maandag, december 22, 2014

"Mama, is Felix nu in de hemel?"

“Mama, is Felix nu in de hemel?”


In gezinnen met jonge kinderen wordt vandaag de dag onvermijdelijk de vraag gesteld naar de toekomst van een gestorven huisdier. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de grote rol die dieren tegenwoordig spelen in de beleving van kinderen en de zeer menselijke kenmerken die aan dieren worden toegeschreven in tekenfilms, die via digitale animatie, steeds ‘echter’ lijken.
Het Leergezag van de Kerk heeft zich, voor zover ik weet, hierover nooit expliciet uitgesproken. Benedictus XVI heeft in een homilie op 13 januari 2008 indirect hiernaar verwezen toen hij zei: "Terwijl voor andere schepselen die niet geroepen zijn tot de eeuwigheid, de dood enkel het einde van het bestaan op aarde betekent, schept de zonde in ons een afgrond waarin wij riskeren voor altijd opgenomen te worden tenzij de Vader, die in de hemel is, zijn hand naar ons uitstrekt." 

De Heilige Thomas van Aquino, de Algemene Leraar (doctor communis) van de Kerk heeft zich deze vraag onrechtstreeks gesteld. In wat volgt bied ik een vertaling van de twee teksten waarin Sint-Thomas hierover spreekt: een tekst van de jonge Thomas en een tekst geschreven in de laatste jaren van diens leven.

Tekst 1: Supplementum q. 91, a. 5

"Zullen de planten en de dieren blijven bestaan na de vernieuwing van de wereld na het laatste oordeel?
Het schijnt dat de planten en de dieren zullen blijven bestaan na deze vernieuwing.
1. Immers, de elementen mogen niet ontdaan worden van al hetgeen dat behoort tot hun versiering. Welnu, over de elementen wordt gezegd dat zij versierd worden door de dieren en planten. [Zie Gen. 1, 11-12:  “En God zei: ‘Het land moet zich tooien met jong groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen die ieder naar zijn soort hun vruchten dragen, met zaad erin.’ Zo gebeurde het. En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin. En God zag dat het goed was.”.] Zij zullen dus niet verwijderd worden in deze vernieuwing.
2. Net zoals de elementen de mens dienden, zo deden ook de dieren, planten en minerale lichamen dit. Maar wegens deze dienst zullen de elementen verheerlijkt worden. Zowel dieren als ook planten en minerale lichamen zullen dus eveneens verheerlijkt worden.
3. Het heelal zal onvolmaakt blijven indien er iets zou verwijderd worden dat tot de volmaaktheid van het heelal behoort. Maar de soorten dieren, planten en minerale lichamen behoren tot de volmaaktheid van het heelal. Aangezien we niet kunnen zeggen dat de wereld onvolmaakt zal blijven bij deze vernieuwing, lijkt het dat we dienen te stellen dat ook de planten en de dieren zullen blijven bestaan.
4. Dieren en planten hebben meer nobele vormen dan de elementen. De wereld zal echter bij deze laatste vernieuwing veranderd worden ten beste. Daarom zullen eerder dieren en planten dan de elementen moeten blijven bestaan, aangezien zij meer nobel zijn.
5. Het is ongepast te stellen dat de natuurlijke neiging gefrustreerd zal worden. Maar door hun natuurlijke neiging verlangen dieren en planten voor altijd te bestaan, weliswaar niet als individu maar ten minste als soort en hierop is ook hun voortdurende voortbrenging gericht [Zie Aristoteles, De generatione II]. Het is dus ongepast te zeggen dat deze soorten uiteindelijk zullen ophouden te bestaan.
Maar hier staat tegenover:
1. Indien planten en dieren zullen blijven bestaan, dan zal dit gelden voor ofwel alle dieren en planten ofwel voor sommige. In het eerste geval zullen dieren, die eertijds gestorven zijn, opnieuw verrijzen zoals de mensen opnieuw zullen verrijzen. Maar dit kan niet beweerd worden aangezien hun vorm vernietigd is en zij niet opnieuw dezelfde identiek vorm kunnen aannemen. Indien daarentegen niet alle maar sommige dieren en planten zullen blijven bestaan en er geen reden is waarom de één wel en de andere niet voor eeuwig zal blijven bestaan, lijkt dat geen één van hen zal blijven bestaan. Maar wat er ook blijft bestaan na de wereld zal vernieuwd zijn geworden en zal voor eeuwig blijven bestaan zonder ontstaan en corruptie. Planten en dieren zullen dus in het geheel ophouden te bestaan na de vernieuwing van de wereld.
2. Volgens de Filosoof [Aristoteles, zie De generatione II] zullen de soorten dieren, planten en dergelijke vergankelijke dingen slechts in hun bestaan worden verdergezet door de voortdurende beweging van de hemelen. Maar dit zal ophouden te bestaan. Het zal dus onmogelijk zijn voor zulke soorten om hun bestaan verder te zetten.
3. Indien het doel ophoudt te bestaan, dan dienen ook de dingen die gericht zijn op het doel ophouden te bestaan. Welnu, dieren en planten zijn gemaakt voor het behoud van het menselijk leven. Daarom staat er geschreven in Gen. 9, 3: “Alles wat leeft en beweegt zal u tot voedsel dienen; Ik schenk u dat allemaal naast het groene gewas”. Wanneer daarom het dierlijke leven van de mens ophoudt te bestaan, dan dienen ook dieren en planten ophouden te bestaan. Welnu, na deze vernieuwing zal het dierlijke leven in de mens ophouden te bestaan. Daarom dienen planten noch dieren te blijven bestaan.
ANTWOORD. Aangezien de vernieuwing van de wereld er zal komen omwille van het heil van de mens moet deze vernieuwing ook in overeenstemming zijn met de vernieuwing van de mens. Welnu, door de vernieuwing zal de mens overgaan van de staat van vergankelijkheid naar de onvergankelijkheid en naar een staat van altijddurende rust. Daarom staat er geschreven in 1 Kor. 15, 53: “Want dit vergankelijke moet met onvergankelijkheid worden bekleed en dit sterfelijke met onsterfelijkheid.” De wereld zal dus vernieuwd worden op dusdanige wijze dat het alle vergaan van zich af zal werpen en voor altijd in rust zal blijven. Het is dus onmogelijk dat iets het onderwerp van deze vernieuwing zal zijn tenzij het niet vergankelijk is. Deze niet-vergankelijke dingen zijn de hemelse lichamen, de elementen en de mens. De hemellichamen zijn immers qua hun natuur onvergankelijk  zowel wat hun geheel als wat de delen ervan betreft. De elementen zijn vergankelijk wat hun delen betreft maar onvergankelijk als geheel. De mens is vergankelijk zowel als geheel als wat de delen betreft maar dit is te wijten aan hun materie en niet aan hun vorm, te weten de rationele ziel. Deze rationele ziel zal onvergankelijk blijven na het vergaan van de mens. Daarentegen zijn de dieren, planten, mineralen en alle gemengde lichamen vergankelijk zowel qua geheel als wat hun delen betreft, zowel wat betreft hun materie die haar vorm verliest, als ook wat betreft hun vorm, die niet actueel zal blijven bestaan. Deze laatste zijn dus op geen enkele wijze het onderwerp van onvergankelijkheid. Zij zullen dus niet blijven bestaan na deze vernieuwing maar enkel die dingen die wij boven vermeld hebben.
AD 1. Van deze lichamen wordt gezegd dat zij de elementen versieren in de zin dat de algemene actieve en passieve krachten in de elementen toegepast worden op specifieke handelingen. Zij versieren daarom de elementen in hun actieve en passieve toestand. Maar deze staat zal niet blijven bestaan in de elementen en daarom is het niet nodig dat dieren en planten blijven bestaan.
AD 2. Dieren noch planten of enig ander lichaam heeft een verdienste door hun dienst aan de mens want zij ontberen een vrije wil. Van sommige lichamen wordt echter gezegd dat zij beloond worden in die zin dat de mens verdiend heeft dat die dingen moeten vernieuwd worden die aangepast zijn om vernieuwd te worden. Maar zoals boven gezegd zijn planten en dieren niet aangepast voor de vernieuwing tot onvergankelijkheid. Om deze reden heeft de mens niet verdiend dat zij zouden vernieuwd worden want niemand kan voor een ander of zelfs voor zichzelf verdienen wat de ander of hijzelf niet in staat is om te ontvangen. Dus zelfs indien men toegeeft dat dieren iets verdiend hebben door hun dienst aan de mens, dan nog zou het niet volgen dat zij zullen vernieuwd worden.
AD 3. Net zoals er verschillende soorten volmaaktheid aan de mens worden toegeschreven (want er is de volmaaktheid van de geschapen natuur en de volmaaktheid van de verheerlijkte natuur), zo is er ook een tweevoudige volmaaktheid van het heelal waarbij de éne beantwoordt aan deze toestand van veranderlijkheid en de andere beantwoordt aan de toestand van de toekomstige vernieuwing. Welnu, planten en dieren behoren tot de volmaaktheid volgens de huidige toestand en niet volgens de toestand van deze vernieuwing aangezien zij niet in staat zijn om vernieuwd te worden.
AD 4. Alhoewel dieren en planten in bepaalde andere aspecten meer nobel zijn dan de elementen, zijn de elementen toch meer nobel in relatie tot onvergankelijkheid, zoals boven aangetoond [zie Suppl. q. 74, a. 1, ad 3]
AD 5. Het natuurlijke verlangen om altijd te bestaan dat aanwezig is in dieren en planten dient verstaan te worden in relatie tot de beweging van de hemel, zodanig dat zij kunnen voortbestaan zo lang als de beweging van de hemel duurt aangezien er geen streving kan bestaan dat een effect langer bestaan dan de oorzaak van het effect. Indien dus bij het ophouden van de beweging van de hemel de planten en dieren als soort ophouden te bestaan, dan volgt hieruit niet dat de natuurlijke streving tevergeefs is."
 
Tekst 2: Compendium Theologiae, hfdst. 170

"Hetzelfde blijkt op redelijke wijze uit de natuur van het heelal. Aangezien de mens een deel is van het materiële heelal dient het materiële heelal te blijven bestaan wanneer de mens gebracht wordt tot zijn uiteindelijke voltooiing. Een deel zou immers aan volmaaktheid ontbreken indien het zou bestaan zonder het geheel. Anderzijds kan het materiële heelal niet in bestaan blijven zonder haar essentiële delen. Maar de essentiële delen van het heelal zijn de hemellichamen en de elementen want de gehele machine van de wereld (tota mundi machina) bestaat uit deze hemellichamen en elementen. De andere lichamen echter lijken geen deel uit te maken van de integriteit van het materiële heelal maar dragen eerder bij tot de versiering en de schoonheid van dat heelal. Zij passen bij de veranderlijke toestand van het heelal in de zin dat, door een hemellichaam als efficiënte oorzaak en de elementen als materiële oorzaken, dieren en planten en mineralen worden voortgebracht. Maar in de toestand van uiteindelijke voltooiing zal er een andere soort van versiering aan de elementen worden gegeven, in overeenstemming met hun onvergankelijke conditie. In deze toestand zullen er dus mensen, elementen en hemellichamen blijven bestaan maar niet dieren, planten of mineralen."

Dit antwoord van Sint-Thomas is waarschijnlijk ongeschikt voor een kind dat heel verdrietig is bij de gedachte dat hij zijn geliefd huisdier nooit meer zal zien. Ik denk dat we er van mogen uitgaan dat God niets zal verloren laten gaan wat waar, goed, schoon en zuiver is. Maar tevens is het ook zo dat onze verhouding tot huisdieren vaak onwaarheden en onzuiverheden bevat. Wij schrijven immers menselijke kenmerken toe aan onze huisdieren, kenmerken die ze niet bevatten. Ook beschouwen we vaak, bewust of onbewust, onze huisdieren als een surrogaat voor een tekort aan aandacht en affectie.
Maar een jong kind zal dit waarschijnlijk nog niet begrijpen. Daarom stel ik voor dat we een kind niet vertellen dat Felix inderdaad in de kattenhemel is maar wel dat hij, wanneer hij hopelijk zelf in de hemel zal zijn, hij aan God vraagt of hij Felix mag terugzien. Daarbij kunnen de ouders in hun achterhoofd houden dat, wanneer iemand zich in de gelukzalige aanschouwing van God bevindt, hij dusdanig vervuld zal zijn van het genieten van Gods liefde dat zulke aardse zaken als een huisdier van geen belang meer zullen zijn.

donderdag, december 04, 2014

Whatever

“In Western society at large, the early twenty-first-century basis for most secular answers to the Life Questions seems to be some combination of personal preferences, inclinations, and desires: in principle truth is whatever is true, values are whatever you value, priorities are whatever you prioritize, and what you should live for is whatever you decide you should live for. In short: whatever. All human values, meanings, priorities, and morality are contingent, constructed, and subjective. In principle you are you own basis, your own authority, in all these matters, within the boundaries established by the law. … You can change the basis for your answers, as well as their content, at any time, any number of times, and for any reason or without any reason. You are free - hence, whatever.” (Brad Gregory, The Unintended Reformation: How a Religious Revolution Secularized Society (Cambridge: The Belknap Press of Harvard University Press, 2012, p. 77)

dinsdag, november 25, 2014

Vijf tips voor het gebed

Met dank aan Dominicanablog:

Prayer, St. John Damascene says, is the unveiling of the mind before God. When we pray we ask Him for what we need, confess our faults, thank Him for His gifts, and adore His immense majesty. Here are five tips for praying better– with the help of St. Thomas Aquinas.

5. Be humble.

Many people falsely think of humility as a virtue of a low self-esteem. St. Thomas teaches us that humility is a virtue of acknowledging the truth about reality. Since prayer, at its root, is an “asking” directed at God, humility is crucially important. Through humility we recognize our neediness before God. We are totally and entirely dependent on God for everything and at every moment: our existence, life, breath, every thought and action. As we become more humble, we recognize more profoundly our need to pray more.

4. Have faith.

It’s not enough to know that we’re needy. To pray, we also have to ask someone, and not just anyone, but someone who can and will answer our petition. Children intuit this when they ask mom instead of dad (or vice versa!) for permission or a gift. It is with the eyes of faith that we see God is both powerful and willing to help us in prayer. St. Thomas says that “faith is necessary… that is, we need to believe that we can obtain from Him what we seek.” It is faith which teaches us “of God’s omnipotence and mercy,” the basis of our hope. In this, St. Thomas reflects the Scriptures. The Epistle to the Hebrews underlines the necessity of faith, saying, “Whoever would draw near to God must believe that he exists and that he rewards those who seek him” (Heb 11:6). Try praying an Act of Faith.

3. Pray before praying.

In old breviaries you can find a small prayer that begins, “Open, O Lord, my mouth to bless your Holy Name. Cleanse, too, my heart from all vain, perverse and extraneous thoughts…” I remember finding this slightly amusing– there were prescribed prayers before prescribed prayers! When I reconsidered it, I realized that although it might seem paradoxical, it gives a lesson. Prayer is utterly supernatural, and so it is far beyond our reach. St. Thomas himself notes that God “wishes to bestow certain things on us at our asking.” The prayer above continues by asking God: “Illumine my mind, inflame my heart, that I may worthily, attentively and devoutly recite this Office and merit to be heard in the sight of Your divine Majesty.” The attentiveness and purity of heart needed to attain to God in prayer is itself received as a gift– and we will only receive if we ask.

2. Be intentional.

Merit in prayer– that is to say, whether it brings us closer to heaven– flows from the virtue of charity. And this flows from our will. So to pray meritoriously, we need to make our prayer an object of choice. St. Thomas explains that our merit rests primarily on our original intention in praying. It isn’t broken by accidental distraction, which no human being can avoid, but only by intentional and willing distraction. This also should give us some relief. We need not worry too much about distractions, as long as we don’t encourage them. We realize something of what the Psalmist says, namely, that God “pours gifts on His beloved while they slumber” (Ps 127:2).

1. Be attentive.

Although, strictly, we need only be intentional and not also perfectly attentive to merit by our prayer, it is nevertheless true that our attention is important. When our minds are filled with actual attention to God, our hearts too are inflamed with desire for Him. St. Thomas explains that spiritual refreshment of the soul comes chiefly from being attentive to God in prayer. The Psalmist cries out, “It is your face, O Lord, that I seek!” (Ps 27:8). In prayer, let us never cease to search for His Face.

woensdag, oktober 29, 2014

De heilige Johannes van Capestrano en de liturgiehervorming



Wij hebben hier al herhaaldelijk gewezen op de inhoudelijke verschillen tussen de teksten van beide missaals van de Romeinse ritus. Sint-Johannes van Capestrano (1386-1456), die wij in de gewone vorm op 23 oktober en in de buitengewone vorm op 28 maart vieren, is weer een voorbeeld om deze verschillen duidelijk aan het licht te brengen. De Franciscaanse priester Johannes van Capestrano heeft een belangrijke rol gespeeld bij het weerstaan aan het Ottomaanse Rijk bij wat is komen te heten ‘De slag van Belgrado’ in 1456.

Het is daarom passend dat er in de buitengewone vorm als openingsgebed of collecta staat:
Deus, qui per beatum Joannem fideles tuos in virtute sanctissimi nominis Jesus de crucis inimicis triumphare facisti: praeseta, quaesumus; ut, spiritualium hostium, ejus intercessione, superatis insidiis, coronam justitiae a te accipere mereamur. Per eumdem Dominum nostrum.
God, die uw gelovigen, door de heilige Johannes, in de kracht van de allerheiligste Naam Jezus, over de vijanden van het kruis hebt doen zegevieren, geef, bidden wij U, dat wij, door zijn voorspraak, over de listen van onze geestelijke vijanden zegevieren, zodat wij van U de kroon der gerechtigheid kunnen ontvangen. Door onze Heer.
Hierbij komt nog dat de buitengewone vorm voor 28 maart ook een eigen secreta en postcommunio heeft en dit in tegenstelling tot de gewone vorm waarbij er een keuze is tussen niet minder zes gebeden voor de offerande en de postcommunio. En in deze eigen gebeden in de buitengewone vorm is er opnieuw sprake van de listen van de vijanden (inimicorum insidias) en de kwaadwillige vijand (ab hoste maligno) waartegen de voorspraak van de heilige Johannes van Capestrano de Kerk beschermt.

Lauren Pristas heeft in haar boek The Collects of the Roman Missal. A Comparative Study of the Sundays in Proper Seasons before and after the Second Vatican Council (Bloomsbury, 2013) aangetoond dat één van de richtlijnen voor de herziening van bovenstaand gebed erin bestond de gebeden aan te passen aan de noden van het hedendaagse christelijke leven (accomodentur necessitatis hodiernae vitae christianae; p. 16, voetnoot 44).

Met dit voor ogen is het makkelijk in te zien dat bovenstaand gebed volledig onaangepast is. Vandaag zouden we zeggen dat het gebed absoluut politiek incorrect is. In de context van de dictatuur van het relativisme en het heilsuniversalisme zijn er immers geen vijanden meer van het kruis. Bovendien zijn we zodanig ‘verlicht’ dat we niet meer hoeven te geloven in wezens die ons geestelijk leven met listen proberen te beïnvloeden. En heeft Nostra Aetate ons niet geleerd dat we vriendelijk en lief moeten zijn voor allen die toch dezelfde God aanbidden.

Al deze foutieve meningen kunnen makkelijk weerlegd worden en dit is al meermaals gebeurd maar iedereen die in gesprek komt met (rand-)kerkelijken kan vaststellen dat de praktijk geleid wordt door deze dwalingen.

Men zou zich kunnen afvragen of nieuw geschapen gebed voor de heilige Johannes van Capestrano ook daar niet heeft aan bijgedragen. Want wat lezen we in de collecta van de gewone vorm op 23 oktober:
Deus, qui, ad pópulum fidélem in angústiis confortándum, beátum Ioánnem suscitásti, praesta, quaesumus, ut nos in tuae protectiónis securitáte constítuas, et Ecclésiam tuam perpétua pace custódias. Per Dóminum.
God, Gij hebt de heilige Johannes van Capestrano geroepen om in tijden van bedreiging Uw gelovigen bij te staan en aan te moedigen. Bescherm en beveilig ons, houd ons staande in genade en bewaar Uw kerk in vrede. Door onze Heer.
Nog afgezien van de zeer gebrekkige vertaling (die de gelovigen echter al decennia gehoord en meegebeden hebben) valt op dat
-er geen sprake meer is van voorspraak; een te katholiek begrip wellicht.
-er geen sprake meer is van een objectieve vijand maar van een subjectieve bedreiging; het Latijn ‘angustiis’ is nog subjectiever wanneer het vertaald wordt met ‘nood’.
-ook zijn de vijanden van het kruis, een duidelijke verwijzing naar de Islam, verdwenen
-het geheel is geschreven in een mildere toon

woensdag, oktober 08, 2014

De theologische competentie van de Vaticaanse persdienst

Net als canonist Edward Peters was het ook mij opgevallen dat de theologische helderheid en precisie van de samenvattingen van de Synode-discussies die de Vaticaanse persdienst rondstuurt flink
tekortschiet.
Je hoeft geen canonist te zijn maar een gewone kennis van de catechismus volstaat om in te zien dat er ernstige leerstellige fouten in deze samenvattingen staan.
Hier zijn een aantal voorbeelden van Edward Peters:

I hope it’s the Vatican’s synodal news summaries themselves that are badly phrased. Else, the level of imprecision in comments on marriage matters is very worrisome.

Four examples from today’s VIS 141008:

(A) “First and foremost, the debate focused on the Church in the Middle East and in North Africa. … In these contexts, interreligious or so-called ‘mixed’ marriages are present and on the increase in these contexts …”

Now, the vast majority of marriages between Catholics and non-Catholics in the Middle East and Africa are those contracted with Muslims, Jews, or animists. But to call these marriages “mixed” is to confuse marriages between Catholics and non-Catholic Christians (which are sacramental and are designated “mixed” in Canon 1124) with marriages between Catholics and non-baptized persons which, though presumptively valid, are not sacraments. Entering marriage without the grace of Matrimony is a pastoral challenge quite distinct from entering marriage with those graces (albeit with a spouse not in full communion). The language being reported does not seem to recognize that important fact.

(B) “A further challenge is also represented by those Christians who convert to Islam in order to marry: also in this case, suitable reflection is necessary …”

This phrasing makes little sense. First, Catholics who “convert” to Islam are canonically “apostates” per Canon 751, a state with serious negative implications regardless of one’s matrimonial status. Second, Catholic marriage with any non-baptized person is, unless dispensed, null (Canon 1086), so, whatever the civil relationship is, the Church does not even recognize it as a marriage.

(C) “The question is not simply interreligious, but at times also ecumenical: there are cases in which a Catholic who has contracted a canonical marriage and is not able to obtain a declaration of nullity passes to another Christian confession, remarrying in a Church which permits this …”

More confusion I’m afraid. “Interreligious” and “ecumenical” are distinct concepts and the statement starts off recognizing that, but then it confuses “Christian confession” with (presumably separated) “Church”, leaving one wondering what exactly is being addressed: Protestant confessions or Eastern Orthodox Churches, both of whose approaches to divorce differ between themselves and are serious at odds with Catholic teaching on the permanence of marriage. In any case, the main problem here is one of pastoral care for lapsed Catholics, not theological dialogue about the definition of marriage.

(D) “With regard to the question of divorced and remarried persons, it was highlighted that the Synod must certainly … combine the objectivity of truth with mercy for the person and for his or her suffering. It is necessary to remember that many faithful find themselves in this situation through no fault of their own …”

Setting aside the ambiguous notion of “fault”, one can indeed be divorced through no fault of one’s own. But how can someone be remarried through no fault of one’s own? And is not remarriage after divorce, and not just divorce, what is at issue here? An issue framed with a mistaken premise is not likely to be discussed fruitfully.

Praying for real clarity in true charity.

Ontbreekt het de Vaticaanse persdienst aan theologische basiscompententie? Of erger: zijn deze samenvattingen een accurate weergave van de discussies op de Synode en ontbreekt het de deelnemers aan theologische basiscompetentie?
Is dit het resultaat van het loslaten van het Latijn en het invoeren van het Italiaans als voertaal waarvan de deelnemers uit heel de wereld vaak ook maar een gebrekkige kennis bezitten?

Het doet ons denken aan een bepaling van de H. Paus Johannes XXIII in Veterum sapientia (één van de vele bepalingen die door de 'fans' van Johannes XXIII nooit in de praktijk zijn gebracht) nr. 8:
De taal, die door de Kerk gebruikt moet worden, dient echter niet alleen universeel maar ook onveranderlijk te zijn. Want indien de waarheden van de katholieke Kerk worden overgeleverd door enige of meerdere levende talen van deze tijd, dan zou toch geen enkele ervan de andere in gezag overtreffen; het gevolg hiervan zou zijn dat van de ene kant de betekenis van die waarheden wegens die verschillende talen dan ook niet voor iedereen duidelijk of helder genoeg zou blijken en van de andere kant zou er geen enkele gemeenschappelijke vaste norm zijn, waaraan de betekenis van de waarheid in de andere talen kan worden getoetst.
Zomaar een andere bepaling van Johannes XXIII die vandaag politiek incorrect is, nl. zijn oproep aan de afgescheidenen in Ad Petri Cathedram:
Moge daarom deze wonderbare manifestatie van eenheid, waardoor alleen de katholieke Kerk zich onderscheidt en kenmerkt, mogen de gebeden en smekingen, waardoor zij die eenheid voor allen van God vraagt, indruk op u maken en u op een heilzame wijze beïnvloeden, u die van deze Apostolische Stoel zijt afgescheiden.Sta toe dat Wij u in een dierbaar verlangen broeders en zonen noemen; gun ons de hoop die Wij met gevoelens van vaderlijke liefde koesteren omtrent uw terugkeer.

vrijdag, oktober 03, 2014

De lotgevallen van een citaat: Mons. Dino Staffa en Thomas op Vaticanum II

“Ter verdediging van Sint Thomas staat de toenmalige mons. Dino Staffa, secretaris van de H. Congregatie voor de Seminaries, op. Hij verzet zich tegen de poging het denken van de Aquinaat terzijde te schuiven om meer open te lijken ten aanzien van de hedendaagse wereld: “Zoals het nieuwe dat zich losmaakt van het ware geen vooruitgang is, zo ook is de ijver die de voorheen ontdekte waarheid negeert of verwerpt geen vooruitgang. Want dan zou de wijsbegeerte niets anders worden dan een onvermoeibare en absurde zoektocht die niet het object van haar onderzoek kan vinden, nu niet en niet in de toekomst. [ …] De leer van Sint-Thomas, krachtens het feit dat zij steunt op eeuwige waarheden, is niet eigen aan de middeleeuwen, maar geldig voor alle tijden, voor alle plaatsen ( en niet enkel voor de westelijke landen), en is toegankelijk voor alle mensen in de mate dat ze beantwoordt aan de fundamentele eisen van de menselijke rede.”
Dit citaat kwam ik tegen in het artikel van Michael Konrad, ‘San Tommaso d’Aquino nella recezione del concilio Vaticano II’, in: CVII-Studi e Ricerche VII/2 (2013),  pp. 216-270 het tijdschrift van het Centro Studi e Ricerche sul Concilio Vaticano II van de Pauselijke Lateraanse Universiteit te Rome.

Maar er is wat aan de hand met dit citaat. Konrad verwijst naar de Acta Synodalia III, VIII, 719. Daar is inderdaad een toespraak te vinden van Mons. en later Kardinaal Dino Staffa. Wanneer we zoeken naar het Latijnse origineel vinden we het volgende:
"Ut novum quod dissentit a vero non est progressus, sic pariter progressum non constituit labor qui veritatem iam detectam et probatam ignoret aut respuat, nam secus philosophia nihil aliud fieret quam absurda investigatio assidua et inutilis, quin posset, nunc vel inposterum, inquisitionis suae obiectum invenire."
Dit stemt inderdaad overeen met de Italiaanse vertaling die Konrad geeft en waarvan ik de Nederlandse vertaling boven heb gegeven.

Maar de rest van het citaat van Konrad, te beginnen met “De leer van Sint-Thomas” vinden we pas onderaan p. 719. Konrad voegt terecht […] om aan te geven dat hij een stuk tekst overslaat. Onderaan p. 719 lezen we: “Non absque ratione, docet Paulus VI f.r., S. Thomas salutatus fuit homo omnium horarum [NU BEGINT DE TEKST DIE KONRAD AANHAALT]. Doctrina enim sua, quae in essentia innitur rerum, ideoque in earum certa et immutabilii veritate, nec medii aevi est nec determinatae gentis propria, sed tempus et spatium transcendit, ita ut minus valida non sit pro nostrae aetatis hominibus.”

Dit is dus niet een tekst van Mons. Staffa maar, zoals Staffa zelf aangeeft, een citaat uit een brief van 7 maart 1964, te vinden in AAS 56 (1964), p. 304 waar inderdaad Paulus VI aan de magister-generaal van de Predikheren, Aniceto Fernandez, een brief in het Engels schrijft ter bedanking voor de overhandiging van een nieuw volume in de kritische editie van Sint-Thomas. Daar lezen wij:
“Not without reason he has been hailed as the ‘man of every hour’. His philosophical knowledge, which reflects the essences of really existing things, in their certain and unchanging truth, is neither medieval nor proper to any particular nation; it transcends time and space and is no less valid for humanity in our day.”

Vatten we nog eens samen wat er gebeurd is:
1/Konrad beweert een Italiaanse vertaling te geven van een citaat van Mons. Dino Staffa waaruit zou moeten blijken dat Staffa zich verzet tegen het terzijde schuiven van Thomas om meer open te lijken voor de hedendaagse wereld.
2/Deze Italiaanse vertaling is gedeeltelijk foutief; Staffa zegt bv. niet “en niet enkel voor de westelijke landen” maar vooral: Konrad schrijft een uitspraak toe aan Staffa die in feite afkomstig is van Paus Paulus VI.
3/Maar ook Staffa maakt een fout door het Engelse origineel “philosophical knowledge” te vertalen als “doctrina”
4/Het punt dat Mons. Staffa wil maken is NIET dat er een tegenstelling bestaat tussen Thomas en openheid of tussen Thomas en de hedendaagse wereld  zoals Konrad suggereert met zijn inleidende zin. Staffa wil enkel aanduiden dat vooruitgang op waarheid moet gebaseerd zijn en dat Thomas geen relict is.
5/Zelfs in de veronderstelling dat de intentie van Konrad goed is blijft het feit wel staan dat hij een citaat aan Staffa toeschrijft wat eigenlijk van Paus Paulus VI afkomstig is. Het is natuurlijk niet in het voordeel van aanhangers van een clash tussen ‘conservatieven’ en ‘open geesten’ over Thomas dat Paus Paulus VI zich schaart bij de conservatieven.

Kardinaal Dino Staffa
 
Besluit: Dit voorval bevestigt nog eens dat 1/elke referentie moet gecontroleerd worden in de bronnen zelf 2/hoe makkelijk het is bronnen te manipuleren

maandag, september 01, 2014

The activities of Father Leo Elders s.v.d. - part 4

This is our fourth post in our series of yearly updates on the activities of the Dutch Thomist Father Leo Elders SVD (for previous posts click here, here and here)

In the Fall of 2013 the French translation of his revised introduction to Aquinas, originally published in Dutch in 2012, was published at Les Presses Universitaires de l’IPC.

Further publications include:
*Santo Tomás de Aquino y el platonismo’, in El retorno de la filosofía. Jornada tomista, ed. Lobato Casado, A., Murcia, UCAM, 2013, 50-73
*Fe, pensiamento y cultura in Gaudium et Spes’, in: El torno al Vaticano II: Claves históricas, doctrinales y pastorales, dirigado par A. Aranda, Michael Lluch y Jorge Herrera, Pamplona, Eunsa, 2014, 535-547.

On October 15, 2013, he gave a lecture at the Universidad San Dámaso (Spain), entitled “Santo Tomás de Aquino y su filosofía del ser”. On December 4, 2013 he was at the University of Metz (France) to give a lecture on “L’être de Dieu et celui des créatures dans son Opus Tripartitum
et la doctrine respective de Thomas d’Aquin ».

In June 2014 he participated in the annual Plenary Session of the Pontifical Academy of St. Thomas Aquinas at Vatican City with a paper entitled “Aquinas on the Beatitude of Mercy”.

He is currently visiting the Centro Universitario de la Ciudad de México for a series of lectures.

However, the most part of the year 2013-2014 he was working on his new book, entitled Saint Thomas d'Aquin et ses prédécesseurs. La présence des grands philosophes et Pères de l’Église dans les oeuvres de Thomas, which will appear in the Fall of 2014.
In the sixteen chapters of this 400- page book, he investigates the presence of the most important philosophers and theologians in the work of Thomas Aquinas, starting with the Platonists, Aristotle, the Stoa up until Avicenna, Averroes and Maimonides.