maandag, augustus 25, 2014

Het 'Klein Missaal' en de volkstaal



Met de publicatie van het ‘Klein Missaal’ wordt voor het grote publiek voor het eerst de vruchten zichtbaar van het vertalingswerk met het oog op een correctere Nederlandstalige editie van het Romeins Missaal. Misschien is dit een goed moment om zich te bezinnen omtrent de introductie van de volkstaal in de liturgie überhaupt, één van de meest genoemde ‘verworvenheden’ van Vaticanum II. Een aandachtig lezer van Sacrosanctum Concilium (1963) weet natuurlijk dat er in nr. 36 staat dat het gebruik van de Latijnse taal moet bewaard blijven. Hoe kon het anders wanneer we weten dat Paus Pius XII, nauwelijks zeven jaar vóór de publicatie van Sacrosanctum Concilium, nog schreef: “Het zal niettemin overbodig zijn nogmaals in herinnering te brengen, dat de Kerk ernstige motieven heeft om in de Latijnse ritus de onvoorwaardelijke verplichting voor de celebrerende priester te handhaven om de Latijnse taal te gebruiken en even­eens, wanneer het gregoriaans het heilig Offer begeleidt, dat dit geschiedt in de taal van de Kerk.” (22 september 1956, Toespraak tot de deelnemers aan het internationaal liturgisch congres te Assisi).

De praktijk wijst echter uit dat het Latijn nagenoeg verdwenen is uit het leven van de Kerk en van de gelovigen. Zelfs in een internationale context wordt vaak toevlucht gezocht in het Engels en het Italiaans, zelfs indien celebranten en/of gelovigen deze taal nauwelijks meester zijn. Er zijn zelfs gevallen bekend waarin de consecratie door celebrant en concelebrant(en) in verschillende talen wordt verricht, iets wat uitdrukkelijk ingaat tegen Redemptionis Sacramentum nr. 113, maar wat de afwezigheid van het Latijn zelfs bij ambtsdragers nogmaals onderstreept.

In het licht hiervan zijn enkele opmerkingen voorafgaand aan de promulgatie van Sacrosanctum Concilium interessant.

Toekomstig kardinaal Dino Staffa, secretaris van de Congregatie voor de Seminaries en Universiteiten geeft volgende algemeen-culturele achtergrond:

In het schema wordt toegevoegd dat de gewijde liturgie zich moet aanpassen aan de veranderde tijden en gewoonten. Hier moeten wij ook aandacht hebben voor de gevolgen. Immers, de gewoonten, ja zelfs het uitzicht van de maatschappij zelf en vooral vandaag, verandert snel en zal nog sneller veranderen. Wat vandaag in overeenstemming lijkt met de verzuchtingen van de menigte zal in dertig of ten hoogste vijftig jaar reeds ongepast lijken. Men zou hieruit dus moeten besluiten dat in dertig of vijftig jaar de liturgie opnieuw integraal of nagenoeg integraal zal moeten hervormd worden. Dit lijkt mij logisch na wat gezegd is maar dit is helemaal niet gepast wat betreft de gewijde liturgie, helemaal niet nuttig voor de waardigheid van de Kerk, helemaal niet veilig voor de integriteit en eenheid van het geloof en helemaal niet bevorderlijk voor de eenheid van de discipline.
Terwijl dus de wereld elke dag steeds sneller naar eenheid op weg is door de grenzen van staten te overstijgen, vooral wat betreft de wijze van handelen en leven, verbreken wij de wonderbaarlijke liturgische eenheid van de Latijnse Kerk en verdelen wij deze in landen, regio’s, ja zelfs provincies? (Bron: Acta Synodalia I/I, pp. 428-429)

Mgr. Carolus de Mello, bisschop van Palmas onderstreept het hellende vlak. Veranderingen in de taal zijn het begin van een reeks van veranderingen die men, tegen het gezag van de Kerk in, zal doorvoeren.

De verandering van de taal brengt het gevaar van het laïcisme met zich mee. [de Latijnse term is ‘laicismus’: uit de context blijkt dat hij hiermee de overheersing door de leken bedoelt] Vandaag is het de taal, morgen zal het iets anders zijn. Vandaag gebeurt dit tesamen met de priesters die hun meningen gunstig gezind zijn, morgen zal dit gebeuren tegen of zonder de priesters, meer zelfs, zonder de bisschoppen. Deze zaken moeten wij voorzien. Indien wij op dit gebied verzaken, dit wil zeggen aan de éénmakende taal in de Romeinse liturgie voor de westelijke gebieden, dan zullen hierdoor op een dag andere zaken zich aandienen.” (Bron: Acta Synodalia I/I, p. 542)

Ik laat aan de lezer het oordeel of deze woorden al dan niet van profetische aard zijn.

woensdag, augustus 20, 2014

De Heilige Pius X (1914-2014)

Vandaag precies honderd jaar geleden overleed de heilige Paus Pius X, Vicarius Christi van 4 augustus 1903 tot 20 augustus 1914. In tegenstelling tot andere heilige Pausen wordt aan de heilige Paus Pius X weinig aandacht besteed. Zelfs tot op de dag van vandaag zijn er geen Nederlandse vertalingen van de belangrijke encyclieken over de Kerk in Frankrijk, over Carolus Borromaeus, over de Indianen in Zuid-Amerika, etc.

Bij wijze van devotie kan men (her)lezen zijn eerste encycliek E Supremi waarin hij doel ("alles herstellen in Christus") en middel van zijn pontificaat beschrijft. Daar lezen we o.a.:
Onze eerste zorg moet zijn: Christus te vormen in degenen, die krachtens hun ambtsplicht bestemd zijn om Christus in anderen te vormen. We bedoelen hier de priesters, eerbiedwaardige broeders. Allen immers, die de heilige wijding ontvangen hebben, moeten weten, dat ze bij het volk, waaronder ze leven, dezelfde zending hebben, die Paulus naar zijn eigen getuigenis op zich genomen had, zoals hij dat uitdrukt in die innig tedere woorden: “Mijn kinderkens, voor wie ik opnieuw barensweeën moet lijden, eer Christus in u is gevormd.” (Gal. 4, 19) Maar hoe kunnen ze die taak vervullen, als ze niet eerst zichzelf met Christus hebben bekleed, en dat wel zo, dat ze de woorden van dezelfde apostel mogen bezigen: “Ik zelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij.” (Gal. 2, 20) “Christus is mijn leven.” (Fil. 1, 21) Weliswaar geldt voor alle gelovigen de aansporing “om een volwassen man te worden en de mannenmaat van de volmaakte Christus te bereiken” (Ef. 4, 13), maar toch is ze bij uitstek bedoeld voor hem, die de priesterlijke bediening uitoefent. Deze wordt “een andere Christus” genoemd, niet alleen omdat hij deelt in Christus' macht, maar ook omdat hij door navolging van Christus' werken Christus in zijn eigen persoon moet uitbeelden.
Hiermee verband houdend is de mooie apostolische exhortatie Haerent animo over de heiligheid van de priester.
En omdat heiligheid zonder waarheid een leugen is, verdient, naast de welbekende encycliek Pascendi, ook het Motu Proprio Sacrorum Antistitum, waarmee hij de anti-modernisteneed instelde, een herlezing:

Waar zulk een plaag zich uitbreidt over een deel van de akker van de Heer, waarop meer vreugdevolle vruchten te verwachten waren geweest, daar moeten alle bisschoppen ter verdediging van het geloof arbeiden en met de grootste zorg erover waken dat de integriteit van de goddelijke schat bewaard blijft en geen schade ondervindt. Het meest komt Ons echter de plicht toe de bevelen van Christus de Verlosser uit te voeren die Hij aan Petrus - wiens primaat Wij, alhoewel onwaardig, bezitten- gaf toen Hij zei: “Sterk uw broeders”. Daarom, d.w.z. de zielen van de goeden voor de huidige hevige strijd te sterken, hebben Wij het passend geacht de zinnen en voorschriften van Ons genoemd schrijven te herhalen: “Wij smeken u, en vragen met aandrang, dat u in deze zo ernstige aangelegenheid uw waakzaamheid, ijver en kracht zult tonen en niets door de vingers zult zien. Wat Wij van u vragen en verwachten, dat vragen en verwachten Wij ook van de andere zielzorgers, van de opvoeders, van de professoren der jeugd, speciaal echter van de hogere oversten van religieuze instellingen.

Tot slot:
Deus, qui ad tuendam catholicam fidem, et universa in Christo instauranda sanctum Pium, Summum Pontificem, caelesti sapientia et apostolica fortitudine replevisti; concede proitius; ut, ejus instituta et exempla sectantes, praemia consequamur aeterna. Per eumdem Dominum nostrum.

dinsdag, juli 29, 2014

Lectuur van "Recent Proposals for the Pastoral Care of the Divorced and Remarried: A Theological Assessment"

UPDATE: Een meer volledige vertaling van dit artikel van mijn hand is nu te vinden op  http://rkdocumenten.nl/rkdocs/index.php?mi=680&nws=2639

Op de website van de Engelstalige versie van het tijdschrift Nova & Vetera is recent een uitgebreid document verschenen van de hand van een groep Dominicanen met in begrip van de Vlaamse canonist Kurt Martens omtrent de voorstellen die o. a. kardinaal Kasper gelanceerd heeft voor de aanstaande synodes met betrekking tot het toelaten tot de H. Communie voor echtgescheiden-en-hertrouwden.

De inleiding en enkele significante argumenten heb ik vertaald.

Recente voorstellen voor de pastorale zorg voor echtgescheiden-en-hertrouwden: een theologische beoordeling (Auteurs: J. Corbett OP, A. Hofer OP, P. Keller OP, D. Langevin OP, D. Legge OP, Th. Petri, OP, Th. J. White OP en Kurt Martens)

“Paus Franciscus heeft een buitengewone Bisschoppensynode samengeroepen voor Oktober 2014 en een gewone Bisschoppensynode voor de herfst van 2015, beiden met als thema de Pastorale Uitdagingen voor het Gezin in de Context van de Evangelisatie. Enkele eerste voorstellen zijn opgedoken, waaronder meest bekend de voorstellen van kardinaal Walter Kasper tijdens zijn toespraak tot het buitengewone Concistorie van kardinalen op 20 februari 2014. In deze toespraak analyseert hij de toestand van het gezin en besluit met twee specifieke voorstellen omtrent de echtgescheiden-en-hertrouwden ten behoeve van de Synode. Vrij snel nadien is zijn toespraak in het Italiaans gepubliceerd en vervolgens in een klein boek (met een voorwoord en bijkomende beschouwingen) in het Engels en het Duits verschenen. Zijn voorstellen zijn gelijkaardig aan de voorstellen die de Duitse Bisschoppenconferentie heeft besproken en die in de afgelopen maanden in de media zijn verschenen.
Alhoewel deze voorstellen op zichzelf vrij eenvoudig zijn, brengen zij een breed gamma aan belangrijke theologische vragen naar boven. Als katholieke theologen die werkzaam zijn aan Pauselijke Faculteiten of aan andere kerkelijke instituten willen wij een beoordeling van deze voorstellen geven vanuit een theologisch perspectief. Wij hebben ons daarom ingespannen tot een korte en beknopte analyse van elke vraag, naar het model van een artikel in een encyclopedie, veeleer dan een uitgebreide studie. Wij hopen dat deze beoordeling dienst kan doen als een wetenschappelijk referentiepunt voor de pastores van de Kerk en als een uitgangspunt voor verdere discussie omtrent een belangrijk onderwerp.
Wij hebben onze analyse onderverdeeld als volgt:
A. Samenvatting van de huidige voorstellen
B. Algemene principes
    1/ Het sacramenteel huwelijk is onverbrekelijk
    2/ De geschiedenis van de definitie van overspel en de leer van de Kerk over echtscheiding
    3/ Het huwelijk is wezenlijk een publieke aangelegenheid
C. Analyse van de voorstellen voor H. Communie voor echtgescheiden-en-hertrouwden.
    1/ Wanhoop ten aanzien van kuisheid?
    2/ Precedenten van de eerste Concilies en de Kerkvaders
    3/ De praktijk van Oosters Orthodoxen
    4/ Deze vragen zijn beslecht geworden in de controversen tijdens de Reformatie
    5/ He precedent van de moderne Angelicaanse Gemeenschap – een hellend vlak?
    6/ Geestelijke of sacramentele Communie voor de echtgescheiden-en-hertrouwden.
7/ Vergeving is onmogelijk zonder berouw en zonder een oprecht en vast voornemen zich te beteren
8/ De gevolgen van het ontvangen van de H. Communie terwijl men in ernstige zonde verkeert
9/De herleving van een verworpen morele theorie?
10/Het toelaten van de hertrouwden tot de Communie zou een ernstig schandaal veroorzaken”
D. Analyse van de voorstellen tot verandering van het nietigverklaringsproces
    1/ Is authentiek geloof noodzakelijk voor een geldig huwelijk?
2/ Nietigverklaring kunnen niet verleend worden bij afwezigheid van canonieke expertise en procedures
3/ De onmogelijkheid van subjectieve of gepersonaliseerde oordelen in huwelijkszaken
E. Elementen voor een positief voorstel ten behoeve van de aanstaande Synode.

Argument vanuit de kuisheid (C/1)
“De kern van de huidige voorstellen heeft te maken met een twijfel omtrent kuisheid. Inderdaad, het belangrijkste nieuwe element in deze voorstellen is de verwijdering van de verplichting tot kuisheid voor de echtgescheidenen. Immers, de Kerk staat reeds toe dat echtgescheidenen en hertrouwden, die, omwille van een ernstige reden (zoals de opvoeding van de kinderen), blijven samenleven, de Communie ontvangen indien zij akkoord gaan om te leven als broeder en zuster en indien er geen gevaar is voor schandaal. Zowel Johannes Paulus II als Benedictus XVI hebben dit geleerd.

De veronderstelling van de huidige voorstellen, echter, is dat zulk een kuisheid voor echtgescheidenen onmogelijk is. Ligt hierin niet een verborgen wanhoop omtrent kuisheid en omtrent de kracht van de genade om zonde en ondeugd te overwinnen? Christus roept elke persoon op tot kuisheid overeenkomstig zijn of haar levensstaat, of deze nu ongehuwd, celibatair, gehuwd of gescheiden leeft. Hij belooft de genade om kuis te leven. In de Evangelies herhaalt Jezus deze oproep en belofte, tesamen met een duidelijke waarschuwing: wat zonde veroorzaakt dient uitgerukt en weggegooid te worden want het beter dat je één van jouw ledematen verliest dan dat geheel je lichaam in de hel geworpen wordt (Mt. 5, 27-32). In de Bergrede is de kuisheid inderdaad het hart en de ziel van Jezus’ onderricht over huwelijk, echtscheiding en huwelijksliefde.

Deze kuisheid is een vrucht van de genade, niet een boetedoening of een ontbering. Het verwijst niet naar de onderdrukking van iemand seksualiteit maar naar de juiste ordening ervan. Kuisheid is de deugd waarmee men de seksuele verlangens onderwerpt aan de rede, zodanig dat iemand seksualiteit niet ten dienste staat van de lust maar van het ware doel ervan. Het resultaat ervan is dat de kuise persoon zijn passies bestuurt veeleer dan dat hij er slaaf van is; op deze wijze wordt hij in staat gesteld zich geheel en permanent te geven. Kortom, het is onontbeerlijk voor het volgen van de weg van Christus, de enige authentieke weg naar vreugde, vrijheid en geluk.

De cultuur van vandaag beweert dat kuisheid onmogelijk of zelfs schadelijk is. Dit seculiere dogma is direct tegengesteld aan het onderricht van de Heer. Indien wij dit seculiere dogma aanvaarden, dan is het moeilijk in te zien waarom het enkel van toepassing zou zijn op echtgescheidenen. Is het niet even onrealistisch te vragen dat men kuis blijft tot aan het huwelijk? Dienen ook zij niet zichzelf toe te laten tot de H. Communie. Men zou meerdere zulke voorbeelden kunnen geven.
Sommige koppels die burgerlijk hertrouwd zijn proberen kuis te leven als broer en zuster. Dit kan voor hen moeilijk zijn en soms kunnen zij hierin falen maar, door de genade bewogen, staan zij weer op, belijden hun zonden en beginnen opnieuw. Indien het huidige voorstel aanvaard zou worden, hoeveel onder hen zouden dan niet de strijd voor een kuis leven opgeven?

Natuurlijk leven vele gescheiden en hertrouwde personen niet kuis. Wat hen onderscheidt van diegenen die dit proberen (en soms niet hierin slagen), is dat zij nog niet inzien dat onkuisheid ernstig verkeerd is of dat zij ten minste nog niet de intentie hebben om kuis te leven. Indien zij tot de Eucharistie zouden toegelaten worden, zelfs indien zij eerst gaan biechten, en de hele tijd de intentie hebben onkuis te leven (een radicale contradictie), dan is er een echt gevaar dat zij bevestigd worden in hun huidige ondeugd. Het is onwaarschijnlijk dat zij groeien in het inzicht omtrent de objectieve zondigheid en ernst van hun onkuise handelingen. Men zou zich kunnen afvragen of hun moreel karakter zal verbeterd worden of dat het meer waarschijnlijk is dat hun moreel karakter zal verstoord of zelfs vervreemd worden.

Christus leert dat kuisheid mogelijk is, zelfs in moeilijke gevallen, omdat de genade van God sterker is dan de zonde. De pastorale zorg voor de echtgescheidenen moet bouwen op deze belofte. Tenzij zij de Kerk de hoopvolle woorden van Christus, dat zij werkelijk kuis kunnen leven, horen verkondigen, zullen zij dit nooit proberen.”

Argument op basis van het feit van ‘het hellend vlak’ (C/5)
“Alhoewel de huidige voorstellen enkel de echtgescheiden-en-hertrouwden betreffen zou de aanvaarding ervan – zelfs als een ‘enkel’ pastorale praktijk- vereisen dat de Kerk in principe aanvaardt dat seksuele activiteit buiten een permanent en trouw huwelijk verenigbaar is met de gemeenschap met Christus en met het christelijke leven.  Bij aanvaarding ervan is het moeilijk in te zien hoe de Kerk kan weigeren toe te laten tot de H. Communie ongehuwde samenlevende koppels of personen in homoseksuele relaties etc. De logica van deze positie suggereert inderdaad dat de Kerk zulke relaties kan zegenen (zoals de Angelicaanse gemeenschap momenteel doet) en zelfs het gehele gamma van hedendaagse seksuele ‘bevrijding’ kan aanvaarden. De Communie voor echtgescheiden-en-hertrouwden is enkel het begin.”

Argument vanuit het niet mogen veroorzaken van een schandaal (C/10)
“Schandaal is een attitude of gedrag die ertoe leidt dat een ander kwaad doet. The persoon die een schandaal veroorzaakt wordt de verleider van zijn buurman. Het slechte voorbeeld van een persoon desinformeert het verstand of verzwakt de wil van een ander en leidt deze tot zonde.

De Kerk heeft constant geleerd dat echtscheiding en het hertrouwen een ernstig schandaal veroorzaken. Vaticanum II noemde echtscheiding een plaag en laakte het verduisterende effect ervan op de uitmuntendheid van huwelijk en gezin. De Catechismus (2385) legt uit: “Echtscheiding is immoreel… omdat zij een ontregeling teweegbrengt in het gezinsleven en in de samenleving.  Deze ontregeling brengt zware schade met zich mee: voor de partner die in de steek gelaten wordt; voor de kinderen die blijvend lijden onder de scheiding van hun ouders en die zich heen en weer geslingerd voelen tussen hun ouders; ook echter voor de gemeenschap vanwege het aanstekelijke karakter, waardoor echtscheiding een ware sociale plaag wordt.” Het hertrouwen na een echtscheiding vergroot dit schandaal (2384).

Sommigen beweren dat de grotere frequentie van echtscheidingen in onze dagen en de wijdverbreide aanvaarding ervan elk schandaal vermindert en dat er daarom redenen zijn om echtgescheiden-en-hertrouwden toe te laten tot de Communie. Zou tegenwoordig iemand hierdoor geshockeerd zijn?

Dit argument bevat een misvatting omtrent het kwaad van een schandaal dat niet een psychologische shock is maar een verleiding voor anderen tot zondigen. Voor diegene die een schandaal veroorzaakt is het niet nodig dat hij de intentie heeft om zijn buur te verleiden; de verleiding is een effect van de zonde zelf. Wanneer zonden maatschappelijk gezien ‘gewoon’ worden, dan groeit het schandaal in plaats van dat het vermindert. Met elke persoon die zich hieraan overgeeft, wordt de vastberadenheid van anderen om hieraan te weerstaan in gevaar gebracht en groeit de sociale druk om dit te accepteren. De Kerk leert inderdaad dat de wijdverspreide aanvaarding van zondig gedrag een sociale structuur van zonde, een institutionalisering van het schandaal teweegbrengt (Gaudium et Spes 25).”

Argument vanuit de vermeende tegenstelling tussen pastoraal en kerkelijk recht (D/2)
“Vaak wordt een pastorale benadering gezien als zijnde tegengesteld aan een kerkrechterlijke benadering. Dit is een valse tegenstelling. Benedictus XVI spoorde seminaristen ertoe aan (Brief aan de seminaristen, 18 oktober 2010) “het kerkrecht te begrijpen en – ja, zelfs – er van te houden, te waarderen hoe noodzakelijk het is en de praktische toepassingen ervan op waarde te schatten: een maatschappij zonder wetten zou een maatschappij zonder rechten zijn. De wet is de voorwaarde voor de liefde.” Een kerkrechterlijke benadering is wezenlijk pastoraal omdat het de voorwaarden omschrijft die waarlijk noodzakelijk zijn om de harten te veranderen. Waar dit niet gebeurt is er een misvatting omtrent het kerkelijk recht. Helaas leidt, wat men vaak noemt, een pastorale benadering tot willekeur en dus tot onrechtvaardige beslissingen.”

Elementen van een positief voorstel voor de aanstaande Synode (E)
Hier worden de volgende elementen opgesomd:
1/een vernieuwing en verdieping van het begrip en de praktijk van de deugd van de kuisheid.
2/opnieuw uitdrukken hoe de liefde en barmhartigheid van God de mens omvormt; een omvorming die niet ophoudt bij het vergeven van verleden zonden maar de mens van binnenuit omvormt zodanig dat hij of zij  vrij van ondeugd en zonde kan leven.
3/op welke manier vorm geven aan Familiaris Consortio 84: “Zij dienen daarenboven aangespoord te worden naar het Woord Gods te luisteren, het misoffer bij te wonen, te volharden in het gebed, de werken van naastenliefde en alle initiatieven van de gemeenschap ten bate van de rechtvaardigheid te begunstigen, de kinderen op te voeden in het christelijk geloof, zich toe te leggen op de geest en op de werken van boetvaardigheid om zo van dag tot dag de genade van God af te smeken. De Kerk moet voor hen bidden, hen aanmoedigen, zich een barmhartige moeder tonen en hen zo steunen in het geloof en de hoop."
4/Versterking van de huwelijksvoorbereiding
5/Versterking van de huwelijkstribunalen, adequate vorming van de rechters
6/Opnieuw tot uitdrukking brengen waarom de leer van de Kerk omtrent huwelijk en seksualiteit niets te maken heeft met vooroordelen, de veroordeling van personen etc. maar met de bevordering van wat echt goed is voor de persoon.

maandag, juni 23, 2014

Het graf van kardinaal Alfredo Ottaviani (1890-1979)

In het Vaticaan is er een klein kerkje waar zich in een zijkapel het graf van kardinaal Alfredo Ottaviani bevindt. Hier zijn een aantal foto's.









En uit de oude doos!




woensdag, juni 04, 2014

Heiligverklaringen en onfeilbaarheid: Sint-Thomas van Aquino

De recente canonisaties van Johannes Paulus II en Johannes XXIII kunnen ons doen nadenken over de relatie tussen canonisatie en onfeilbaarheid. Te meer daar tot de 81 pausen die momenteel heiligverklaard zijn behoren alle 35 eerste pausen (dus van Petrus tot St. Julius I (337-352) en 52 van de 54 eerste pausen (dus tot en met St. Felix IV (526-530) behalve Liberius (352-366) en Anastasius II (496-498). Deze werden allen door algemene acclamatie heiligverklaard.
Daarna volgen nog 17 heilige pausen tot aan de eerste canonisatie door de paus zelf.

Canonisaties door de Paus komen voor sinds het einde van de 10e eeuw. De eerste Paus die deed was Johannes XV (985-996) die op een Romeinse synode in 993 Ulrich, bisschop van Augsburg, canoniseerde. Voorheen was dit een bevoegdheid van de plaatselijke bisschop. Het was Paus Alexander II (1159-1181) die in een schrijven tussen 1171 en 1180 het alleenrecht tot canonisatie voor de pauselijke Stoel reserveerde. In 1234 wordt dit schrijven in de Decretalen van Gregorius IX opgenomen en zo formeel voor de pauselijke Stoel gereserveerd.
Sinds 1234 waren er tot voor kort slechts 3 heilige pausen (Celestinus V (1294), Pius V (1566-1572) en Pius X (1903-1914) en tot aan het jaar 2000 slechts 5 zalige pausen (Gregorius X (1271-1276), Innocentius V (1276), Benedictus XI (1303-1304), Urbanus V (1362-1370), Innocentius XI (1676-1689). Bovendien werd Benedictus XI pas zaligverklaard in 1773, Urbanus V pas in 1870, Innocentius XI pas in 1956, Innocentius V pas in 1898 en Gregorius X in 1713.

Sinds 2000 groeit de lijst snel aan. De zaligverklaring van Pius IX (1846-1878) en Johannes XXIII (1958-1963) in 2000, de zaligverklaring van Johannes Paulus II (1978-2005) in 2011, gevolgd door de canonisatie van Johannes XXIII en Johannes Paulus II op 27 april 2014.
Tevens is de zaligverklaring van Paulus VI (1963-1978) aangekondigd voor october 2014 en loopt de zaligverklaring van Pius XII (1939-1958) en Johannes Paulus I (1978).

Kortom, onder de laatste 10 pausen zijn er nu 3 heilige pausen (Pius X, Johannes XXIII en Johannes Paulus II), 1 zalige (Pius IX) en binnenkort een tweede (Paulus VI)  waarbij in afzienbare tijd misschien nog 2 bijkomen (Johannes Paulus I en Pius XII).  Enkel voor Leo XIII, Benedictus XV en Pius XI loopt er momenteel geen proces.

De relatie tussen canonisatie en onfeilbaarheid wordt reeds besproken vanaf de publicatie van de Decretalen van Gregoius IX in 1234. Er ontwikkelingen zich verschillende stellingen.
Stelling 1/Omstreeks deze tijd begint dus de discussie over de vraag of een canonisatie door de Paus een onfeilbare handeling is. De eerste canonisten zijn van mening dat de Paus in een canonisatie niet onfeilbaar is. Een vergissing is weliswaar onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk. Desondanks dienen canoniseerde heiligen vereerd te worden. Zo bv. Innocentius IV: “Venerandi sunt omnes sancti canonizati…dicimus, quod etiam si Ecclesia erraret quod non est credendum: tamen preces per talem bona fide porrectas Deus acceptaret” (Super libros quinque Decretalium, l. 3, ti. 24, c. 1).

Stelling 2/Theologen zoals Johannes van Napels OP (gest. ca. 1336) verdedigen daarentegen de stelling dat er absolute zekerheid is over het oordeel van de Paus in canonisatie. Zo bv. in zijn Quodlibetale kwestie 2 waar hij begint met een onderscheid te maken tussen “particuliere aangelegenheid van particuliere mensen” zoals beneficies, promoties etc. en zaken die behoren “ad statum universalem totius Ecclesiae vel quantum ad fidem”. Zaken die behoren tot het geloof zijn “articulos et Ecclesiae sacramenta et omnia alia contenta in sacra Scriptura, sive quantum ad bonos mores”. In de eerste zaken kan de Paus dwalen maar in de tweede soort van zaken “credendum est, papam errare non posse, quia christus oravit pro Ecclesia, Luc 22 Ego pro te rogavi, Petr, ut non deficiat fides tuo … et dicere quod in huiusmodi Papa errare possit, esset haereticum.” Johannes van Napels verwijst naar de Quodlibetale kwestie van zijn confrater Thomas van Aquino. Deze stelling werd ook verdedigd door paus Benedictus XIV (1675-1758) en in recentere tijden door Johannes Vincentius de Groot OP (1848-1922), Adolphus Tanquerey sj (1854-1932) en Franz Diekamp (1864-1943).

Stelling 3/In het verdere verloop verliest de stelling van de eerste canonisten aan gewicht. Maar het is niet zo dat de tweede stelling van o.a. Johannes van Napels het haalt. Een derde stelling doet zijn ingang nl. dat de Paus in een canonisatie niet kan dwalen is weliswaar niet zeker maar een goed gefundeerde en vrome aanname. Voorstanders van deze stelling zijn o. a. Cajetanus, Franciscus de Vitoria, Dominicus de Soto, Melchior Cano, Dominicus Banez, Ioannes a Sancto Thomas en Philippus a SS. Trinitate, dus met name Dominicanen.

Stelling 4/Een vierde stelling ontwikkelt zich, nl. dat de Paus onfeilbaar is en dat dit de fide zeker is en dat de status van een gecanoniseerde onder het goddelijk geloof valt. Deze stelling wordt vooral door Jezuïeten, Carmelieten en Franciscanen verdedigd maar ietwat uitzonderlijk ook door Franciscus Marin-Sola OP (1873-1932).

Stelling 5/Verzet tegen deze stelling, nl. dat de inhoud van een canonisatie onder goddelijk geloof valt en dus geopenbaard is, kwam er met de volgende stelling, nl. de onfeilbaarheid is niet de fide zeker maar theologice certa en de inhoud van de canonisatie behoort tot het kerkelijk geloof). Deze stelling maakt opgang in de 17e en 18e eeuw en werd in meer recente tijden ook door Christian Pesch sj (1853-1925) verdedigd.

Stelling 6/Een laatste stelling, vooral in de 19e eeuw opgang gemaakt, probeert stelling 4 en 5 te combineren en zegt dat de Paus weliswaar onfeilbaar is en dat dit de fide is maar de inhoud van een canonisatie behoort niet formeel tot een geopenbaarde waarheid. Verdedigers van deze stelling waren Johann Baptist Franzelin sj, Matthias Scheeben en Louis Billot sj.
In al deze discussies beroept men zich op een lectuur van een Quodlibetale kwestie van Thomas van Aquino welke men leest in de context van de eigen vraagstellingen omtrent openbaring en onfeilbaarheid. Maar dat is weer een heel ander verhaal.
Alleszins volgt hier de eerste Nederlandse vertaling van deze tekst van Sint-Thomas.


Quodlibet IX, q. 8: Zijn alle heiligen die door de Kerk heiligverklaard zijn in de heerlijkheid of zijn er sommigen onder hen in de hel?
Het lijkt dat sommigen die door de Kerk zijn heiligverklaard in de hel kunnen zijn.
Arg. 1. Immers, niemand kan zeker zijn van de staat van iemand anders, net zo min als van zichzelf “want wat betreft de mens kent niemand deze tenzij de geest van de mens die in hem is” zoals gezegd wordt in 1 Kor. 2, 11. Maar een mens kan niet zeker zijn van zichzelf of hij in staat van heil is: “De mens weet niet of hij waardig is voor haat of liefde” (Pred. 9, 1). Des te minder dus weet de Paus dit. Hij kan dus dwalen bij het heiligverklaren.
Arg. 2. Iedereen die steunt op een feilbaar middel bij het oordelen kan dwalen. Maar bij de heiligverklaring steunt de Kerk op de getuigenis van mensen wanneer zij door middel van getuigen onderzoek verricht naar het leven en de wonderen. Aangezien dus het getuigenis van mensen feilbaar is, lijkt het dat de Kerk kan dwalen bij het heiligverklaren.

Daarentegen. 1. Er kan geen veroordelenswaardige dwaling bestaan in de Kerk. Maar het zou een veroordelenswaardige dwaling zijn indien men iemand als een heilige zou vereren die een zondaar was. Immers, sommigen zouden, bij de kennis van diens zonden geloven dat deze verering als heilige vals is en indien dit zou gebeuren, dan zouden ze tot een dwaling kunnen gebracht worden. De Kerk kan hieromtrent dus niet dwalen.
2. In een brief aan Hieronymus zegt Augustinus dat, indien men toegeeft dat er in de canonieke Schrift een leugen aanwezig is, ons geloof, dat afhankelijk is van de canonieke Schrift, op het spel komt te staan. Maar zoals wij gehouden zijn te geloven wat in de heilige Schrift staat, zo ook zijn wij gehouden te geloven wat in het algemeen bepaald is door de Kerk. Vandaar dat iemand die een stelling verdedigt die tegen de bepaling van de Concilies ingaat beoordeeld wordt als ketter. Het algemene oordeel van de Kerk kan dus niet in dwaling zijn. Zodoende is de conclusie dezelfde als voorheen.

Antwoord
Iets kan beoordeeld worden als mogelijk wanneer het op zichzelf beschouwd wordt en, wanneer in relatie wordt gebracht met iets extrinsiek, dan wordt gevonden dat het onmogelijk is. Ik zeg dus dat het mogelijk is dat het oordeel van hen die aan het hoofd staan van de Kerk kan dwalen omtrent eender wat indien men enkel de personen die aan het hoofd staan, beschouwt. Echter, indien men de goddelijke voorzienigheid, die zijn Kerk door zijn heilige Geest leidt opdat ze niet zou dwalen, zoals beloofd in Joh. 16, 31: “De Geest die komen gaat zal alle waarheid leren” omtrent wat noodzakelijk is voor het heil in ogenschouw neemt, dan is het zeker dat het onmogelijk is dat het oordeel van de universele Kerk dwaalt omtrent wat behoort tot het geloof. Vandaar moet men zich meer houden aan de uitspraak van de Paus, aan wie het toekomt het geloof te bepalen, dan aan de mening van alle experten inzake de Schrift. Immers, in Joh. 11, 51 lezen we dat Kajafas, alhoewel waardeloos [als persoon], toch profeteerde zonder het te weten omdat hij [dat jaar] hogepriester was.
In andere uitspraken, echter, omtrent particuliere zaken zoals bezittingen, misdrijven en dergelijke is het mogelijk dat het oordeel van de Kerk dwaalt vanwege valse getuigen. De canonisatie houdt het midden tussen deze twee. Echter, omdat de eer die wij bewijzen aan de heiligen in zekere zin een geloofsbelijdenis is, waarin wij geloven in de heerlijkheid van de heiligen, dient men met devotie te geloven dat het oordeel van de Kerk hieromtrent niet kan dwalen.

Ad 1. De Paus, aan wie het toekomt heiligen te canoniseren, kan verzekerd zijn van de staat van iemand door middel van een onderzoek naar diens leven en de bevestiging van wonderen en vooral door de inspiratie van de Heilige Geest "die alles doorgrondt, zelfs de verborgenheden Gods" (1 Kor. 2, 10)
Ad 2. De goddelijke voorzienigheid vrijwaart de Kerk opdat Zij zich niet vergist in dergelijke zaken door middel van het feilbare getuigenis van mensen.

woensdag, mei 14, 2014

Rahner, Ottaviani en St. Thomas

In "Julius Kardinal Döpfner : Konzilstagebücher, Briefe und Notizen zum Zweiten Vatikanischen Konzil", hrsg. G. Treffler, Schnell und Steiner, München, 2006 (Schriften des Archivs des Erzbistums München und Freising 9) vinden we volgende interessante documenten. Ter info, Kardinaal Julius Döpfner (1913-1976) was eerst bisschop van Würzburg en dan van Berlijn tot hij in 1958 kardinaal werd en in 1961 aartsbisschop van München und Freising. Tijdens Vaticanum II was hij, samen met de kardinalen Agagiagian, Lercaro, Suenens, moderator van het Concilie.

Het eerste document is een notitie uit 1961 waarin kardinaal Döpfner bericht dat hij Paus Johannes XXIII gevraagd heeft Karl Rahner als lid van de theologische commissie te benoemen. Hierop vraagt de paus of Rahner "eigensinnig sei oder ob er sich einordnen könne". Verder vertelt de notitie dat kardinaal Ottaviani argwanend is wegens de vragen die er op dat moment bij het H. Officie omtrent Rahner liggen.
Een tweede document is een brief van Karl Rahner aan kardinaal Döpfner uit 1962. Hierin beklaagt Rahner zich over een schema over St. Thomas in bewoordingen die typisch zijn voor Rahner's houding t.a.v. Thomas en tegelijkertijd de opstellers ervan beschouwt als een "reactionaire clicque".

woensdag, mei 07, 2014

Heilig zonder wonder?

Sinds Innocentius IV (1243-1254) geldt dat voor een heiligverklaring een wonder vereist is. Het wonder dient als bevestiging vanuit de hemel van de heiligheid van de persoon. In het monumentale werk van Prospero Lambertini (Paus Benedictus XIV 1740-1748) citeert hij Thomas van Aquino die schrijft dat doorheen een wonder God werkt voor het voordeel van de mens en dit op twee manieren: ter bevestiging van een verkondigde waarheid en ter bewijsvoering van de heiligheid van een mens die God verlangt aan de mensen als voorbeeld aan te bevelen (ST II-II, 178, 2).

Daarnaast spreekt paus Lambertini over de mogelijkheid van een “equivalente canonisatie”. Hiervoor zijn drie voorwaarden noodzakelijk: een oude traditie van verering, de constante en algemene bevestiging door geloofwaardige historici van de deugden of het martelaarschap en de ononderbroken faam van wonderen. Indien deze voorwaarden vervuld zijn dan kan de paus de verering van een nieuwe heilige voor de hele Kerk toestaan zonder voorafgaand proces en dus zonder vaststelling van een wonder en zonder een definitieve formele uitspraak.
Paus Lambertini geeft twaalf voorbeelden van zulke equivalente canonisatie voor zijn eigen pontificaat: Romualdus (canonisatie in 1595), Norbertus (1621), Bruno (1623), Peter Nolasco (1655), Raymond Nonnatus (1681), Stephanus van Hongarije (1686), Margareta van Schotland (1691), Johannes van Matha en Felix van Valois (1694), Gregorius VII (1728), Wenceslaus van Bohemia (1729), Gertrudis van Helfta (1738).

In de periode nadien zijn er de volgende gevallen: Petrus Damianus en de martelaar Bonifatius (canonisatie in 1828); Cyrillus en Methodius (1880); Cyrillus van Alexandria, Cyrillus van Jerusalem, Justinus de Martelaar en Augustinus van Canterbury (1882); Johannes Damascenus en abt Sylvester (1890); Beda Venerabilis (1899); Ephrem de Syriër (1920); Albertus Magnus (1931); Margareta van Hongarije (1943); Gregorius Barbarigo (1960); John of Avila and Nicola Taveli en drie gezellen martelaren (1970); Marko Krizin, István Pongrácz en Melchior Grodziecki (1995) en tot slot Hildegard van Bingen (2010). (Bron)

In deze laatste reeks valt op dat Leo XIII (1878-1903) er twintig jaar voor nodig heeft voor elf gevallen, Pius X (1903-1914) dit niet toepast, Benedictus XV (1914-1922) slechts éénmaal, Pius XI (1922-1939) ook slechts éénmaal, Pius XII (1939-1958) ook slechts eenmaal, Johannes XXIII (1958-1963) ook slechts eenmaal, Paulus VI  ook slechts eenmaal, Johannes Paulus I dit niet toepast en dat zelfs in het lange pontificaat van Johannes Paulus II (1978-2005) dit slechts éénmaal gebeurt en dat dit laatste ook geldt voor Benedictus XVI (2005-2013). Bovendien gaat het in nagenoeg de meeste gevallen over heiligen uit het eerste millennium of de middeleeuwen.

Grondig anders is het bij paus Franciscus. De lijst van equivalente canonisaties is op nauwelijks méér dan 1 jaar pontificaat als volgt: Angela da Foligno (1248-1309, canonisatie 9 oktober 2013), Petrus Faber SJ (1506-1546, canonisatie 17 december 2013), . José de Anchieta SJ (1534-1597, canonisatie 3 april 2014), Maria van de Incarnatie (geboren Marie Guyart, 1599-1672, canonisatie 3 april 2014 ), bischop François de Montmorency-Laval (1623-1708, canonisatie 3 april 2014) en tot slot paus Johannes XIII (1881-1963, canonisatie 27 april 2014). Kortom, op iets meer dan 1 jaar pontificaat zijn er zes nieuwe heiligen zonder dat er sprake is van een wonder.

De paus geldt als opperste wetgever en de voorwaarden voor een canonisatie vallen niet onder de goddelijke wet en kunnen dus door de opperste wetgever veranderd of afgeschaft worden. Niettemin, in een leerstellige nota uit 1989, ondertekend door de toenmalige prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, kardinaal Ratzinger worden heiligverklaringen beschouwd als waarheden waarvan gezegd wordt: “Iedere gelovige echter moet vast en definitief instemmen met deze waarheden steunend op het geloof in de bijstand die de heilige Geest schenkt aan het leergezag van de Kerk en op de katholieke leer omtrent de onfeilbaarheid van het leergezag in deze zaken.” Een heiligverklaring dient “definitief gehouden te worden”. Op dezelfde lijn plaatst de nota waarheden als wat de Kerk zegt over euthanasie, prostitutie, ontucht, de legitimiteit van een pauskeuze, de ongeldigheid van de Anglicaanse wijdingen, etc.


Het gebruik van paus Franciscus is dus een ernstige aangelegenheid. Volgende bemerkingen kunnen gemaakt worden.
-Indien de Kerk verder aan de voorwaarde van een wonder wil vasthouden maar bij sommigen een uitzondering maakt dan valt een negatief licht op deze heiligen door equivalente canonisatie want de geschiedschrijving zal steeds de uitzondering van de algemene regel vermelden.
-Wanneer totnogtoe in nagenoeg alle gevallen een wonder als bevestiging vanuit de hemel gold, dan kan een uitblijven van een wonder als een uitblijven van deze bevestiging beschouwd worden.
-Niet in alle gevallen lijken de voorwaarden voor een equivalente canonisatie (een oude traditie van verering, de constante en algemene bevestiging door geloofwaardige historici van de deugden of het martelaarschap en de ononderbroken faam van wonderen) vervuld.
-Centraal in het katholieke geloof staat het vertrouwen in de kracht van de voorspraak van de heiligen. Het geloof in wonderen is bij de individuele christen een individuele en private aangelegenheid en berust op subjectieve zekerheid. Maar, zoals Leo Scheffczyk schrijft: Op de duur kan zulk een privaat geloof aan het wonder, afgeroepen op voorspraak van de heiligen, niet houdbaar zijn indien het niet door objectieve bewijzen ondersteund wordt, d.w.z. door een kerkelijke bevestiging. (Wunder und Heiligsprechung, MThZ 32 (1981), p. 296)
-Riskeert deze praktijk, wanneer excessief toegepast, niet twee klassen van canonisaties en dus twee klassen van heiligen te bewerkstellingen, nl. zij waarvan de Kerk een wonder op voorspraak erkend heeft en zij waarvan er geen bevestiging van de heiligheid en de kracht van de voorspraak gekomen is?
-Wordt aan paus Johannes XXIII en aan het Concilie dat hij opende wel de terechte eer gebracht wanneer de mogelijkheid blijft bestaan te wijzen op de uitzondering, d.w.z. op het uitblijven van de bevestiging vanuit de hemel voor diens heiligheid door middel van een wonder?
-Hoe onderscheidt men tussen een legitieme uitzondering en een niet-legitieme willekeur?