maandag, september 11, 2017

De volkstaal: onomkeerbaar?

Peter Kwasniewski heeft een aantal interessante gedachten over de ironie van de volkstaal:

"Being in Europe convinced me past all doubt that the switch after the Council to an exclusive use of the vernacular for the Mass was the most foolish and nearsighted change that could have been made. Instead of making the Mass more deeply accessible, it localizes, particularizes, and relativizes it, shutting off everyone who does not speak the local tongue; traveling or immigrant Catholics are thrust into a foreign environment that alienates them far more than the solemn Latin liturgy ever alienated the simplest peasant."

" On my sole visit to Lourdes, I attended a Mass in which the languages were being shifted constantly to accommodate the international congregation, an elaborate show of linguistic gymnastics that I found highly distracting, and it was almost impossible for me to pray. The already overly verbal and self-involved character of the new liturgy was heightened all the more by this preoccupation with proportional coverage of language groups."

" Moreover, as Jacques Maritain says in Peasant of the Garonne, the believer who, by simply kneeling at Mass and letting his mind be drawn to heavenly things, is caught up in silent worship of God, does not need words, missals, long readings and sermons; it is enough for him to be there. As the peasant  in the parish of the Curé of Ars put it: “He looks at me and I look at Him.” When the liturgy breaks this immediate spiritual contact in favor of verbal didacticism, it does a disservice to the spiritual lives of believers."

"We are living in the age of travel, the age of the “global village.” At least in the Western world, almost everyone travels at some point or another; there has never been a time in the entire history of the world when so large a number of people take trips within their country as well as to foreign countries. How foolish it was to break down the universal mode of worship just when it has become more needed than ever!"

woensdag, september 06, 2017

Een kind van zijn tijd


Het Katholiek Archief, jaargang 23, nr. 38 van 20 september 1968, kol. 932-939 bevat het antwoord van de Nederlandse bisschoppen aan A. Bugnini c.m. over de gevolgen van de hervorming van de liturgie, gedateerd juni 1968. Dit is een antwoord op een schrijven met zes vragen van dezelfde Bugnini van 15 juni 1967. Het antwoord van de Nederlandse bisschoppen werd “opgesteld door de Nederlandse Commissie voor Liturgie op verzoek van de Nederlandse bisschoppen” (933).

Wat blijkt uit dit document, bijna vijftig jaar later, is hoe beneveld men was door de tijdsgeest en hoe laconiek men met het verleden omging. Maar ook hoezeer men geloofde in de kracht van verandering en hoe neerbuigend men stond tegenover critici. Tot slot ook dat wat door sommigen vaak ‘uitwassen’ van de liturgiehervorming worden genoemd actief ondersteund en nagestreefd werden door gezagsdragers. Men zou kunnen concluderen dat deze ‘uitwassen’ gewild waren!

Op de eerste vraag of de liturgiehervorming pastoraal voordelen of ongemakken heeft opgeleverd is er sprake van “meer belangstelling voor de geloofsbeleving”. Vreemd is dat er niet gezegd wordt dat dit blijkt uit een toename van deelname aan de liturgie maar “uit de groei van de aantallen en de oplages van boeken over geloof en geloofsinhoud; niet in de laatste plaats aan de zeer grote belangstelling voor ‘De nieuwe katechismus’.
Tevens is er sprake dat de liturgiehervorming “samen gaat met of voert tot een zeker verdwijnen van devotionalisme en een grotere gerichtheid op de bijbelse boodschap”. “Het verdwijnen van het aan onze cultuur vreemde en daardoor ‘klerikale’ karakter van de liturgie bevordert de wisselwerking tussen de voorganger en de gemeente en – dus – het gemeentebesef: het gevoel van verantwoordelijkheid en saamhorigheid”.
Wat de nadelen betreft is er de afwezigheid van een “echte vernieuwing van de eredienst” en een “te grote centralisatie”. Dit betekent dat er, “naast het gebruik van de vertalingen van de Preces Eucharisticae I-IV het gebruik van een aantal oorspronkelijke nederlandse canones gelegaliseerd” dient te worden. Immers, “zolang dit niet gebeurt, is het heel moeilijk het ontstaan en gebruik van teksten tegen te gaan die zich aan iedere controle onttrekken”. Opmerkelijk dat voor vernieuwing gepleit wordt vanuit een negatieve motivatie!
Dan volgt in kol. 936 onderstaande tekst. Bemerk hoe laconiek men de problemen onder tafel schuift: het zijn enkel "kleine groeperingen" en het is kwestie van “aanpassen en ze ebben weg”.

De tweede vraag betreft het aantal gelovigen. Hier lezen we dat “het aantal gelovigen in de liturgische vieringen” afneemt maar dat “het aantal dat werkelijk aan de viering deelneemt zeker toeneemt”. Een reden die wordt aangegeven is “de intensiteit van de deelneming aan de liturgische viering is minder frequent te realiseren dan het vroegere ‘bijwonen’ van de heilige mis, dat vrijwel geen andere eisen dan lichamelijke aanwezigheid stelde.” Zegt deze zin werkelijk dat de ‘nieuwe mis’ dermate intens beleefd wordt dat het zoveel energie van de gelovigen vraagt dat ze niet meer in staat zijn aan de zondagsplicht te voldoen want vroeger moest je enkel “lichamelijk aanwezig zijn”?!!
Dan volgt de samenvatting: “de liturgiehervorming als zodanig heeft het kerkbezoek niet doen verminderen ; zij heeft de kwalitatieve deelneming zeker bevorderd”.
De vierde vraag (vraag drie ging over de participatie gedurende de Goede Week) gaat over het gebruik van de volkstaal. Hier is het antwoord op de vraag of het gebruik van de volkstaal geleid heeft naar een “meer bewuste en actieve deelname” volmondig “zonder meer: ja.” Er wordt wel aan toegevoegd dat dit “voor steeds meer gelovigen duidelijk maakt dat vertalingen en bewerkingen van de gebeden uit het verre verleden niet een alleenrecht moeten hebben. Alleen zeer vrije adaptaties (motiefbewerkingen) maken nog een kans.”
Vraag vijf gaat over de zang. Men signaleert dat dit “de grootste moeilijkheid” is (938). “In de eerste plaats was er vrijwel geen liedrepertoire dat zonder meer bruikbaar was en geen weerstanden opriep. … Van rooms-katholieke zijde heeft de vorige eeuw weinig waardevols aan teksten en melodieën opgeleverd…”.
Men signaleert vele nieuwe initiatieven waarbij “steeds een volledige vrijheid gelaten is voor wat betreft de keuze van het zangrepertoire en ook hier blijkt weer, dat dan de creativiteit snel nieuwe wegen vindt.” (939)
Vraag zes vraagt hoe de gelovigen gereageerd hebben op het gebruik van de levende taal (!), op de aanpassing van de sacrale ruimte, de vereenvoudiging van de riten en van de liturgische gewaden. Het antwoord: “in het algemeen kan men zeggen dat de liturgiehervorming positief is opgevat.” Concreet: “het meer centraal plaatsen van altaar en lezenaar is overal positief opgevat … devotionalia zijn verwijderd en/of worden niet meer aangebracht…”
“Verder geldt ook hier weer: er is voor de meesten nog te weinig sprake van een echte vernieuwing … Men is op veel plaatsen uit pastorale noodzaak zowel met de vernieuwing van de gebeden als met die van de riten al eigen wegen gegaan, dikwijls met zo duidelijk gunstige resultaten, dat het niet verantwoord zou zijn hier teveel af te remmen. Het wordt steeds duidelijker, dat riten en gebeden ook nog aanpasbaar (flexibel) zullen moeten zijn naargelang van de aard, omvang, plaats van samenkomst en dergelijke van de actuele gemeente.”


vrijdag, september 01, 2017

Hoe onomkeerbaar is onomkeerbaar?

Er is heel wat te doen geweest over een toespraak van paus Franciscus over de liturgie waarin hij zegt dat "wij met zekerheid en met de autoriteit van het leergezag bevestigen dat de liturgische hervorming onomkeerbaar is." (Bron)

Een goed overzicht van de reacties op deze op zichzelf onbelangrijke en banale toespraak is hier te vinden. Onbelangrijk omdat er geheel en al niets nieuws in te vinden is en banaal omdat niemand, maar dan ook niemand, met gezond verstand en enige kennis van de geschiedenis van de liturgie kan beweren dat de vorm van de liturgie in steen gebeiteld staat. Bovendien, indien hieromtrent niets per se onveranderlijk is, dan geldt dit logischerwijze ook voor de liturgiehervorming zelf!

De toespraak is belangrijk enkel (en helaas) in deze zin dat voor wie het uitkomt deze zin gebruikt zal worden ter rechtvaardiging van de eigen ongehoorzaamheid aan Vaticanum II. Tevens is deze toespraak belangrijk vanwege de damnatio memoriae van het pontificaat van Benedictus XVI (naar analogie met de damnatio memoriae van Veritatis splendor door Amoris laetitia).

Ter illustratie van de relativiteit van de onomkeerbaarheid der dingen raad ik de lectuur aan van een toespraak van Paus Pius XII uit 1956 aan de deelnemers van het liturgische congres te Assisi. Hij brengt daarin o.a. de verordeningen van het H. Officie uit 1952 omtrent de plaats van het tabernakel ter herinnering ("De Allerheiligste Eucharistie moet bewaard worden in een onbeweeglijk tabernakel, geplaatst in het middendeel van het altaar") en houdt een vurig pleidooi voor de eenheid van altaar en tabernakel ("Het tabernakel van het altaar scheiden is het scheiden van twee dingen, die door hun oorsprong en hun aard verenigd moeten blijven."). (Bron)

Het behoeft weinig uitleg dat enkele jaren later op grote schaal en mét goedkeuring van de geëigende instanties deze eenheid verbroken werd.

vrijdag, augustus 25, 2017

Attendite a falsis prophetis

Thomas van Aquino, Sermo "Attendite a falsis prophetis": "Talis est falsus propheta, sive falsus doctor, quia idem est dubitationem movere et eam non solvere quod eam concedere."

"Zo iemand is een valse profeet of een valse leraar, omdat twijfel oproepen en deze niet oplossen hetzelfde is als er in toestemmen."

dinsdag, augustus 22, 2017

Het belang van een correcte vertaling en lectuur

De openingszin van Fides et Ratio nr. 49 leest in het originele Latijn: “Suam ipsius philosophiam non exhibet Ecclesia, neque quamlibet praelegit peculiarem philosophiam aliarum damno.” De bijbehorende voetnoot 54 leest: “Cfr Pius XII, Litt. Encycl. Humani generis (12 Augusti 1950): ASS 42 (1950), 566.”
De Nederlandse vertaling luidt: “De Kerk heeft geen eigen wijsbegeerte, noch geeft zij aan een of andere bijzondere filosofie de voorkeur boven de andere.”
De Engelse vertaling luidt: “The Church has no philosophy of her own nor does she canonize any one particular philosophy in preference to others.”
De Italiaanse vertaling luidt: “La Chiesa non propone una propria filosofia né canonizza una qualsiasi filosofia particolare a scapito di altre. »
De Franse vertaling luidt : "L'Eglise ne propose pas sa propre philosophie ni ne canonise une quelconque philosophie particulière au détriment des autres".
De Italiaanse vertaling luidt : "Die Kirche legt weder eine eigene Philosophie vor noch gibt sie irgendeiner besonderen Philosophie auf Kosten der anderen den Vorzug".
Deze vertalingen laten vermoeden dat de Franse en Engelse vertalingen gebaseerd zijn op de Italiaanse; allen spreken immers over het “canoniseren”. De Duitse en Nederlandse vertalingen zijn gelijkaardig en spreken over “voorkeur boven de andere”.

Belangrijker echter is het volgende. Nr. 49 wordt veelal gelezen als een eindpunt van het thomisme in de katholieke Kerk. De eerste zin van 49 zou immers in tegenspraak staan met de eeuwenlange steun van de Kerk aan het denken van Sint-Thomas, de Doctor Communis van de Kerk. Peter Henrici spreekt over “a certain relativising of the monopoly position of Thomism and Scholasticism”. [Peter Henrici: The One Who Went Unnamed: Maurice Blondel in the Encyclical Fides et Ratio, in: Communio 26 (1999), p. 610].

Later we echter kijken naar een meer accurate en letterlijke vertaling: “De Kerk biedt niet een eigen wijsbegeerte aan en evenmin geeft Zij aan een of andere particuliere wijsbegeerte de voorkeur tot schade van andere [wijsbegeerten]”.

Een eerste bemerking is dat deze zin vervat ligt in de context van de vraag naar de autonomie van de wijsbegeerte, de wijsbegeerte die inderdaad haar eigen principes heeft. In nr. 75 wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen een autonome wijsbegeerte “die gehoorzaamt aan haar eigen wetten en alleen de krachten van de rede gebruikt” en een “afgescheiden filosofie” die voor zichzelf een diepere kennis van de waarheid ontzegt omdat zij beweert intellectueel zelfvoorzienend te zijn.

Een tweede bemerking heeft te maken met de verwijzing in de voetnoot naar Humani Generis: AAS 42 (1950), 566. Daar lezen wij: ““Liquet etiam Ecclesiam non cuilibet systemati philosophico, brevi temporis spatio vigenti, devinciri posse : sed ea quae communi consensu a catholicis doctoribus composita per plura saecula fuere ad aliquam dogmatis intellegentiam attingendam, tam caduco fundamento procul dubio non nituntur. Nituntur enim principiis ac notionibus ex vera rerum creatarum cognitione deductis; …”.

In het Nederlands: “Ook is het duidelijk, dat de Kerk zich niet kan binden aan ieder willekeurig filosofisch systeem, dat korte tijd in zwang is; maar wat de katholieke geleerden gedurende meerdere eeuwen eenstemmig hebben opgebouwd om tot enig begrip van het dogma te komen, kan onmogelijk steunen op zo'n wankele grondslag. Het steunt immers op beginselen en begrippen, die uit een ware kennis van het geschapene zijn afgeleid…”

Hier wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen nieuwe wijzen van filosoferen en datgene wat opgebouwd is geworden doorheen de eeuwen gebaseerd op “beginselen en begrippen, die uit een ware kennis van het geschapene zijn afgeleid”.

Even later in Humani Generis wordt over deze wijsbegeerte gezegd dat zij “erkend en aanvaard is door de Kerk” en dat zij “de echte en werkelijke waarde van de menselijke kennis, de onwankelbare beginselen van de metafysica - de beginselen namelijk van "ratio sufficiens", "causaliteit" en "finaliteit" - en ten slotte de mogelijkheid om de zekere en onveranderlijke waarheid te achterhalen” verdedigt. (nr. 29: “Quae quidem philosophia in Ecclesia agnita ac recepta, et verum sincerumque cognitionis humanae valorem tuetur, et metaphysica inconcussa principia — rationis nempe sufficientis, causalitatis et finalitatis — ac demum certae et immutabilis veritatis assecutionem).

Deze filosofie kan daarom nooit verlaten worden ten gunste van een andere. Dit sluit de mogelijkheid van verrijkingen echter niet uit.

“Deze filosofie leert meerdere dingen, die noch onmiddellijk noch middellijk het geloof en de zeden raken en waarover de Kerk daarom de mensen van de wetenschap vrij laat discussiëren. Maar op andere punten, vooral waar het gaat over de bovengenoemde beginselen en hoofdstellingen, bestaat die vrijheid niet. Ook in deze essentiële kwesties mag men de filosofie een passender en rijker gewaad geven, haar door doeltreffender formulering versterken, haar ontdoen van bepaalde minder geëigende schoolse vormen, haar verstandig verrijken met bepaalde gezonde elementen, die de vooruitgang van het menselijk denken heeft gebracht. Nooit echter mag men haar vernietigen of haar besmetten met valse beginselen of haar beschouwen als een wel groots, maar verouderd monument. Want de waarheid en iedere filosofische verklaring, die men er van geeft, kunnen zo maar niet telkens veranderen, vooral niet als het gaat over de beginselen, die uit zichzelf door het menselijk verstand gekend worden, of over waarheden, die steunen op eeuwenoude wijsheid en op het feit, dat zij overeenkomen met de "openbaring" en daarin een bevestiging vinden. Al wat de menselijke geest bij een eerlijk zoeken aan waarheid kan vinden, kan onmogelijk in strijd zijn met de reeds verworven waarheid.” (nr. 30)

En dit is precies volgens Humani Generis de reden waarom de Kerk Sint-Thomas heeft uitgekozen.
“Wie dit goed voor ogen houdt, begrijpt gemakkelijk, waarom de Kerk eist, dat aan de toekomstige priesters de filosofie wordt onderwezen "volgens de methode, de leer en de beginselen van de Engelachtige Leraar". Een ervaring van meerdere eeuwen heeft haar immers geleerd, dat de methode van Thomas van Aquino heel bijzonder geschikt is zowel voor het onderwijs als voor het uitdiepen van verborgen waarheden. Zij weet ook, dat zijn leer harmonisch met de "openbaring" overeenstemt en dat zij een machtig middel is om de grondslagen van het geloof veilig te stellen en om succesvol en zonder gevaar de vruchten te plukken van een gezonde ontwikkeling .” (nr. 31)

Besluit: de zin in nr. 49 van Fides et Ratio zegt dat de Kerk niet op onkritische wijze een particuliere filosofie aanneemt en daarmee anderen uitsluit en dat door een geprivilegieerde positie toe te kennen aan de filosofie en theologie van Sint-Thomas Zij, de Kerk, niet bedoelt andere scholen te veroordelen die compatibel zijn met Sint-Thomas en diens principes.

donderdag, augustus 17, 2017

Nogmaals kardinaal Pietro Parente

"Libertas religiosa defendi potest contra Statum, qui ius non habet diiudicandi de quaestione religiosa; sed talis libertas non consistit coram Deo eiusque Ecclesia, cum Deus unicam religionem statuent, cui omnes homines adhaerere tenentur. Physice homo potest negare assensum veritati a Deo revelatae, non autem moraliter." (Bron: Acta Synodalia Sacrosancti Concilii Vaticani II, vol. III, Pars II, Typis Polyglottis Vaticanis 1974, p. 835). Zie ook hier

maandag, juli 31, 2017

Kardinaal Cajetanus: alsnog Profeet?

Als commentaar op Lucas 18,8 ("zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?”) schrijft Kardinaal Cajetanus OP (1469-1534):
Ex hoc loco timeo diminutionem Christianae fidei quam videmus, non solum inchoatam sed  valde extensam, non esse restaurandam sed potius extendendam.
Non sum tamen Propheta nequa filius Prophetae sed video viam valde frequentatam ad verificationem huius textus. Magna siquidem mundi pars Mahumetana est et parva pars Christianis relicta, tot haeresibus et schismatibus ac pravis usibus repleta est, ut exiguus vere fidelium numerus iam apparere videatur.
Vere autem fideles dico professores Christianae fidei verbis et factis.
Bron: Cajetanus, In Lucae Caput XVIII, 18: In quatuor Euangelia et acta apostolorum commentarii ...: tomus quartus (Lyon : sumptibus Iacobi [et] Petri Prost, 1639), p. 251.

Nederlandse vertaling :
Op basis van deze passage vrees ik dat de afname van het christelijke geloof waarvan wij getuige zijn – een afname die niet slechts begonnen is maar sterk uitgebreid is – niet zal hersteld worden maar zich veeleer verder zal uitbreiden.

Ik ben echter geen profeet noch de zoon van een profeet maar het lijkt dat we sterk op weg zijn naar het waar worden van deze tekst. Immers, een groot gedeelte van de wereld is Mohammedaans en het kleine gedeelte dat aan de Christenen is overgelaten is vol van zoveel ketterijen, schisma’s en misbruiken dat het aantal ware gelovigen zeer klein lijkt te zijn.

Ware gelovigen, echter, noem ik diegenen die het christelijke geloof verkondigen in zowel woorden als daden.

maandag, februari 27, 2017

A blessing in disguise

"I suppose we should be grateful to Fr Sosa for allowing us to restate the traditional doctrine of the Church..." (Source)

dinsdag, januari 17, 2017

De dubia en Sint-Thomas



In 1 Korinthiërs 11, 27-29 lezen wij: “Wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker van de Heer drinkt, bezondigt zich aan het Lichaam en Bloed des Heren. Wij moeten onszelf onderzoeken, voor we van het brood eten en uit de beker drinken. Wie eet en drinkt zonder het lichaam te onderkennen, eet en drinkt zijn eigen vonnis.”
Helaas komt deze tekst niet meer voor in het lectionarium van de Novus Ordo terwijl de Buitengewone Vorm deze tekst laat horen op Witte Donderdag en op Sacramentsdag. Een mooi voorbeeld van het principe Lex orandi, lex credendi.
In de context van Amoris Laetitia, een document dat onterecht Sint-Thomas gebruikt, is het interessant diens commentaar op deze passage van naderbij te beschouwen (Marietti editie nrs. 687-699).

Wat betekent het Lichaam en Bloed “onwaardig” ontvangen? Dit kan volgens Sint-Thomas op drie manieren gebeuren.
1/Wanneer de viering van dit Sacrament op een andere wijze gebeurt dan “de wijze die Christus ons overgeleverd heeft” bv. wanneer een andere materie dan brood en wijn gebruikt wordt (nr. 688).
2/Wanneer iemand tot het Sacrament nadert met een afwezigheid van devotie (indevotio), bv. wanneer iemands geest afgeleid is door wereldse zaken maar toch de gepaste eerbied voor het Sacrament behoudt. In zulk geval wordt de vrucht van dit Sacrament weliswaar verhinderd maar is er toch geen ‘bezondiging’ waarover Paulus spreekt. Een afwezigheid van devotie kan wél een doodzonde zijn wanneer het een misprijzen (cum contemptu) voor het Sacrament inhoudt (nr. 689).

3/Een derde manier bestaat erin het Sacrament te naderen “met de wil doodzonde te begaan” (cum voluntate peccandi mortaliter). 
“Immers, Levititus 21,23 zegt: “Hij zal het altaar niet naderen die een smet heeft”. Iemand bezit de smet van de zonde zolang hij in de wil om te zondigen verblijft, welke echter wordt weggenomen door berouw. Door berouw, enerzijds, welke de wil om te zondigen wegneemt met de intentie te belijden en voldoening te schenken wat betreft de kwijtschelding van de schuld en de eeuwige straf en door de belijdenis en de voldoening anderzijds wat betreft de totale kwijtschelding van de straf en de verzoening met de leden van de Kerk. Bijgevolg, in geval van noodzaak, wanneer men bv. niet de mogelijkheid heeft zijn zonden te belijden, volstaat het berouw om het sacrament te ontvangen. In de regel echter dient de belijdenis vooraf te gaan, begeleid door één of andere voldoening.” (nr. 690)
Sint-Thomas werpt een objectie op die vandaag de dag ook gehoord wordt. 
“Maar het schijnt dat zondaars dit Sacrament niet op onwaardige wijze naderen”. Immers, in dit Sacrament wordt Christus ontvangen en Hij is de geestelijke geneesheer die over zichzelf zegt in Mt. 9,12: ““Niet de gezonden hebben een dokter nodig, maar de zieken.” Maar men dient te zeggen dat dit Sacrament geestelijk voedsel is zoals het Doopsel een geestelijke geboorte is. Men wordt echter geboren  om te leven maar men wordt niet gevoed tenzij men reeds leeft. Dit Sacrament is daarom niet gepast voor zondaars die nog niet levend zijn door de genade terwijl nochtans het Doopsel wel voor hen geschikt is. Bovendien is de Eucharistie het sacrament van de liefde en van de eenheid van de Kerk zoals Sint-Augustinus zegt [in zijn preken] over het Johannesevangelie. Indien dus de zondaar, die het ontbreekt aan liefde en verdient (merito) gescheiden te zijn van de eenheid van de Kerk, dit Sacrament nadert begaat hij een onwaarheid door te laten geloven dat hij de liefde bezit terwijl dit niet het geval is. Omdat echter de zondaar soms het geloof in dit Sacrament bezit, is het toegestaan dat hij naar dit Sacrament kijkt, iets wat absoluut niet toegestaan wordt aan ongelovigen, zoals Dionysius zegt in het derde hoofdstuk van diens Kerkelijke Hiërarchie. (nr. 691).”

Wat betekent voor Sint-Thomas “zich bezondigen aan het Lichaam en Bloed des Heren”?

“Ten tweede dienen we te beschouwen hoe iemand die dit Sacrament onwaardig ontvangt zich bezondigt aan het Lichaam en Bloed des Heren. Dit wordt in een glossa [een veelgebruikte middeleeuwse bijbelcommentaar] op drie manieren uitgelegd.
1/Ten eerste [bezondigt iemand zich] op materiële wijze: hij wordt schuldig door een zonde begaan tegen het Lichaam en Bloed des Heren, zoals deze vervat liggen in dit Sacrament dat hij op onwaardige wijze ontvangt en hierdoor wordt zijn schuld vergroot. Iemands schuld is groter naarmate de persoon tegen wie men zondigt groter is: “Moet dan hij die de Zoon van God veracht, die het bloed van het verbond waardoor hij geheiligd is profaneert, … moet zo iemand niet veel strenger gestraft worden?” (Hebr. 10,29) (nr. 692).
2/Ten tweede wordt dit uitgelegd door een gelijkenis zodat de betekenis is “hij zal zondig zijn aan het Lichaam en Bloed des Heren”, d.i. hij zal de straf van de dood van de Heer krijgen, d.i. hij zal gestraft worden alsof hij Christus ter dood heeft gebracht, overeenkomstig Hebr. 6,6: “zij [hebben] de Zoon van God opnieuw gekruisigd en aan bespotting prijsgegeven.” Maar hierdoor lijkt het alsof de zonde van hen die het Lichaam van Christus onwaardig ontvangen de zwaarste zonde is. Men dient echter te zeggen dat een zonde ernstig is op twee manieren. (a) Ten eerste omwille van de soort (species) van zonde, welke berust op het object. Op deze manier is een zonde tegen de Godheid, zoals ongeloof, blasfemie of een andere zonde van deze soort, ernstiger dan een zonde tegen de mensheid van Christus. Daarom zegt de Heer zelf: “Als iemand zich kant tegen de Mensenzoon, zal het hem vergeven worden, maar wie zich kant tegen de heilige Geest, zal geen vergiffenis verkrijgen…” (Mt. 12, 32). Bovendien is een zonde begaan tegen de mensheid van Christus in diens eigen gedaante ernstiger dan in diens sacramentele gedaante. (b) Vervolgens wordt de ernst van de zonde afgemeten van de kant van de zondaar. Men zondigt echter méér wanneer men zondigt uit haat, afgunst of uit een andere boosheid, zoals deze die Christus kruisigden ernstiger zondigden dan degene die zondigt door zwakte, zoals zij soms zondigen die dit Sacrament onwaardig ontvangen. Hierdoor dient men dit dus niet zo te verstaan dat de zonde van degene die dit Sacrament onwaardig ontvangt vergeleken kan worden met de zonde van het doden van Christus wat betreft de gelijkheid ervan maar wel wat betreft een gelijkenis in soort; beide zonden immers betreffen dezelfde Christus.” (nr. 693).
3/ “Hij zal zich bezondigen aan het Lichaam en Bloed des Heren” wordt op een derde manier uitgelegd, te weten: het Lichaam en Bloed des Heren maakt hem schuldig. Immers, het goede dat op kwade wijze wordt ontvangen, schaadt, zoals het kwade dat goed gebruikt wordt,  voordelig is, zoals de doren van de Satan voordelig was voor Paulus [zie 2 Kor. 12,7]. Met deze woorden wordt de dwaling weerlegt van sommigen die zeggen dat, op het moment dat dit Sacrament door de lippen van de zondaar wordt aangeraakt, het Lichaam van Christus ophoudt daar aanwezig te zijn. Hiertegenover staat wat de Apostel zegt: “Wie op onwaardige wijze het brood eet of de beker van de Heer drinkt…” Immers, volgens deze mening zou geen enkele onwaardige eten of drinken. Deze mening is in tegenspraak met de waarheid van dit Sacrament, volgens de welke het Lichaam en het Bloed van Christus in dit Sacrament blijven bestaan zolang als de gedaanten blijven bestaan, onafgezien van de plaats waar deze gedaanten verblijven.” (nr. 694).

Welke remedie stelt Sint-Thomas voor?

De remedie bestaat erin dat men zichzelf onderzoekt, d.w.z. dat men zijn geweten nauwkeurig onderzoekt opdat er geen “wil om doodzonde te begaan of een zonde uit het verleden waarvoor hij nog niet voldoende berouw heeft getoond” zou bestaan. Na zulk een nauwkeurig gewetensonderzoek kan van “het brood” gegeten en van “de kelk” gedronken worden “want voor diegenen die het waardig ontvangen is het geen vergif maar een medicijn”. (nr. 696).

Waarom is dit gewetensonderzoek nodig? 

Zonder dit onderzoek tekent men zijn eigen vonnis. “… die het kwade deden [komen] tot de opstanding ten oordeel” (Joh. 5,29). “Iedereen die nadert tot de heilige gaven, terwijl er onreinheid in hem is, zal van Mij verwijderd worden.” (Lev. 22,3) (nr. 697).
 
Een objectie tegen dit alles lijkt mogelijk te zijn op basis van Joh. 6, 58: “wie dit brood eet, leeft door Mij”.
Sint-Thomas onderscheidt: 
“Er dient gezegd te worden dat er twee manieren zijn om dit Sacrament te ontvangen, nl. geestelijk en sacramenteel. Sommigen ontvangen daarom sacramenteel én geestelijk, diegenen nl. dit Sacrament ontvangen op dusdanige wijze dat zij ook delen in de realiteit van dit Sacrament, nl. de liefde waardoor er kerkelijke eenheid bestaat. Hierop is het woord van de Heer van toepassing: “wie dit brood eet, leeft door Mij”. Sommigen ontvangen echter enkel op sacramentele wijze, nl. diegenen die dit Sacrament op dusdanige wijze ontvangen dat zij niet de realiteit van dit Sacrament bezitten, nl. de liefde. Hierop zijn de woorden van toepassing: “Wie eet en drinkt zonder het lichaam te onderkennen, eet en drinkt zijn eigen vonnis.” (nr. 698)

Daarnaast onderscheidt Sint-Thomas nog een accidentele (per accidens) wijze van ontvangen, nl. wanneer zelfs het Sacrament niet ontvangen wordt zoals bv. gebeurt in het geval van iemand die niet gelooft dat de Hostie geconsacreerd is of in het geval van iemand die geheel ongelovig is.

Tot slot gaat hij in op de frequentie bij het ontvangen van de H. Communie. Soms kan wat in zichzelf meer verkiezenswaardig is, nl. regelmatige ontvangst van de H. Communie voor een persoon toch niet verkiezenswaardig zijn. 
“Want indien iemand ervaart dat hij voortgang maakt in de liefdesijver voor Christus en in de sterkte om de zonden te weerstaan, zonden die vaak de mensen treffen, dan dient men vaak dit Sacrament te ontvangen. Maar indien iemand minder eerbied voor dit Sacrament ervaart wegens het veelvuldig ontvangen ervan, dan dient deze de raad te krijgen slechts zelden dit Sacrament te ontvangen. Daarom wordt er gezegd in Het boek van de Dogma’s van de Kerk: “Ik prijs noch veroordeel het dagelijks ontvangen van de Eucharistie” [Gennadius, Liber sive diffinitio ecclesiastiocorum dogmatum, c. XXIII, PL 42, col. 1217).” (nr. 699).