over euthanasie, prostitutie, ontucht, de legitimiteit van een pauskeuze, de ongeldigheid van de Anglicaanse wijdingen, etc.


Het gebruik van paus Franciscus is dus een ernstige aangelegenheid. Volgende bemerkingen kunnen gemaakt worden.
-Indien de Kerk verder aan de voorwaarde van een wonder wil vasthouden maar bij sommigen een uitzondering maakt dan valt een negatief licht op deze heiligen door equivalente canonisatie want de geschiedschrijving zal steeds de uitzondering van de algemene regel vermelden.
-Wanneer totnogtoe in nagenoeg alle gevallen een wonder als bevestiging vanuit de hemel gold, dan kan een uitblijven van een wonder als een uitblijven van deze bevestiging beschouwd worden.
-Niet in alle gevallen lijken de voorwaarden voor een equivalente canonisatie (een oude traditie van verering, de constante en algemene bevestiging door geloofwaardige historici van de deugden of het martelaarschap en de ononderbroken faam van wonderen) vervuld.
-Centraal in het katholieke geloof staat het vertrouwen in de kracht van de voorspraak van de heiligen. Het geloof in wonderen is bij de individuele christen een individuele en private aangelegenheid en berust op subjectieve zekerheid. Maar, zoals Leo Scheffczyk schrijft: Op de duur kan zulk een privaat geloof aan het wonder, afgeroepen op voorspraak van de heiligen, niet houdbaar zijn indien het niet door objectieve bewijzen ondersteund wordt, d.w.z. door een kerkelijke bevestiging. (Wunder und Heiligsprechung, MThZ 32 (1981), p. 296)
-Riskeert deze praktijk, wanneer excessief toegepast, niet twee klassen van canonisaties en dus twee klassen van heiligen te bewerkstellingen, nl. zij waarvan de Kerk een wonder op voorspraak erkend heeft en zij waarvan er geen bevestiging van de heiligheid en de kracht van de voorspraak gekomen is?
-Wordt aan paus Johannes XXIII en aan het Concilie dat hij opende wel de terechte eer gebracht wanneer de mogelijkheid blijft bestaan te wijzen op de uitzondering, d.w.z. op het uitblijven van de bevestiging vanuit de hemel voor diens heiligheid door middel van een wonder?
-Hoe onderscheidt men tussen een legitieme uitzondering en een niet-legitieme willekeur?

dinsdag, april 29, 2014

Dient men op Stille Zaterdag te vasten?

Deze vraag kan de gemoederen terecht bezighouden. Het antwoord (weliswaar vijgen na pasen) is inderdaad op het eerste zicht niet eenvoudig. De moeilijkheid is o.a. geschapen door de inhoud van documenten na Vaticanum II.

De relevante canones van de 1917 codex zeggen het volgende:
Canon 1250. De wet van onthouding (abstinentia) verbiedt vlees en soep gemaakt van vlees.
Canon 1251, §1. De wet van vasten (ieiunium) schrijft voor dat er slechts één maaltijd per dag mag zijn maar het verbiedt niet dat er een kleine hoeveelheid voedsel ’s morgens en ’s avonds wordt genomen.
Canon 1252, §1. De wet van onthouding moet nageleefd worden elke vrijdag.
§2. De wet van onthouding én van vasten moet nageleefd worden elke Aswoensdag, elke vrijdag en zaterdag van de Vasten, elke Quatertemperdag en op de vooravond van Pinksteren, Hemelvaart, Allerheiligen en Kerstmis.
§3. De wet van vasten moet nageleefd worden op alle andere dagen van de Vasten.
§4. Op Zondagen of voorgeschreven feesten houdt de wet van onthouding of de wet van onthouding én vasten of de wet van vasten op, behalve gedurende de Vastenperiode; eveneens houdt de wet op op Stille Zaterdag namiddag (“item cessat Sabbato Sancto post meridiem.”)
Canon 1254, § 1. De wet van onthouding geldt voor allen die het zevende levensjaar voltooid hebben.
§2. Allen zijn gebonden aan de wet van vasten vanaf de voltooiing van het 21ste levensjaar tot het begin van het 60ste levensjaar.

Ook inzake vasten en onthouding is, zoals bekend, de Codex van 1983 minder strikt (of sommigen zouden zeggen, ‘aandachtiger voor de pastorale noden’). Zo is er enkel nog sprake van dagen van vasten én onthouding op Aswoensdag en Goede Vrijdag. Er wordt niet meer vermeld dat de wet ophoudt op Stille Zaterdag namiddag.

Bovendien stelt het document met de vernieuwde liturgische kalender van 1969 uitdrukkelijk in nr. 28 dat de Vastenperiode loopt van Aswoensdag tot aan de H. Mis van Witte Donderdag. Goede Vrijdag is ook in de codex van 1983 een dag van vasten en onthouding.
Maar wat dan op Stille Zaterdag? De nieuwe Codex en het document uit 1969 nr. 28 lijken te suggeren dat Stille Zaterdag geen vastendag (meer) is.

De oplossing ligt in het bestaan van de Paasvasten (ieiunium paschale). Hierover zegt Vaticanum II door middel van Sacrosanctum Concilium nr. 110:
“Bijzonder heilig moet zijn de paasvasten, die op Goede Vrijdag, de dag van het lijden en de dood van de Heer, overal gevierd moet worden en die, zo mogelijk, op Stille Zaterdag moet worden voortgezet, zodat men met een blij en oprecht hart tot de vreugde van het paasfeest kan komen.”
“Sacrum tamen esto ieiunium paschale, feria VI in Passione et Morte Domini ubique celebrandum et, iuxta opportunitatem, etiam Sabbato sancto producendum, ut ita, elato et aperto animo, ad gaudia dominicae Resurrectionis perveniatur.”
Deze tekst wordt herhaald in de brief van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst Paschalis Sollemnitatis betreffende de viering van Pasen van 20 februari 1988 maar ook in het reeds genoemde document omtrent de liturgische kalender uit 1969, nr. 20: “Feria VI in Passione Domini, et, iuxta opportunitatem, etiam Sabbato sancto usque ad Vigiliam paschalem, ubique celebratur sacrum ieiunium paschale.”
Paschalis Sollemnitatis, nr. 39 zegt: "Heilig is het Paasvasten op de eerste en tweede dag van het triduum, waarop volgens de oud-christelijke traditie de Kerk vast "omdat de Bruidegom is weggenomen." Op Goede Vrijdag moet overal het vasten met onthouding in acht worden genomen [Cf. Mc 2,19-20; Tertullianus, De leiunio, 2 & 13, Corpus Christianorum II, p. 1271] en het verdient aanbeveling dat dit op Stille Zaterdag wordt voortgezet, zodat de Kerk onthecht en ontvankelijk tot de vreugde van de verrijzenis des Heren komt."
De verwijzing naar Tertullianus, die inderdaad in deze tekst spreekt over vastendagen “waarop de Bruidegom is weggenomen” is een gebruikelijke procedure van de theologie van de ‘ressourcement’, nl. een Vadertekst als argument aanhalen. Problematisch is wel dat deze tekst van Tertullianus waarschijnlijk uit zijn montanistische tijd stamt.

Niettemin kunnen we tot volgend besluit komen:
Het vasten op Stille Zaterdag, ook voor wie geen traditionalist is en de disciplinaire wetten van de codex van 1917 in acht neemt, is een gebruik dat een lange geschiedenis kent, een gebruik dat door de Kerk formeel is voorgeschreven geworden en nu nog altijd herhaaldelijk wordt aangeraden te behouden. Bovendien ligt het helemaal in de logica van Stille Zaterdag en het verwachten van Pasen. Vanuit de traditie, het leergezag en het gezonde verstand (de ‘analogia fidei’) kunnen we dus besluiten dat het vasten op Stille Zaterdag vanzelfsprekend dient te zijn.
Betreffende het concrete tijdstip dienen we te beseffen dat, wanneer de Codex van 1917 spreekt over "post meridiem" dit in een context was dat de Paaswake op Stille Zaterdag in de ochtend werd gevierd (de hervorming van Pius XII in 1956 heeft dit hersteld naar de avond). Paschalis Sollemnitatis, nr. 78 spreekt over het tijdstip van de Paaswake "na het vallen van de duisternis". De Nederlandse bisschoppen hebben beslist dat betekent omstreeks 20.30u/21u. De Paasvasten eindigt dus na afloop van de Paaswake. Het is dus gepast (conveniens) dat de Paasvasten eindigt na afloop van de Paaswake.

UPDATE (9 mei 2014)
Een alerte lezer merkte terecht op dat inhoudelijk en thomistisch de laatste zin niet correct is. Immers "de Paasvasten eindigt dus na afloop van de Paaswake" lijkt een canoniek bekrachtigde noodzakelijkheid te impliceren, iets wat logisch niet kan volgen uit bovenstaand betoog. We nemen daarom graag de suggestie van deze aankomende Thomist over en vervangen deze zin door: "Het is dus gepast (conveniens) dat de Paasvasten eindigt na afloop van de Paaswake"
Deze opmerking laat onverlet het argumentatieve voordeel en de consistentie van de 1917 positie.

dinsdag, februari 25, 2014

Is er een toekomst voor Thomas van Aquino in het Nederlands?

Terwijl de Nederlandse vertalingen van kerkvaders, in het bijzonder van Augustinus, aan een gestaag tempo gepubliceerd worden (soms zelfs in tweetalige edities), is het tegendeel het geval voor de algemene leraar (doctor communis) van de Kerk, Thomas van Aquino.
Meer zelfs, het oeuvre van Thomas dat in het Nederlands beschikbaar is, is bedroevend klein. Een overzicht is hier te vinden.

Behalve een vertaling van delen van de Summa Theologiae, die dateert van voor WO II, zijn er sinds het midden van de vorige eeuw slechts af en toe vertalingen gepubliceerd en dan meestal van kleinere werkjes of onderdelen van werken. De grootse Summa contra Gentiles is nagenoeg onvertaald. Zijn commentaren op de Schrift hebben eveneens nauwelijks aandacht gekregen en hetzelfde kan gezegd worden over zijn commentaren op Aristoteles of over een geheel miskend onderdeel van zijn werk, de quodlibetale kwesties, waarvan onlangs een overzicht hier werd gepubliceerd. Zogenaamde ‘populaire’ werken zoals zijn beschouwingen over het Onze Vader, de Tien Geboden, de Geloofsbelijdenis zijn daarentegen wel vertaald geworden.
 Welke zijn de redenen voor deze lacune?
1. De boekenmarkt maakt een moeilijke periode door; de verkoopwaarde van een Nederlandse vertaling van Thomas schat men zeer klein in. Maar dit verklaart niet waarom de voorbije zestig jaar er zo weinig vertaald is toen de boekenmarkt nog voldoende groot was.
2. Het genre van zijn werken is niet gunstig. De scholastiek denkende geest van Thomas met zijn kwesties, pro’s en contra’s, onderscheiden, fundering op de klassieke filosofie levert een tekst op die momenteel niet wordt ‘aangevoeld’ als ‘inspirerend’. Geheel anders is het blijkbaar met de preken of bijbelcommentaren van Augustinus.
3. Speculatieve filosofie en theologie, grondig doordrongen van Aristoteles, staan niet hoog in aanzien. De scholastiek in het algemeen en Thomas in het bijzonder wordt verweten te statisch te zijn, te zeer met zekerheden te werken. Vandaag verkiest men de existentiële zoeker Augustinus, hij die leeft van en vanuit de paradox ‘stellig maar onzeker’, de schrijver van kleine tastende traktaatjes maar niet de scholastieke schrijver van syntheses. Deze ‘geest’ heeft bijzonder de Lage Landen getroffen waar Thomas een uitermate slechte reputatie heeft gekregen na Vaticanum II en de Orde van de Predikheren van Thomas niet behulpzaam is geweest in het weerleggen van deze ‘geest’, ondanks pogingen van het Leergezag met de publicatie van Lumen ecclesiae in 1974 en Fides et ratio in 1998.

En toch.
Bij de opkomst van de ‘nouvelle theologie’ en de ‘ressourcement’ waarschuwde Père Labourdette O.P. al dat een te grote nadruk op de individuele kerkvaders het risico in zich draagt dat we naar de geschiedenis van de theologie gaan kijken als naar een palet van verschillende kleuren waar iedereen zijn kleur kan uitkiezen en zo, zich beroepend op ‘de traditie’, argumenteert voor iets wat rechtlijnig staat tegenover de Traditie. Indien we de synthese van de grootste kerkleraar Thomas van Aquino uit het oog verliezen, dan riskeren we te vervallen in theologisch relativisme, een veelheid aan gelijkwaardige scholen en theologen. Het is deze relativistische veelheid die denkers als Descartes en Luther hebben voortgebracht, denkers die vanwege de verwarrende veelheid geheel het verleden veronachtzamen en een nieuwe filosofie, een nieuwe ‘kerk’ beginnen. De nieuwe evangelisatie heeft er dus alle belang bij aan te knopen bij de synthetische geest van Thomas van Aquino.
De jongere generatie is onbekend met de constructie van de post-Vaticanum II ‘geest’ en verkiest terecht en zonder enige schaamte veeleer de Traditie dan de zelfgekozen tradities.

Wat zijn de uitdagingen?
1. De vertaling van Thomas’ teksten vereist vaak niet enkel een goede kennis van het Latijn maar ook van de filosofie en de theologie van Thomas om de vertaling correct uit te voeren en de noodzakelijke annotaties aan te brengen.
2. Een planmatige werkwijze waarbij meer ‘populaire’ werken (Bijbelcommentaren op pericopen volgens het lezingenrooster, Compendium Theologiae) gecombineerd en afgewisseld worden met systematische werken.
3. Zulk een planmatige aanpak geeft een grotere kans op het vinden van een uitgever en van fondsen.

Welke toekomst voor de liturgie van Paulus VI - deel 3?

De discussie in de blogosfeer over de vraag of de liturgie van Paulus VI wel te hervormen is, gaat verder.
Dom Mark Kirby OSB schrijft:
"I respect those priests and layfolk who continue to believe in “the reform of the reform”. I honour their devotion and perseverance but, from where I stand and at this point in my life, I think their energy misplaced. Life is short. I can no longer advise others to devote the most productive years of their life to patching up a building that was, manifestly, put up with haste during a boom in frenzied construction; it has shifting foundations, poor insulation, defective fixtures, and a leaky roof.  Right next door, there is another old house, comely, solidly built, and in good repair. It may need a minor adjustment here or there, but it is a house in which one feels at home and in which it is good to live, and it is there that I choose to live out my days. If others choose to live in the “fix–up” next door, I can only wish them well, confident that we can live as good neighbours all the same, with frequent chats over the fence in the back garden, exchanging insights, and perhaps even learning something from one another."
De LMS Chairman schrijft:
"While I am in favour of Latin, worship ad orientem and pretty well everything the RotR promotes, it is clear to me that the difficulty of imposing them on the Novus Ordo is not just a matter of parochial habits. The problem with the texts and ceremonies, in terms of bringing them closer to the Traditional Mass, is not just a matter of how many changes you would need to make. The problem is that the Novus Ordo has its own ethos, rationale and spirituality. It encapsulates its own distinct understanding of what liturgical participation is."
Interessant is ook dit perspectief:
"Because the liturgists of this era - the early and mid 20th Century - were focused on the texts, they wanted the Faithful to focus on the texts too. They began to think that if the Faithful don't follow and understand the Mass at the level of the texts, they aren't really participating. This idea began to find its way into official documents: Pius X talked about 'active participation' in the context of getting people to sing, for example. Later, an instruction spoke of saying the words of the server in Low Mass was the 'more perfect' way of participating. And among the liturgists, you start hearing a polemic being developed against the way that ordinary Catholics attended Mass, if they haven't been drilled enough. They are called 'dumb spectators'. It wasn't long before they realised that this charming description applied, if to anyone, then to almost every lay Catholic from at least the 8th century up to 1930, and to the vast majority from 1930 to 1964. That liturgical period, in which the Mass as we experience it was, in many ways, developed, was just a dead zone. It was spiritually worthless."
Mgr. P. Elliott schrijft:
"Please let us keep this important conversation realistic, patient and moderate. The gift of Summorum Pontificum and Pope Benedict’s vision should not be compromised by loudly proclaiming the total failure of the Paul VI post-conciliar reforms. Sweeping claims and an imprudent triumphalism do no credit to some advocates of the Extraordinary Form. Nor is the Ordinary Form respected or supported by those who grumble about the new ICEL translations and others who draw absurd conclusions from a simpler papal liturgical style"
Tot slot schrijft Fr. Christopher Smith:
"All of the flurry of articles on the death of the ROTR indicates that there is a sense that some of the original ideas surrounding it are being abandoned.  But it might also be proper to say that, as the ROTR lives with the EF alongside the OF, and deepens its understanding of the reform, that vision is undergoing, not a death, but a transformation.  It is not one which means simply a return to the status quo ante Vatican II.  But it is, at its maximal capacity, an opening to a deeper understanding of what the liturgy is all about, and that in turn will have its effect on how that mystery is celebrated.  It now no longer has be antagonistic to, or apposite, the tradition, but can be part of that tradition by drinking even more deeply at its sources."