woensdag, juni 12, 2013

Waarom is de missie onder de Joden een religieuze plicht?

Missie heeft tot doel iemand te brengen tot een vrije en ongedwongen bekering tot Jezus Christus en opname door doopsel in Zijn Kerk.

Het lijkt niet een religieuze plicht te zijn want
1/Vaticanum II zwijgt over de verplichting van missie onder Joden
2/Rom. 11, 28-29 zegt: “Al staan zij vijandig tegenover het evangelie omwille van u, toch blijven het Gods geliefden krachtens zijn uitverkiezing, omwille van de aartsvaders. Want God kent geen berouw over zijn genadegaven of zijn roeping.” Zie ook Lumen gentium 16 en Nostra aetate 4
3/Nostra aetate 4 onder verwijzing naar Rom. 11, 25-27: “Toch blijven de Joden, volgens de Apostel, aan God, die geen berouw kent over zijn genadegaven noch over zijn roeping, zeer dierbaar omwille van de Aartsvaders . Met de profeten en met dezelfde apostel ziet de Kerk uit naar de dag, aan God alleen bekend, waarop alle volken eenstemmig de Heer zullen aanroepen en "Hem zullen dienen schouder aan schouder" (Sef. 3, 9)”
4/Johannes Paulus II, Boodschap tot de Opperrabbijn van Rome, 22 mei 2004: “Già san Paolo, scrivendo ai Romani (cfr Rm 11,16-18), parlava della radice santa di Israele, sulla quale i pagani sono innestati in Cristo; «perché  i doni e la chiamata di Dio sono irrevocabili» (Rm 11,29) e voi continuate a essere il popolo primogenito dell’Alleanza (Liturgia del Venerdì Santo, Preghiera Universale, Per gli Ebrei).”

Daarentegen:
1/Missie is universeel. Vaticanum II zegt ook niet dat missie beperkt is tot sommige volkeren of dat de Joden uitgezonderd zijn van deze missie. Integendeel, Ad gentes 3 zegt: “Christus Jezus immers is in de wereld gezonden als de ware middelaar tussen God en de mensen. … De heilige Vaders verklaren voortdurend, dat datgene, wat door Christus niet is aangenomen, ook niet is genezen. …Wat nu de Heer eenmaal heeft gepredikt of wat in Hem is voltrokken tot heil van de mensheid, moet worden verkondigd en verbreid tot aan het uiteinde der aarde (Hand. 1, 8), te beginnen met Jeruzalem. Zo krijgt datgene, wat eenmaal volbracht is tot heil van allen, in de loop der tijden in allen zijn uitwerking.”
Ad gentes 7 zegt: “Allen moeten dus, wanneer zij Hem door de prediking van de Kerk hebben erkend, zich tot Hem bekeren en zich door het doopsel laten inlijven bij Hem en de Kerk, die zijn lichaam is. Want Christus zelf heeft "door uitdrukkelijk het geloof en het doopsel als noodzakelijk te verklaren, tevens de noodzakelijkheid bevestigd van de Kerk, waarin de mensen door de deur van het doopsel binnengaan. Daarom kunnen die mensen niet gered worden, die weten, dat de katholieke Kerk door God, door middel van Jezus Christus, als noodzakelijk is gesticht en toch weigeren, in haar binnen te gaan, of lid van haar te blijven”.
Ad gentes 7 gaat verder: “Ofschoon dus God langs wegen die Hem bekend zijn, de mensen, die buiten hun schuld het Evangelie niet kennen, tot het geloof kan brengen zonder hetwelk het onmogelijk is, Hem te behagen (Hebr. 11, 6), toch heeft de Kerk de dwingende plicht en tevens het heilige recht, het Evangelie te verkondigen. Daarom behoudt de missieactiviteit ten volle haar zin en noodzakelijkheid tegenwoordig even goed als altijd.”
Johannes Paulus II herhaalt dit in Redemptoris missio 2: “Maar wat mij nog meer aanspoort om de dringende noodzaak van de missionaire evangelisatie te verkondigen, is dat zij de eerste dienst is die de Kerk aan iedere mens en aan de gehele mensheid kan verlenen…”
2/Christus als de vervulling van de belofte in het verbond met het Joodse volk (de Schriftuurlijke basis hiervoor is evident) sluit uit dat er vandaag twee geldige verbonden zijn. Dit gezegd zijnde, hiermee staat niet in tegenspraak dat het Joodse volk een bijzondere relatie had en heeft met de Kerk van Christus.
3/De stelling, op basis van Rom. 11, dat God zijn verbond met het Joodse volk niet herroepen heeft en waarnaar ook Johannes Paulus II verwijst, roept meerdere kwesties op. A) Volgt uit de blijvende waarde van het Oude Testament en de niet-herroepen belofte van God dat alle vormen van Jodendom na het Nieuwe Testament geldig zijn? Zeker niet, want dit is in tegenspraak met Dominus Iesus. B/De uitspraak dat de Joden “het eerstgeboren volk van het Verbond blijven” (Johannes Paulus II) staat niet in tegenstelling met de gedachte dat dit Verbond in de geschiedenis is vervuld door Christus.

dinsdag, mei 07, 2013

Rome gaat te rade bij het Missaal van 1962 voor de introductie van een nieuw feest

Per decreet van 23 juli 2012 vanwege de Congregatie voor de Eredienst is er de mogelijkheid dat bisschoppenconferenties in de plaatselijke kalender de viering opnemen van Onze Heer Jezus Christus Eeuwige Hogepriester, met de graad van feest, op donderdag na het Hoogfeest van Pinksteren.
De introductie van dit feest moet, volgens het decreet, gezien worden in de lijn van het Jaar van de Priester tot bevordering van een leven van heiligheid voor de clerus en de roeping tot het wijdingsambt. De Congregatie heeft hiervoor zowel een eigen misformulier, lectionarium als getijdengebed gepubliceerd.

Tot dusver heeft bij mijn weten de Belgische of Nederlandse kerkprovincie nog geen verzoek van dien aard bij de Congregatie ingediend.

De editio typica tertia van het Romeins Missaal (2002/2008) kent een votiefmis met dezelfde titel als het Missale Romanum van 1962. Deze teksten van de editio typica van 2002/2008 zijn dan weer in de editio typica van 1970/1975 identiek aan het tweede misformulier voor de Allerheiligste Eucharistie. Het misformulier van 1962 gaat terug op een decreet van de Ritencongregatie van 24 december 1935, volgend op een aankondiging in de encycliek Ad Catholici Sacerdotii Fastigium (20 december 1935), waarbij dit misformulier voorzien was voor elke eerste donderdag van de maand, naar analogie met de votiefmis voor het H. Hart voor elke eerste vrijdag van de maand.

Men zou nu kunnen verwacht hebben dat het decreet van 23 juli 2012 het misformulier uit het Romeins Missaal van de ‘novus ordo’ voorstelt. Maar neen, het nieuwe misformulier is nagenoeg een exacte kopie van het misformulier uit het Missaal van 1962! Het Collecta (afgezien van de inlassing “Spiritu Sancto largiente”), Super oblata en Postcommunio zijn identiek. Waar het misformulier van 1962 de prefatie van het H. Kruis heeft, geeft het misformulier van 2012 de prefatie van de Chrisma-mis, dus uit de novus ordo, aan.

Tegelijkertijd verbaast dit ook niet. Het misformulier van 1962 en dus van 2012 benadrukt veeleer het gewijde priesterschap en niet het volk in het algemeen zoals dit het geval is in het misformulier van 1970 e.v. Vergelijk bv. het volgende:
De collecta van 1962/2012: “ut, [Spiritu Sancto largiente], quos ministros et mysteriorum suorum dispensatores elegit, in accepto ministerio adimplendo fideles inveniantur. Per Dominuim nostrum.”
De collecta van 1970/1974/2002/2008: “ut populus, quem sanguine suo tibi acquisivit, ex eius memorialis participatio, virtutem cruces ipsius capiat et resurrectionis. Qui tecum.”

Voor meer info verwijzen wij naar M. Barba: La festa di Nostro Signore Gesù Cristo Somme e Eterno Sacerdote, in: Ephemerides Liturgicae 126 (2012) 321-347 met de Latijnse tekst van het decreet en de formulieren van de Congregatie op pp. 348-373

dinsdag, april 30, 2013

Tien stellingen over Dignitatis Humanae


1/De kern van de zaakDH 2/1 stelt: “Dit Vaticaans Concilie kent aan de menselijke persoon het recht toe op godsdienstvrijheid.” Het verdere verloop van DH 2/1 zegt waarin dit recht bestaat, dat dit gegrondvest is op de waardigheid van de menselijke persoon en dat dit recht dient erkend te worden als burgerlijk recht in de juridische orde van de maatschappij.

Naar eigen zeggen doet dit “geen afbreuk aan de traditionele katholieke leer omtrent de morele plicht van mensen en gemeenschappen ten opzichte van de ware godsdienst en de énige Kerk van Christus.” (DH1/3). Dit vereist van de gelovigen de instemming met goddelijk geloof.

De verklaring in DH 2/1 verdient, als onderdeel van een Oecumenisch Concilie en aangezien er geen afbreuk gedaan wordt aan de traditionele leer, religieuze volgzaamheid van wil en verstand.

Al het overige in DH is argumentatie. DH 2/2 dat begint met “Op grond van hun waardigheid” heeft uitdrukking niet “enim” of “want” als eerste woord meegekregen om te vermijden dat de argumentatie als zijnde met gezag zou kunnen gelezen worden. De relator Mgr. De Smedt zei immers: “Ut clarius appareat quod argumentatio non auctoritate proponitur, deletur in lin. 7 verbum “enim”” (AS VI, 4, p. 735). De overige delen van DH dienen dus met respect en dankbaarheid ontvangen te worden maar vereisen geen verstandelijke instemming in eigenlijke zin. (Voor meer info verwijs ik naar F. Ocariz, Over de instemming met het Tweede Vaticaans Concilie, L’Osservatore Romano 2 december 2011)

Tevens is uitdrukkelijk niet een definitie van “menselijke persoon” gegeven want, zo zei dezelfde relator, “Neque mos est conciliaris definitionis philosophicas proponere” (AS VI, 4, p. 735). Dit is te betreuren.

2/Een tegenstelling tussen DH en de traditie vereist dat de tegenstelling volledig is, een twijfel of waarschijnlijk volstaat niet. Indien er iets niet duidelijk lijkt, geldt de onderwerping aan het Leergezag. De tegenstelling dient ook formeel te zijn, niet enkel op niveau van de terminologie.

3/Het recht op godsdienstvrijheid is geen recht op dwaling. Een dwaling heeft geen rechten want enkel een persoon kan het subject van rechten zijn. Ook een persoon die in een religieuze dwaling verkeert heeft rechten. DH zegt dus niet dat een dwalende godsdienst rechten heeft. CKK 2108 heeft dit verduidelijkt: “Het recht op godsdienstvrijheid betekent geen morele toelating om een dwaalleer aan te hangen,  noch een mogelijke vrijbrief voor de dwaling,  maar wel een natuurlijk recht van de menselijke persoon op burgerlijke vrijheid, dit wil zeggen op vrijwaring van uiterlijke dwang, binnen juiste grenzen, in godsdienstzaken, vanwege de politieke overheid. Dit natuurrecht moet in de juridische ordening zo worden erkend dat het burgerrecht wordt.”

4/Het recht op godsdienstvrijheid is geen positief recht om het kwade te doen. Voor een positief recht om iets te doen moet het object van het recht, de handeling, moreel goed zijn. DH erkent niet dat personen een positief recht hebben ten aanzien van de religieuze dwaling. Een negatief recht daarentegen is een recht om niet verhinderd te worden te handelen en slaat op de morele faculteit te eisen dat er geen menselijke dwang is in een bepaald domein. Het object van een negatief recht is niet de (eventueel moreel slechte) handel spreekt, DH spreekt altijd over het recht niet verhinderd te worden en niet over het recht te handelen.

5/Dit negatief recht ten aanzien van de burgerlijke overheid en niet een positief recht ten aanzien van God, van het goede en het kwade sluit uit dat DH indifferentisme bevordert. Integendeel DH 1/2: “Van hun kant hebben alle mensen de plicht, de waarheid te zoeken, vooral met betrekking tot God en zijn Kerk, en, zijn zij tot de kennis van de waarheid gekomen, dan zijn zij verplicht, haar te aanvaarden en er trouw aan te blijven.” Het gebruik van godsdienstvrijheid in de bovenbeschreven zin als negatief recht om zich hierdoor af te wenden van de waarheid, is in feite een misbruik van datzelfde recht.

6/De plicht van de staat om de uitoefening van valse overtuigingen niet te verhinderen in de mate dat dit de publieke orde niet verstoort is niet in tegenspraak met de plicht van diezelfde staat om de ware religie en de katholieke Kerk te erkennen, deze te helpen in haar missie voor zover politiek mogelijk en deze te beschermen. Deze plichten worden niet ontkend door DH. De “morele plicht van mensen en gemeenschappen ten opzichte van de ware godsdienst en de énige Kerk van Christus” (DH1/3) blijft gelden. Ook hier heeft CKK 2105 verduidelijking gebracht: “Zowel individueel als sociaal hebben de mensen de plicht God een waarachtige eredienst te bewijzen. Dat is "de traditionele katholieke leer over de morele plicht van mensen en gemeenschappen tegenover de ware godsdienst en de enige kerk van Christus".  Door zonder ophouden aan de mensen het Evangelie te verkondigen spant de Kerk zich ervoor in, dat ze in staat zouden zijn "de mentaliteit en de zeden, de wetten en de structuren van het milieu waarin ze leven van een christelijke geest te doordringen".  Het is de sociale plicht van de christenen in ieder mens de liefde tot de waarheid en tot het goede te eerbiedigen en te stimuleren. Dit vraagt van hen dat ze de eredienst van de ene ware godsdienst zouden doen kennen, die in de katholieke en apostolische kerk te vinden is.  De christenen zijn geroepen het licht der wereld te zijn.  Op die manier bevestigt de kerk het koningschap van Christus over de hele schepping en in het bijzonder over de menselijke samenleving.”

7/ De traditie (zo bv. nog Pius XII in de Toespraak Ci riesce uit 1953) spreekt over tolerantie van dwalingen als zijnde gerechtvaardigd indien het algemeen welzijn méér te lijden zou hebben onder de onderdrukking van deze dwalingen als onder de tolerantie ervan. Dit perspectief van de traditie veronderstelt een katholieke staat onder de orde van de openbaring. Het is immers de openbaring die de ultieme distinctie oplevert om te onderscheiden tussen waar en onwaar. Maar een gezag dat niet onder de openbaring staat heeft niet het recht te verbieden wat zich niet direct stelt tegenover de openbaring en niet direct de sociale orde verstoort. DH spreekt vanuit het standpunt van de natuurlijke orde en dus niet over tolerantie maar over het recht op godsdienstvrijheid. DH spreekt dus ten aanzien van alle maatschappijen waarvan het merendeel zich helaas heeft afgekeerd van de waarheid.


8/De burgerlijke macht, alhoewel deze rechtens niet onverschillig kan zijn, heeft toch niet in en door zichzelf niet het eeuwig heil van de mens als opdracht. “De katholieke Kerk heeft het bewustzijn dat haar goddelijke Stichter haar het gebied van de godsdienst, de religieuze en morele richting van de mensen in haar uitgebreidheid heeft overgeleverd, onafhankelijk van de macht van de staat” (Pius XII, Toespraak Vous avez voulu, 7 september 1955, AAS 47 (1955) 672-682). De staat zal hier dus slechts vanuit het perspectief van het tijdelijk algemeen welzijn, wat het eigenlijke doel is van de staat, optreden door de publieke orde te beschermen en anderzijds zich te associëren met de publieke cultus die de maatschappij moet brengen ten aanzien van God.

9/Het negatieve recht, het recht op immuniteit van dwang ten aanzien van de staat is niet absoluut. Ook hier heeft CKK 2109 verduidelijking gebracht: “Het recht op godsdienstvrijheid kan uit zichzelf niet onbeperkt zijn  en evenmin slechts beperkt worden door een "openbare orde" die op een positivistische of naturalistische wijze wordt opgevat.  De "juiste grenzen" die aan dit recht inherent zijn, moeten voor elke sociale situatie bepaald worden door de politieke omzichtigheid, volgens de eisen van het algemeen welzijn, en bekrachtigd worden door de burgerlijke overheid volgens "juridische normen die in overeenstemming zijn met de objectieve morele orde".

10/Volgens de relator is de leer over de godsdienstvrijheid niet in tegenspraak met de idee en realiteit van een confessionele, katholieke staat (AS III, 8, p. 463). De praktijk tot bevordering van een niet-confessionele staat door middel van concordaten betreft dus een beslissing die behoort tot het niveau van de prudentie.

vrijdag, april 19, 2013

De geest van de Novus Ordo

De Novus Ordo is niet uit de lucht komen vallen maar werd in fasen voorbereid sinds op 28 mei 1948 Pius XII een commissie instelde ter hervorming van de liturgie met als secretaris Annibale Bugnini. De eerste  vrucht van deze commissie was de nieuwe Paaswake in 1951 waarover Bugnini in 1955, bij de hervorming van de gehele Goede Week, zou zeggen dat dit de "eerste stap" was naar een algehele hervorming van de liturgie (zie A. Bugnini & C. Braga, Ordo Hebdomadae Sanctae Instauratus Commentarium, Rome 1955, p. 4: "Decretum 'Maxima redemptionis nostrae mysterium', die 16 novembris 1955 a S.C.Rituum promulgatum, tertius est gressus erga instaurationem liturgicam generalem; primus est solemnis vigilia paschalis (a.1951); secundus, rubricae simplificatae (1955); tertius, Ordo hebdomadae sanctae.")

Deze commentaren van Bugnini, zijn assistent Carlo Braga en andere leden van deze commissie en van het latere Consilium, opgericht in 1964 "ad exequendam Constitutionem de sacra liturgia" zijn van centraal belang voor een goed inzicht in de geest van de Novus Ordo. Wat bewoog de 'specialisten' bij het schrappen van gebeden en riten en bij het knip- en plakwerk waarmee gebeden uit sacramentaria werden in elkaar geschoven? De memoires van Bugnini (La riforma liturgica (1948-1975), Rome 1983); hiervan bestaat ook een Duitse vertaling) geven maar één perspectief weer.

Een andere bron is het tijdschrift Ephemerides Liturgicae, het officieuze spreekorgaan van Bugnini. Het zou interessant zijn om in de jaargangen 1948-1975 de vele commentaren op de liturgische hervorming door leden van het Consilium (voor de leden zie Bugnini, La riforma liturgica) in dit tijdschrift na te gaan om de beweegredenen van de hervorming op het spoor te komen.

Een voorbeeld. Diens assistent en net als Bugnini Lazarist, Carlo Braga C.M.schrijft in 1970 ('Il nuovo Messale Romano', Ephemerides Liturgicae 84 (1970) 249-274, hier p. 272) over de beweegredenen voor de introductie en het schrappen van gebeden. "Natuurlijk", zo schrijft hij, konden uit de schat van gebeden uit de geschiedenis enkel die gebeden weerhouden worden "die nu nog een pastorale waarde hebben voor de hedendaagse mens". En de overname van oude gebeden, zonder die te veranderen, zou moeilijkheden geschapen hebben voor "de psychologie van de mens die andere problemen ervaart, een andere wijze van denken heeft en die in een andere materiële en disciplinaire wereld leeft".

Met dit argument wordt een voortdurende liturgische hervorming gerechtvaardigd maar ook een hervorming van de hervorming!

Hier is de bron:

zaterdag, maart 30, 2013

De voetwassing 2013

De conclusie van het artikel "Retrospectives on the Mandatum rite controversies" van de hand van canonist Ed Peeters.

A pope’s ignoring of a law is not an abrogation of the law but, especially where his action reverberated around the world, it seems to render the law moot. For the sake of good order, then, the Mandatum rubrics should be modified to permit the washing of women’s feet or, perhaps upon the advice of Scriptural and theological experts, the symbolism of apostolic ministry asserted by some to be contained in the rite should be articulated and the rule reiterated. What is not good is to leave a crystal clear law on the books but show no intention of expecting anyone to follow it. That damages the effectiveness of law across the board.


donderdag, maart 21, 2013

Franciscus en de liturgie


Er zijn heel wat mythes over Sint-Franciscus van Assisi die de ronde doen. Het beeld echter dat doorgaans van hem wordt gegeven alsof hij een vrolijke, flower power ‘make love not war’ hippie avant la lettre was die zich afzette tegen de gevestigde orde van de Kerk behoeft ernstige correctie. Zelfs de tekst ‘Maak mij een instrument van uw vrede’ die iedereen kent, blijkt niet van hem te zijn maar een 20ste eeuwse uitvinding! Een veel complexer en harder beeld, minder aimabel voor hedendaagse oren, is te vinden in de biografie van Augustine Thompson, Francis of Assisi. A new biography, Cornell University Press 2012.
 
Een andere mythe is die van Franciscus als een liturgisch minimalist die een ‘vrije kerk van de Geest’ voorstond en beste maatjes had kunnen zijn met de Oosterhuizen van deze wereld. De bronnen laten echter een heel ander beeld zien. In wat volgt geef ik enkele citaten uit De geschriften van Franciscus van Assisi, tweede herziene druk, J. H. Gottmer Uitgeverij, Haarlem, 1976.

Alle broeders moeten op katholieke wijze leven en spreken. Zou echter iemand door woord of daad in het katholieke geloof en leven dwalen en zich niet betere, dan moet hij volledig uit onze broederschap worden verwijderd. (p. 71).
Maar ook de Zoon wordt, voor zover Hij gelijk is aan de Vader, door niemand op een andere manier als de Vader gezien of op een andere manier als de Heilige Geest. Vandaar zijn allen verdoemd die de Heer Jezus Christus wel hebben gezien naar zijn mensheid, maar niet hebben gezien en geloofd dat Hij naar zijn geest en goedheid de waarachtige Zoon van God is. Eveneens zijn allen verdoemd die wel het sacrament zien van Christus’ Lichaam, dat door de woorden van de Heer op het altaar wordt geheiligd in de handen van de priester onder de gedaanten van brood en wijn, maar niet zien en geloven dat het naar zijn geest en gebod werkelijk het allerheiligste Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus is. … De Geest des Heren die in zijn gelovigen woont, Hij is het dus die het Allerheiligste Lichaam en Bloed des Heren ontvangt. Alle anderen, die geen deel hebben aan die Geest en Hem toch durven ontvangen, ‘eten en drinken hun eigen vonnis’ (1 Kor. 11, 29)” (p. 92-93)
Ik smeek u allen dan ook, broeders, terwijl ik u de voeten kus, met alle liefde waartoe ik in staat ben, dat u zoveel maar in uw vermogen ligt, alle eerbied en alle hoogachting zult bewijzen aan het allerheiligst Lichaam en aan het allerheiligst Bloed van onze Heer Jezus Christus, in wie alles wat in de hemel en op aarde is, herenigd en verzoend is met de almachtige God (Kol. 1, 20). (p. 102-103)
 Herinner u, mijn broeders-priesters, dat er van de wet van Mozes geschreven staat dat, wie hem zelfs maar naar de letter overtrad, zonder enig erbarmen door een vonnis van de Heer moest sterven. Tot hoeveel groter en erger straf zal dan niet hij worden veroordeeld die de Zoon van God met voeten treedt, het bloed van het Verbond waardoor hij geheiligd is, geringschat en de Geest van genade durft honen?’ (Hebr. 10, 28v.). Want een mens minacht, besmeurt en vertrapt het Lam Gods wanneer hij, zoals de apostel zegt, ‘geen verschil, geen onderscheid weet te maken tussen het heilig Brood van Christus en de andere spijs of handelingen, of onwaardig is om te eten, of – als hij het wel waardig zou zijn – het op een achteloze of onwaardige wijze eet’ (1 Kor. 11, 29). … Heel de mensheid moet huiveren, heel de wereld moet beven en de hemel jubelen wanneer op het altaar in de handen van de priester Christus de Zoon van de Levende God aanwezig is! (p. 103-104)
En omdat ‘hij die uit God is, naar Gods woorden luistert’ (Joh. 8, 47), daarom moeten wij, die meer in het bijzonder voor de goddelijke diensten zijn aangesteld, niet alleen luisteren en handelen naar wat God zegt, maar wij moeten ook de liturgische gebruiksvoorwerpen en verder alles wat zijn heilige woorden bevat, met zorg bewaren: om tot ons de verhevenheid van onze Schepper en tot Hem onze onderworpenheid te laten doordringen.” (p. 105)
Ik vraag u, meer dan alleen uit mijzelf, dat u, wanneer het nodig is en u vindt dat het kan, de clerici in alle nederigheid smeekt dat zij toch boven alles eerbied hebben voor het allerheiligst Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus en voor de teksten met zijn heilige namen en woorden die zijn Lichaam consacreren. De kelken, corporalen, en altaarsieraden en alles wat bij het Offer nodig is, moeten als kostbaarheden behandeld worden. … En in elke preek die u houdt, moet u het volk aanmanen tot boete, en dat niemand gered kan worden als hij het allerheiligst Lichaam en Bloed van de Heer niet ontvangt. En wanneer het door de priester op het altaar wordt opgedragen en wanneer het ergens heengebracht wordt, moeten alle mensen knielen en lof, hulde en eer brengen aan de Heer, de levende en ware God. (p. 107)
Alle mannen en vrouwen echter, die niet boetvaardig leven en het Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus niet ontvangen, en die kwaad en zonden begaan en de boze begeerlijkheid en slechte neigingen van hun vlees volgen, en niet volbrengen wat zij de Heer beloofd hebben, en die lichamelijk de wereld dienen door de begeerten van het vlees en de beslommeringen van de wereld en de zorgen van dit leven: gevangen zijn zij door de duivel, wiens kinderen zij zijn en wiens werken zij doen. …Kijk, blinden, bedrogen door uw vijanden: door het vlees, door de wereld en door de duivel. … Het lichaam wordt ziek, de dood komt naderbij en zo sterft het een bittere dood. En waar en wanneer en op welke wijze ook de mens sterft in zware zonde zonder boete en zonder het goed gemaakt te hebben – als hij het kan goed maken en het niet goed gemaakt heeft – rukt de duivel zijn ziel uit zijn lichaam onder zoveel angst en pijn dat niemand het kan beseffen als hij het zelf niet ondervindt. (p. 112)
 Wij clerici moeten allen letten op de grote zonde en onwetendheid van een aantal mensen ten opzichte van het allerheiligste Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus, van de teksten met zijn allerheiligste namen en woorden waardoor zijn Lichaam wordt geconsacreerd. Wij weten immers dat zijn Lichaam er niet kan zijn als het niet eerst door het woord is geconsacreerd. … Allen die zo’n hoogheilig sacrament bedienen, vooral zij die het oneerbiedig bedienen, mogen toch wel eens bij zichzelf bedenken hoe vies de kelken er uitzien, de corporalen en het altaarlinnen, waarop zijn Lichaam en Bloed geofferd wordt; en door velen wordt het op vieze plaatsen bewaard; hoe slordig men het meeneemt, hoe onwaardig men het nuttigt en zorgeloos aan anderen uitreikt. Ook worden soms teksten met zijn namen en woorden met voeten getreden. ‘Want de ongeestelijke mens aanvaardt niet wat van God komt’ (1 Kor. 2, 14). … En wij weten dat wij dit alles bovenal moeten onderhouden volgens de geboden van de Heer en de bepalingen van de heilige Moeder de Kerk. En die dit niet doen, moeten wel weten dat zij op de dag van het oordeel rekenschap hebben af te leggen voor onze Heer Jezus Christus. (p. 120-121)

vrijdag, maart 01, 2013

Oremus



Oremus
 


Supplici, Domine, humilitate deposcimus: ut sacrosanctae Romanae Ecclesiae concedat Pontificem illum tua immensa pietas; qui et pio in nos studio semper tibi placitus, et tuo populo pro salubri regimine sit assidue ad gloriam tui nominis reverendus. Per Dominum nostrum Iesum Christum, qui tecum vivit et regnat in unitate Spiritu Sancti, Deus, per omnia saecula saeculorum.

Cor Mariae dolorum et immaculatum, ora pro nobis

Sancte Joseph, Protector sanctae Ecclesiae 

Sancte Pie V, ora pro nobis

Sancte Pie X, ora pro nobis

Beate Joanne XXIII, ora pro nobis

Beate Joanne Paule, ora pro nobis