maandag, augustus 13, 2018

Waarom méér integralisme?


Integralisme is een moeilijk te definiëren begrip maar in het algemeen kan men zeggen dat het integralisme een wijze van denken is die elk gebied van het leven wil vormen geven vanuit en door het katholieke geloof. Het is niet anders dan een toepassing van de betekenis van het woord ‘katholiek’, nl. algemeen of universeel of integraal, op elk gebied van de werkelijkheid. Als zodanig is elke katholiek ipso facto een integralist of zou dat moeten zijn. Vaticanum II schrijft hierover in AA 13: “Het apostolaat in het sociale milieu, d.w.z. het streven om de mentaliteit en de zeden, de wetten en de structuren van de gemeenschap, waarin men leeft, te doordringen van een christelijk geest, is bij uitstek de taak en de plicht van de leken, die anderen nooit naar behoren kunnen vervullen.”

In zoverre het seculiere liberalisme precies werkt met de scheiding van kerk en staat, politiek en ethiek, economie en ethiek, publiek en privé, etc. is het integralisme per definitie anti-modern.
Maar is het mogelijk het integralisme nader te bepalen. Hiervoor kunnen we te raden gaan bij het essay “Mentalité de droite et Intégrisme en France” van Yves Congar, verschenen als appendix III in zijn Vraie et fausse réforme de l’Église uit 1950 (pp. 604-622). Nota bene dat in de tweede druk van dit werk in 1968 deze appendix werd weggelaten, niet, zoals de auteur schrijft, bij wijze van retractatie maar omdat hij wil bijdragen aan de sereniteit van het debat.

Allereerst schrijft hij dat het integralisme niet allereerst een “doctrinele positie” is maar een “mentaliteit” en een “attitude” (605) die erin bestaat “s’opposer au monde moderne, à la révolution, à la république”. Dit leidt ertoe dat men “fatalement” gericht is op “les choses d’avant et, en tou cas, qu’on eût une solidarité d’esprit et d’action avec le passé » (611). Dit maakt dat integralisten steeds tot de rechterzijde van het politieke spectrum behoren.
Hier zou men reeds Congar kunnen antwoorden dat in 2018, veeleer dan de aantrekkelijkheid van de nostalgie naar het verleden bloot te leggen door middel van de ironie zoals de postmodernisten toen, nostalgie een positieve kracht is dat een historisch-bewuste katholieke cultuur schept die minder in staat is ten prooi te vallen aan ideologische manipulatie; een kracht die verloren gewaande waarheden opnieuw geloofwaardigheid kan geven.
Deze attitude vertaalt zich volgens Congar op het religieuze plan in de primauteit van de orde, d.w.z. de orde zoals deze “van buiten komt”, “van omhoog”, door middel van “gezag” en “voorschriften”. (613) Dit omdat men een wantrouwen heeft in wat vanuit de mens komt en dus ook in nieuwe vragen of initiatieven. Ook hier zou men kunnen vragen of het toch niet gerechtvaardigd is, in het licht van de politieke en culturele werkelijkheid, dit wantrouwen te bezitten?

Vervolgens geeft Congar acht kenmerken van het integralisme (zonder argumentatie.
1/Insisteren op de corruptie van de natuur, op de erfzonde. Inderdaad, de jonge Ratzinger merkte op dat passages in Gaudium et Spes neigen naar een pelagianistisch optimisme.
2/Besturen door middel van gezag. Inderdaad, als zondig schepsel en zondige gelovige kan geen enkele katholiek zichzelf besturen.
3/A priori verwerpen van de notie van evolutie; wantrouwen t.a.v. ontwikkeling; allergisch wanneer iemand redeneert op basis van “leven” of “ervaring”. Inderdaad, het gaat erom dat wij God dienen en niet dat wij onze ideeën over God ten dienste stellen van onze ervaringen.
4/Een afgrijzen voor een “plan incliné dans l’accès du christianisme”. Inderdaad, er is geen geleidelijkheid van de wet.
5/Nadruk op de objectieve kant van het geloof (fides quae creditur) ten nadele van subjectieve kant van het geloof (fides qua creditur). Een halve eeuw catechese toont waar de nadruk op de subjectieve kant van het geloof toe leidt.
6/Nadruk op de rede, bewijsvoering en weinig op ervaring, geweten. Gehecht-zijn aan de scholastiek maar enkel op St. Thomas. St. Thomas heeft alles gezegd (ayant tout dit). Opnieuw, een blik op de recente geschiedenis leert wat de gevolgen zijn van een al te grote nadruk op ervaring en geweten. En het beeld van St. Thomas dat hij schetst is karikaturaal; zelfs een Garrigou-Lagrange had oog voor ontwikkeling van St. Thomas’ denken.
7/Maximalisatie van de “paroles venue de Rome » ; zoekenden wordt snel het label ‘heretisch’ opgespeld. Het is heel makkelijk een dozijn theologen op te noemen, enkel in de Lage Landen die zich decennia lang niet geïnteresseerd hebben aan Rome en voor wie “heretisch” niet de minste van hun bekommernissen is.
8/De Kerk wordt wel gezien als een “mystère de gràçe” maar enkel op het persoonlijke niveau en de ecclesiologie wordt op autoritaire wijze uitgelegd. Zie punt 2.

Op basis van deze punten zou men het integralisme kunnen definiëren als volgt:
Het integralisme is een denkvorm die het “katholische und” consequent toepast in alle domeinen van de werkelijkheid. Door de blik te richten op het verleden is het integralisme in staat een historisch-bewuste katholieke cultuur te ontdekken waardoor de integralist minder in staat is ten prooi te vallen aan ideologische manipulatie en méér in staat verloren gewaande waarheden opnieuw geloofwaardigheid te geven.
Dit historisch bewustzijn levert de integralist een realistische kijk op de menselijke natuur en diens noodzaak tot geleid-worden en gecorrigeerd-worden. De integralist denkt theocentrisch en bemerkt de sporen van de goddelijke logos in de Openbaring en het menselijke verstand. Aangezien het doel helder geopenbaard is als ook het middel (de Kerk) tot het bereiken van dit doel, is er ook ruimte voor een goddelijke providentiële pedagogie waartoe ook de leer van St. Thomas behoort.

Kortom, méér integralisme graag!

donderdag, augustus 09, 2018

Prophetic words


“... the Catholic Church not only has not changed, but is not able to change. In proclaiming the Catholic Church immutable, the human word repeats for it the promise made to it by the word of God. This word immutable engages the future.” (Ernest Hello (1828-1885), L'Homme (Paris: Perrin et Cie, 1897, original 1872), 269.