Het dicasterie voor de Geloofsleer en het dicasterie voor Cultuur en Opvoeding hebben op de feestdag van Sint-Thomas een
Nota gepubliceerd over de verhouding tussen artificiële en menselijke intelligentie. Een uitermate boeiende lectuur waarin Sint-Thomas een cruciale rol speelt, met name in de bepaling wat intelligentie wel en niet is.
Een voorsmaakje:
14. In de
klassieke traditie wordt het begrip intelligentie vaak begrepen door de
complementaire begrippen “rede” (ratio) en “intellect” (intellectus). Dit zijn
geen afzonderlijke vermogens, maar, zoals de heilige Thomas van Aquino uitlegt,
zijn het twee manieren waarop dezelfde intelligentie werkt: “De term ‘intellect’
wordt afgeleid van de innerlijke greep op de waarheid, terwijl de naam ‘rede’
ontleend wordt aan het onderzoekende en discursieve proces."
Deze beknopte beschrijving benadrukt de twee fundamentele en complementaire
dimensies van de menselijke intelligentie. Intellectus verwijst naar het
intuïtieve begrip van de waarheid - dat wil zeggen, het begrijpen met de “ogen”
van de geest - dat voorafgaat aan de argumentatie zelf en deze rechtvaardigt.
Ratio heeft betrekking op het eigenlijke redeneren: het discursieve,
analytische proces dat tot een oordeel leidt. Samen vormen intellect en rede de
twee facetten van de handeling van intelligere, “de eigenlijke werking
van de mens als zodanig.”
15. De menselijke
persoon beschrijven als een “rationeel” wezen reduceert de persoon niet tot een
specifieke manier van denken; het erkent eerder dat het vermogen tot
intellectueel begrip alle aspecten van de menselijke activiteit vormgeeft en
doordringt.
Of dit vermogen nu goed of slecht wordt uitgeoefend, het is een intrinsiek
aspect van de menselijke natuur. In deze zin omvat de term ‘rationeel’ alle
vermogens van de menselijke persoon, inclusief die met betrekking tot ”kennen
en begrijpen, evenals die van willen, liefhebben, kiezen en verlangen; het
omvat ook alle lichamelijke functies die nauw verbonden zijn met deze
vermogens.”
Dit veelomvattende perspectief onderstreept hoe in de menselijke persoon,
geschapen naar het “beeld van God”, de rede geïntegreerd is op een manier die
zowel de wil als het handelen van de persoon verheft, vormt en transformeert.
Belichaming
16. Het
christelijke denken beschouwt de intellectuele vermogens van de menselijke
persoon binnen het kader van een integrale antropologie die de mens ziet als
wezenlijk belichaamd. In de menselijke persoon zijn geest en materie “niet twee
naturen verenigd, maar vormt hun vereniging één enkele natuur.”
Met andere woorden, de ziel is niet slechts het immateriële 'deel' van de
persoon dat zich in het lichaam bevindt, noch is het lichaam een omhulsel dat
een ongrijpbare 'kern' herbergt. Integendeel, de hele menselijke persoon is
tegelijkertijd zowel materieel als spiritueel. Dit begrip weerspiegelt de leer
van de Heilige Schrift, die de menselijke persoon ziet als een wezen dat
relaties met God en anderen (en dus een authentiek spirituele dimensie) beleeft
binnen en door dit belichaamde bestaan. De
diepe betekenis van deze toestand wordt verder verlicht door het mysterie van
de Menswording, waardoor God zelf ons vlees aannam en “verheft tot een sublieme
waardigheid.”
17. Hoewel diep
geworteld in het lichamelijke bestaan, overstijgt de menselijke persoon de
materiële wereld door middel van de ziel, die “bijna aan de horizon van
eeuwigheid en tijd ligt.”
Het vermogen van het intellect tot transcendentie en de zelfstandige vrijheid
van de wil behoren tot de ziel, waardoor de menselijke persoon “deelt in het
licht van de goddelijke geest.”
Toch oefent de menselijke geest zijn normale kennis niet uit zonder het
lichaam. Desondanks oefent de menselijke geest zijn normale wijze van kennis
niet uit zonder het lichaam.
Op deze manier zijn de intellectuele vermogens van de menselijke persoon een
integraal onderdeel van een antropologie die erkent dat de menselijke persoon
een “eenheid van lichaam en ziel” is.
Verdere aspecten van dit begrip zullen in wat volgt worden ontwikkeld.