Posts tonen met het label Summorum Pontificum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Summorum Pontificum. Alle posts tonen

zondag, februari 06, 2022

Een vergeten passage


Uit de brief aan de bisschoppen ter gelegenheid van het Motu Proprio 'Summorum Pontificum' (7 juli 2007) (link)

Kijkend naar het verleden, naar de verdeeldheid die over de loop van de eeuwen het Lichaam van Christus verwond heeft, heeft men voortdurend de indruk dat, op kritieke momenten wanneer de verdeeldheid aan het ontstaan was, er niet voldoende gedaan is geworden door de verantwoordelijken van de Kerk om de verzoening en de eenheid te herstellen en bewaren. Men heeft de indruk dat de nalatigheden in de Kerk gedeeltelijk schuld eraan zijn dat deze verdeeldheden zich konden consolideren.

donderdag, november 11, 2021

De participatie aan de traditionele liturgie

Fr. Louis-Marie de Blignières FSVF in 'Prier et Prêcher', Oktober 2021

De participatie aan de traditionele liturgie

Ik verleen voor de eerste maal assistentie aan de Mis in de traditionele Latijnse ritus. Ik word getroffen door de gewijde sfeer. De inrichting van de ruimte, de zang van het Kyriale door het eensgezinde volk, de eerbiedige houding van de celebrant, de gewaden die hij draagt, de taal die hij gebruikt, de gebaren van eerbied die hij maakt richting de gewijde oblaten, de vele kniebuigingen, de stilte van de canon: al deze zintuiglijke tekenen brengen mij ertoe mij innerlijk te plaatsen in de aanwezigheid van Iemand die de wereld overstijgt.

Wanneer ik in mijn missaal volgt hetgeen de priester zegt wordt ik geraakt door een ander aspect. Ik smeek tot God met een grote eerbied maar met de zekerheid van een kind dat zich richt tot zijn vader! De zalving met de antieke Latijnse gebeden brengt mij in relatie tot, niet de architect van het heelal, maar met de Drie-eenheid. Ik richt mij tot de Drie-eenheid – verbazingwekkend – alsof ik deel uitmaak van een familie! Ik spreek met moed tot de Drie-ene God, ik presenteer mijzelf en dit in de nabijheid van de heiligen die bij de Drie-ene God vertrouwen bezitten. Ik hou niet op te spreken door Jezus en ik zie de priester het hoofd buigen wanneer zijn Naam uitgesproken wordt.

Door deze tekenen, neem ik deel aan de aanbidding van het mysterie van de ware Drie-ene God.


Een tweede zaak kan men afleiden uit de ritus. De ritus raakt mij en doet mij intuïtief weten dat de mens ‘verloren’ is. Het zoeken naar een zin van mijn leven, het schandaal van het lijden van onschuldigen, het gevoelen van mijn persoonlijke schuld: wat gebeurt er met mijn existentiële angst wanneer deze geconfronteerd wordt met deze ritus? Ze ontvangt een naam: de zonde. Ik bemerk iets zeer ontroerends: de priester en alle gelovigen erkennen de waarheid van hun ellende.

De celebrant, tijdens de voorbereidende gebeden op de Romeinse mis, lijkt met aarzeling het altaar te bestijgen. Hij erkent zijn eigen onwaardigheid: door middel van een prachtige psalm, een belijdenis van zijn fouten, door psalmverzen als schietgebeden. In de Dominicaanse ritus, maakt de priester een diepe buiging tijdens het Confiteor van hemzelf en dat van de gelovigen, alsof hij mijn zonden op zich wilde nemen! In de gebeden van de Romeinse canon knielt de celebrant verschilde malen, smeekt hij nederig, hij is een zondaar die niet kan steunen op zijn verdiensten.

Deze ritus straalt uit naar bekeerlingen - ik spreek uit ervaring – omdat het de menselijke waarheid, die vaak verborgen wordt, vooronderstelt: ik ben een zondaar en heb nood aan verlossing. De ritus bezit het geheim mij te laten deelnemen aan de hoop door mijn ellende in contact te brengen met de barmhartigheid van God.

Een derde kenmerk van de celebratie volgens deze rite: het is een handeling, er gebeurt iets. Te midden van de stilte van de canon brengen de gebaren van de dubbele consecratie mij het mysterie van het geloof voor ogen. Ik bemerk dat de celebrant de oblaten tekent met de tekenen van het kruis. Ik zie de gelovigen de geconsacreerde hostie geknield en op de tong ontvangen. Indien ik de priester na de Mis ondervraag, ben ik erop voorbereid te leren dat het offer het wezen van de Mis is. Dit offer van lof aan de Drie-eenheid is een zoenoffer voor mijn eeuwig heil en voor dat van alle gelovigen.

Ik besef dat alles gecentreerd is, niet op de bedienaar maar op Christus, op zijn aanwezigheid in de geconsacreerde oblaten. Ik zie hoe de celebrant zijn vingers gesloten houdt nadat hij het Lichaam van Christus aangeraakt heeft en met welke voorzichtigheid hij de geconsacreerde partikels verzameld op het corporale. De woorden en gebaren brengen mij op zintuiglijke wijze in contact met de onbloedige vernieuwing van het heilbrengende offer. In de Dominicaanse ritus strekt de celebrant na de consecratie de armen wijd uit, zoals Christus op het kruis. Deze ritus doet mij deelnemen aan de liefde van de Verlosser door een zintuiglijke bemiddeling.

Deze ritus is het tegenovergestelde van een ideologie. Het is een zintuiglijke bemiddeling om mij te laten deelnemen aan het onzichtbare mysterie.

dinsdag, augustus 31, 2021

De tegenrevolutie

 "Thus the paradoxical situation arises: in order that the Bride of Christ, the Church, may be preserved from amnesia, from a loss of memory, Catholics faithful to tradition will now have to prove themselves as counter-revolutionaries, conservative faithful will have to assume the role of rebels, in order to be themselves ultimately found to be, before the judgment of history and above all in the eyes of God, the true and only traditionis custodes, guardians of tradition, who really deserve this name." (Bron)

zaterdag, mei 14, 2011

Universae Ecclesiae op de Seminaries

nr. 21 "Aan ordinarii wordt met aandrang gevraagd dat zij aan clerici de gelegenheid geven gevormd te worden om de gepaste kunst van het vieren in de buitengewone vorm te verwerven, hetwelk allereerst geldt voor de Seminaries, waar erin voorzien zal worden dat de studenten van het heilige op gepaste wijze gevormd worden, door middel van het leren van de Latijnse taal en, indien bijkomende omstandigheden dit vragen, de buitengewone vorm van de Romeinse Ritus zelf."

Vertaling: a Belgian Thomist

maandag, november 29, 2010

Progressief archeologisme

Uit dit interview op kath.net met kardinaal Kurt Koch

"Kath.net: Wieso wird der sogenannten „Reform der Reform der Liturgie“ oft mit Feindseligkeit begegnet? Wieso wird nicht erkannt, dass das, was der Papst mit dem Motu proprio „Summorum Pontificum“ (2007) zur Liberalisierung der außerordentlichen Form des einen Römischen Ritus wollte, eine Erweiterung des Schatzes der Liturgie der Kirche ist und kein Rückschritt in eine nostalgisch konzipierte Zeit?
Kardinal Koch: Das ist ein äußerst paradoxes Phänomen: dass diejenigen, die immer Pluralismus und Toleranz einfordern, plötzlich uniform werden und sagen: mit DER Reform, die das II. Vatikanische Konzil angestoßen hat und die nach dem Konzil verwirklich worden ist, haben wir DAS Ziel erreicht, und jetzt DARF es eigentlich keine neue Reform mehr geben. Das ist ein seltsamer progressistischer Archäologismus, der selten durchschaut wird. Und da denkt der Papst eben viel organischer, was heißt: auch diese Liturgiereform, die 1970 realisiert worden ist, ist eine Entwicklung innerhalb einer grundlegenden Kontinuität und bedarf ihrerseits der Erneuerung."

Of hoe de progressieveling van weleer zelf conservatief is geworden

zondag, oktober 10, 2010

Forma extraordinaria op het seminarie: het kan (2)

"It will obviously take time for the effects of the Motu Proprio Summorum Pontificum to reach the appropriate levels in the Church. You do have a right to be taught about the extraordinary form of the Roman Rite of the Mass because this is a very important part of the history of the Roman liturgy and one who is ignorant of his past cannot be expected to understand his present at any depth." (Ecclesia Dei, 6 mei 2008, bron)

De Buitengewone Vorm op seminaries: geen fictie in New Orleans en Connecticut.

Voor eerdere berichten zie hier en hier

woensdag, december 30, 2009

Woorden wekken, voorbeelden trekken

Dit aloude gezegde kan men toepassen op elk onderdeel van het menselijk leven en dus ook op het kerkelijk leven. Meer zelfs, het vormt vaak een maatstaf, ja zelfs spiegel waarmee een groter inzicht kan verworven worden in een bepaald maatschappelijk en kerkelijk fenomeen.
Kardinaal Danneels
Zo kan men, nu wij de nadagen van kardinaal Danneels als primaat meemaken, dit gezegde toepassen op de erfenis van kardinaal Danneels. Immers, hij was/is het die altijd in de media geroemd werd voor de wijze waarop hij de Kerk 'relevant' kon maken naar buiten toe en dan met name door zijn beeldrijk en spitsvondig taalgebruik. Woorden wekken...
Hierbij gaat het niet om de vraag of een andere benadering dan deze van kardinaal Danneels in staat zou zijn geweest om het anti-katholicisme in de Belgische politiek en media te keren. Dit is een vraag voor cultuurhistorici. Het gaat echter wel om de interne 'spirit' en organisatie van de katholieke Kerk. Welke katholieke ouder kan in Vlaanderen met zijn hand op het hart instaan voor de katholiciteit van de 'katholieke' school? Welke praktiserende katholiek durft  zijn hand in het vuur steken voor de orthodoxie van de Leuvense theologie-faculteit? Wie beantwoordt de gewetenslast van zovelen die in 'katholieke' ziekenhuizen geconfronteerd worden met niet-katholieke handelingen? Van welke preekstoel klinkt nog een katholiek geluid? Dit zijn enkele vragen die, nu na een tijdperk, ofwel helaas opgeworpen moeten worden of nog altijd niet beantwoord zijn geworden?
In de mate dat het Danneels-tijdperk de gewetens van katholieken heeft bezwaard, geeft de spiegel die we voorhouden een misvormd beeld.
De wereldkerk
Ook wanneer we ons gezichtsveld uitbreiden naar de wereldkerk, constateren we dat nog nooit er zulk een overvloed aan Romeinse documenten is geweest (voor wie zich wil oriënteren hierin vormt www.rkdocumenten.nl een goed uitgangspunt). Woorden wekken...
Rome liet echter niet na om, ook wanneer individuele verantwoordelijken faalden, te handelen (met de soms gebruikelijke vertraging, eigen aan een 'multinational' en het subsidiariteitsprincipe). Of het nu gaat om het kerkelijk wetboek, de catechismus, de ondersteuning van nieuwe bewegingen, de activering door bv. heilig-en zaligverklaringen of waarschuwingen en veroordelingen, dit alles zijn concrete handelingen ter implementatie van de geloofsinhoud.
De lijst van gevallen die aan deze concrete woorden en voorbeelden geen gevolg gaven is helaas ellenlang én wereldwijd. 'Geen gevolg geven' kan vele vormen aannemen: het laten voortbestaan of voorthandelen van onorthodoxe instituties en personen, schuldige onwetendheid omtrent toestanden, ja zelfs Romeinse veroordelingen (!), tot het actief ondersteunen van heterodoxe bewegingen en stromingen. Wie het katholieke nieuws in de Lage Landen en wereldwijd volgt, kan voor elk van deze mogelijkheden wel een voorbeeld geven. Woorden wekken, voorbeelden trekken.
Sint-Thomas van Aquino
Geconfronteerd met deze situatie is het als het ware de plicht van elke katholiek zich te te laten doordringen van de bronnen van het katholieke geloof; niet op een protestantse wijze als een autodidact maar met een betrouwbare leiddraad zoals daar ondermeer is Sint-Thomas van Aquino en de thomistische traditie. In het filosofische en theologische landschap van vandaag en in het bijzonder van de Lage Landen, betekent dit een moeizame en soms eenzame weg afleggen.
De Heilige Wijdingen
Een centraal inzicht van Sint-Thomas betreft de relatie tussen het gewijde ambt of "Heilige Wijdingen" en de Eucharistie (Summa Theologiae, Supplementum, qq. 36-37). Door het sacrament van de Heilige Wijdingen wordt men aangesteld om anderen in de Goddelijke Werkelijkheid binnen te leiden en een tweevoudige handeling uit te voeren. De eerste en wezenlijke handeling betreft het werkelijke Lichaam van Christus;
de tweede, en deze is secundair, betreft het mystieke Lichaam van Christus.
De tweede handeling hangt af van de eerste. De wezenlijke handeling die dus het het gewijde ambt definieert is de viering van de Eucharistie.
Daarom hangt de zending van een bisschop, alhoewel deze meer van de secundaire handeling over het mystieke lichaam van Christus vereist dan dan het geval is bij de priester, af van de wezenlijke handeling van de viering van de Eucharistie. Voor Sint-Thomas zijn bisschoppen en priesters instrumenten van het uitstromen van Christus' genade: "de dienaars van de Kerk zijn boven de anderen geplaatst, niet om iets aan zichzelf te bedelen krachtens hun eigen heiligheid (want dit behoort enkel toe aan God), maar als dienaars, als instrumenten van het uitstromen van het Hoofd naar de ledematen".
Daarom ligt het onderscheid tussen de verschillende Wijdingen in de relatie tot de Eucharistie. Priester en bisschop kunnen beiden dezelfde Eucharistie vieren,  maar de bisschop heeft een meer volkomen 'potestas' binnen dezelfde Wijding aangezien hij bv. anderen kan wijden.
De Buitengewone Vorm van de éne Romeinse Ritus
Wanneer we zo dus de Romeinse daadkracht combineren met de woorden van Sint-Thomas omtrent de relatie tussen Eucharistie en de Heilige Wijdingen, in het bijzonder van priester en bisschop, dan is het volgende bericht van immens belang.
In het kader van de conferentie voor het Jaar van de Priester, georganiseerd door Amerikaanse en Australische priesters en welke zich voltrekt in het Vaticaan en meer bepaald in Domus Sanctae Marthae, zullen zowel de Prefect als de Secretaris van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst celebreren volgens de Buitengewone Vorm.
Woorden wekken, voorbeelden trekken

zaterdag, december 05, 2009

Heiligen en Engelen in de Gewone Vorm

We hebben reeds meerdere malen de Gewone Vorm en de Buitengewone Vorm aan een vergelijkende analyse onderworpen, in het bijzonder wat betreft de oraties, de kalender en het lectionarium. Het doel van deze analyses bestaat ENKEL erin om de inhoudelijke verschillen naar voren te brengen. Deze analyses werden onlangs nog bevestigd door het artikel van Dr. Johannes Nebel fso dat we hier besproken hebben.

Laten we nu een volgend thema hieraan toevoegen, nl. dat van de heiligen en de engelen in de Gewone Vorm. In het algemeen kunnen we stellen dat de Gewone Vorm de aanwezigheid en rol van de engelen en de heiligen in zeer sterke mate terugdringt.

Onze argumenten voor deze stelling zijn de volgende:

1/Samen met de afschaffing van de voetgebeden, verdwijnt het gebed dat de priester bij het kussen van het altaar uitspreekt: “Oramus te Domine, per merita Sanctorum tuorum, quorum reliquiae hic sunt et omnium Sanctorum: ut indulgere digneris omnia peccata mea. Amen.”

2/Samen met gebed “Suscipe, Sancta Trinitas” aan het einde van het offertorium, vervalt ook de volgende passage hieruit: “et in honorem beatae Mariae semper Virginis, et beati Joannis Baptistae, et sanctorum Apostolorum Petri et Pauli, et omnium Sanctorum: ut illis proficiat ad honorem, nobis autem ad salutem: et illi pro nobis intercedere dignentur in caelis, quorum memoriam agimus in terris.”

3/De passage uit het embolisme bij het “Pater Noster”, die bestond uit het inroepen van de voorspraak van de heiligen, is geschrapt, nl. “et intercedente beata et gloriosa semper Virgine Dei Genitrice Maria, cum beatis Apostolis tuis Petro et Paulo, atque Andrea, et omnibus Sanctis,…”

4/Het eerste deel van het “Confiteor” heeft volgende passage geschrapt: “beatae Mariae semper Virgini, beato Michaeli Archangelo, beato Joanni Baptistae, sanctis Apostolis Petro et Paulo, omnibus Sanctis.”

5/In het tweede deel van het “Confiteor”, dat minder onaangetast is gebleven, wordt de voorspraak der heiligen nog wel ingeroepen, maar in algemene vorm en heeft men volgende passage geschrapt: “beatum Michaelem Archangelum, beatum Joannem Baptistam, sanctos Apostolos Petrum et Paulum”

6/Naast dit “Confiteor” zijn er opties mogelijk waarin van de heiligen geen sprake is.

7/In de versies van het Eucharistisch Gebed II, III en in IV wordt wel gezegd dat wij op de voorspraak der heiligen vertrouwen, maar dezen worden nergens ingeroepen.

8/In het “Communicantes” als ook in het “Nobis quoque peccatores” van de Romeinse Canon zijn de opsommingen van de heiligen sterk ingekort.

9/”Bij voorkeur zal de lezing van de dag genomen worden omdat deze semi-continu is (de viering van de heilige blijkt dan uit de oraties), al mag men op de gedachtenis de voor de heilige aangegeven lezingen nemen of andere uit de gemeenschappelijke lezingen. Alleen op hoogfeesten en feesten zijn er eigen lezingen; slechts enkele gedachtenissen hebben eigen lezingen.” (Directorium NRL 2008/2009, p. 22)
In de praktijk komt dit erop neer –zo blijkt althans uit onze ervaring- dat er op (vrije) gedachtenissen quasi geen eigen sanctorale meer is.
Nemen we bv. 1 oktober, Sint-Teresia van het Kind Jezus, maagd en kerklerares. De Gewone Vorm heeft de facto in 2009 donderdag in week 36 door het jaar met lezingen uit Nehemiah en de zending van de 72 uit Lucas 10.
Het missaal van de Zalige Johannes XXIII daarentegen heeft Jesaja 66, 12-14 met o.a. ‘Ik laat vrede naar haar toestromen als een rivier,  en de roem van de volken als een beek die buiten zijn oevers treedt” wat trouwens perfect toepasbaar is op de patroon van de missies.
Het Evangelie in de Buitengewone Vorm heeft Mattheus 18, 1-10 over het worden als kinderen, m.a.w. de nederigheid. Ook weer perfect toepasbaar op Sint-Teresia van het Kind Jezus.

10/De feesten van Sint-Gabriël, Sint-Michaël en Sint-Raphaël zijn tot één teruggebracht, 29 september (Zie Calendarium Romanum p. 68). Is dit niet in tegenspraak met het doel méér van de H. Schrift toegankelijk te maken aangezien aangezien er genoeg materiaal voorhanden is: de boeken Daniël, Judas en Openbaring voor Michaël, Daniël en Lucas voor Gabriël en voor Raphaël zelfs een geheel boek, Tobit.

woensdag, november 25, 2009

Een vergelijking

Basteln am heiligen Erbe
Von P. Bernward Deneke FSSP

Wer käme wohl auf die Idee, ein musikalisches Meisterwerk von Bach, Mozart oder Schubert „verbessern“ zu wollen? Gewiss hat sich die Interpretationspraxis dieser Musik in den letzten Jahrzehnten erheblich verändert; eine heutige Aufnahme der Jupiter-Sinfonie unter Nikolaus Harnoncourt klingt anders als eine ältere Einspielung desselben Stückes unter Herbert von Karajan oder Wilhelm Furtwängler. Aber alle drei Dirigenten versuchen doch auf ihre Weise, mit den ihnen zur Verfügung stehenden Mitteln und Kenntnissen dem Mozartschen Notentext gerecht zu werden.

Ganz verschieden von solchen legitimen Interpretationen wäre der Versuch, die Sinfonie für den Geschmack des breiten Publikums der Gegenwart herzurichten, sie etwa auf die Dimensionen eines kurzen Songs zurechtzustutzen und mit Elementen des Pop und Rock zu garnieren. Mag sein, dass eine solche Version einen momentanen Erfolg in den Charts erreichen könnte. Aber es wäre eben nicht mehr die Jupiter-Sinfonie, sondern allenfalls deren mehr oder minder stümperhafter Verschnitt. Und von Verbesserung könnte wirklich nicht die Rede sein – wenigstens nicht unter denen, welchen Mozarts Nr. 41 „heilig“ ist.

Was in der Sphäre der Kunst unmittelbar einleuchtet, das scheint im Reich unseres Glaubens nicht mehr klar zu sein. Wie sonst lässt es sich begreifen, dass man hier immer wieder an bedeutende Überlieferungen Hand anlegt? Denken wir nur an die ungezählten Eingriffe und Adaptionen, die sich die Liturgie der Kirche in den letzten Jahrzehnten gefallen lassen musste. Hier waltet ganz offensichtlich nicht dieselbe Ehrfurcht, die wir bei ernsthaften Interpreten klassischer Musik voraussetzen dürfen.

Nun wird oft auf einen wesentlichen Unterscheid hingewiesen: Während es sich bei einer Bach-Kantate oder einem Liederzyklus von Schubert um abgeschlossene Werke handelt, war und ist die kirchliche Liturgie stets im Wandel begriffen. Sie kannte in allen Epochen das Aufnehmen neuer Elemente (z.B. Heiligenfeste), die Umformung des Bestehenden und auch das Abstoßen mancher Fremdkörper, die sich im Laufe der Geschichte in sie eingeschlichen hatten. Gilt nicht außerdem die Regel: Was lebt, muss sich entfalten? Folglich, so wird argumentiert, darf man das gottesdienstliche Leben nicht auf einen bestimmten Zeitpunkt seiner Entwicklung fixieren und gleichsam zementieren.

Diesen Einwänden braucht nicht widersprochen zu werden. Die Frage ist nur, welche Bedeutung man dem Bestehenden beimisst und in welcher Weise man es anrührt. Es besteht ja doch ein großer Unterschied zwischen dem Hand-Anlegen des Restaurators, der mit zarter Behutsamkeit ein durch die Ungunst der Zeiten überlagertes Fresko freilegt, dem Hand-Anlegen eines Architekten, der ein altes Gebäude im postmodernen Stil umgestalten soll, und dem Hand-Anlegen eines Abbruchunternehmers. Die Einstellung gegenüber der Sache und die Vorgehensweise sind hier denkbar verschieden.

Bei einem Gebilde wie der Liturgie, in der die Mysterien unseres Glaubens dargestellt, vergegenwärtigt, gefeiert und verherrlicht werden, kommt nur ein Umgang in Frage, der bestrebt ist, der Feinheit und Werthaftigkeit, der inneren Fülle und äußeren Schönheit, vor allem aber der Heiligkeit dieses Gegenstandes gerecht zu werden. Tiefe Kenntnis und echte Inspiration, Ehrfurcht vor dem Überlieferten, Vorsicht und Demut sind da nicht nur wünschenswert und angemessen, sondern sogar strengstens erfordert.

Der Philosoph Dietrich von Hildebrand (+1977) beklagte mit Recht, es fehle unserer Zeit an den homines religiosi, den feinsinnig-gläubigen Menschen, die wahrhaft berufen seien, das große Erbe der Kirche weiter zu entfalten. Ja, wo sind die Personen, die wie der „ernste Hergereiste“ in einem Gedicht aus Rainer Maria Rilkes Stundenbuch voller Scheu allenfalls eine winzige Veränderung an dem großen Kirchenbau anbringen? „Werkleute sind wir: Knappen, Jünger, Meister,/ und bauen dich, du hohes Mittelschiff./ Und manchmal kommt ein ernster Hergereister,/ geht wie ein Glanz durch unsre hundert Geister/ und zeigt uns zitternd einen neuen Griff.“

Stattdessen gab und gibt es heute viele Handwerker, die sich wie Grobschmiede mit ihren unerleuchteten Vorstellungen und unpassenden Instrumenten über die filigranen Gebilde und zarten Gewebe hermachen, mit denen die Liturgie das Allerheiligste umhüllt und schmückt. Bastler am heiligen Erbe sind sie, beziehungslos und besserwisserisch gegenüber der Weisheit der Vorzeit, leichtfertig und rücksichtslos gegenüber den Bedenken ihrer Zeitgenossen, kurzsichtig und verantwortungslos gegenüber der Zukunft. Sehnsuchtsvoll halten daher die viele Gläubige Ausschau nach wirklichen „Interpreten“, die, von ehrfürchiger Liebe zur kirchlichen Überlieferung beseelt, diese durch eine treue und hingebungsvolle Feier in ihrer ursprünglichen Schönheit aufleben lassen. Denn hier geht es um weitaus mehr als bei Bach, Mozart und Schubert.

Bron: www.kath-info.de

zaterdag, november 21, 2009

Gelezen en ...

In het zeer degelijke, door wijlen kardinaal Scheffczyk, -geen onbekende in Nederland!- opgerichte tijdschrift, Forum katholische Theologie, jaargang 25 (2009)  verscheen  een interessant artikel met als titel:
Die ‘ordentliche’ und ‘ausserordentliche’ Form des römischen Messritus. Versuch einer Orientierungshilfe zum tieferen Verstehen beider Formen (pp. 173-203)


De auteur is de priester Dr. Johannes Nebel, gepromoveerd aan Sant' Anselmo met het proefschrift 'Die Entwicklung des römischen Messritus in ersten Jahrtausend anhand der Ordines Romani. Eine synoptische Darstellung' welke in 2001 werd geeerd door Paus Johannes Paulus II, kenner van het werk van kardinaal Scheffczyk en John Henry Newman en lid van de Geestelijke Familie ‚Het Werk’, gesticht door de Vlaamse Julia Verhaeghe.

Het artikel is als volgt ingedeeld. Na een inleiding worden een aantal terminologische problemen besproken (“vorm”, “gebruik”, “ritus”). Hij opteert voor de benaming “revidierte Usus”.

Deel 2 geeft een historisch overzicht van de groei van de buitengewone vorm. Interessant is zijn stelling dat het tevergeefs is om wat betreft de identiteit van de Romeinse liturgie naar bronnen te zoeken die ouder zijn dan de Ordo Romanus I van het begin van de 8ste eeuw want hieruit heeft zich de buitengewone vorm uit ontwikkelt. (p. 177) [Dit in tegenstelling tot wat Pius XII en kardinaal Ratzinger het ‘archeologisme’ genoemd hebben van sommige liturgisten die menen dat de liturgie zichzelf dusdanig moet construeren dat zij gelijkt op de wijze waarop diezelfde liturgisten, meenden dat de eerste generaties christenen de liturgie vierden; BT]

Deel 3 (“Der revidierte Usus und sein Verhältnis zum überlieferten Usus) gaat eerst in op het ontstaan van de huidige herziening. Hij stelt dat “voor het eerst in de geschiedenis van de Kerk heeft men ‘die Grundordnung der Ritus selbst einer Revision unterzogen, die ebenfalls sehr gründlich und reflektiert ausgefallen ist.“ (p.184)
Hier wordt in de volgende pagina’s (deel 3.2.) nader op ingegaan. De fundamentele verschillen tussen beiden ‘gebruiken) worden behandeld onder de hoofdingen: “die ekklesiale Ausprägung” en “Theologie und Frömmigkeit” (pp. 185-188).
Vervolgens komen aan bod “die Konsequenzen für die konkrete Feiergestalt” (deel 3.3.) en dit wat de ecclesiale dimensie betreft en de „unterschiedliche Art des Sacrum“. Talrijke, gedetailleerde voorbeelden worden hier gegeven. Zo schrijft hij over dit laatste met betrekking tot het altaar:

“De overgeleverde Usus brengt op consequente en specifieke wijze aan het altaar een eerbetoon, welke, tenminste sinds de Hoge Middeleeuwen, een klare uitdrukking heeft gekregen. De toegang tot het altaar moet aan het begin door de celebrant afgesmeekt worden, waarna diens verhouding tot het altaar dermate ‘sterk’ is dat hij bij het zich afwenden van het altaar niet nalaat het tevoren te kussen. De verhouding tot het altaar bepaalt ook de precieze houding van de handen en onderarmen die op bepaalde ogenblikken het altaar aanraken en op andere momenten niet. Het altaar is ook de plaats van de consecratie; de pateen is hierbij uitsluitend gericht op het maaltijdkarakter van de Eucharistie en wordt –en dit is reeds merkbaar in de Ordo Romanus Primus- hierbij tevoren door een kus vereerd.
De herziene Usus maakt als het ware de verhouding tot het altaar los door aan het begin de voetgebeden weg te laten en doordat het altaar gedurende de viering zonder eerbetoon kan verlaten worden zolang als de celebrant zich niet buiten het presbyterium begeeft. Hierdoor wordt het altaar eerder waargenomen als een object met liturgische functies, vergelijkbaar met de ambo. De consecratie vindt ook niet direct op het door het corporale bedekt altaar plaats, maar over de pateen of hostieschaal.” (p. 191).

Vervolgens schrijft hij over “Aspekte der inneren Charakteristik” (deel 3.4.) ondermeer het taalgebruik:

“Typisch voor de overgeleverde Usus van de ritus van de Mis is de wijze waarop de grootsheid van God tot uitdrukking komt, nl. vaak door de toevoeging van attributen, bv. “heilige Vader, almachtige, eeuwige God”. Hiernaar verwijst ook het eerste Hooggebed, de Romeinse Canon, dat voor God vele zulke attributen gebruikt.
De herziene Usus neemt van deze spreekwijze tot God merkbaar afstand; dit toont zich ook in de nieuwe Hooggebeden. De volheid van het Godsbeeld wordt daar bv. uit deze formulering van het tweede Hooggebed vastgelegd: “waarlijk heilig zijt Gij, Heer, bron van alle heiligheid”. Ook deze formulering zegt iets wezenlijks van God. De wijze waarop is echter een andere: “heilig” wordt niet als adjectief aan God toegevoegd maar in een beeldend woord (“bron”), in een grammatisch volledige zin (“Gij zijt…”) aan God toegekend. Daardoor wordt de stijl van de zin meer nuchter en objectief (het plaatst wat uitgezegd wordt in zekere zin tegenover het biddende subject) en heeft niet meer deze onmiddellijke, doorslaggevende kracht van de wijze van spreken die het spreken tot God verrijkt met het opeenstapelen van adjectieven.” (p. 194)

Deel 3.5. is getiteld “Zeitüberhobenheit und Zeitbezug” en handelt over het bij de tijd brengen van de liturgie. Hij citeert aartsbisschop Malcolm Ranjith, de voormalige secretaris van de Congregatie voor de Eredienst, die spreekt over “belangrijke elementen” die bij de herziening opgegeven zijn omdat sommige liturgisten de ontwikkeling van de liturgie doorheen de eeuwen als iets negatiefs beschouwden. Over de herziene Usus schrijft Dr. Johannes Nebel: “Er braucht unbedingt und beständig das lebendige Gegenüber seiner eigenen [cursief: JN] Tradition, die er selbst niet genügend in sich birgt... Umgekehrt freilich ist der überlieferte Usus ohne den revidierten Usus in der Gefahr, die Bodenhaftigkeit zur heutigen Zeitsituation zu verlieren bzw. nicht zu erreichen“ (p. 199).

Daarom besluit hij ook (pp. 202-203) dat beiden gebruiken elkaar nodig hebben en elkaar dienen te “ergänzen”. Alhoewel beide vormen tot de éné, Romeinse Ritus behoren “setzen sie aber doch tiefgreifend andere Akzente....: der überlieferte Usus aus der Einheit der Tradition, die er repräsentiert, der revidierte Usus aus seiner (von Papst Benedikt XVI. durch die Bezeichnung ‚ordentliche Form’ hingenommenen) Stellung, die derzeit allgemein praktizierte Feier der katholischen Liturgie zu sein, was ihm dank seiner grösseren Fähigkeit zu dynamischen Anpassung an verschiedene pastorale Situationen im Gegenwartskontext auch zukommt. Dahr kann keine der beiden Formen für sich alleine beanspruchen, die Eigenart des römischen Ritus voll zu repräsentieren. Nur in gegenseitiger Ergänzung zwischen beiden Formen kann die Fülle bewahrt werden- nicht nur die Fülle der Feiergestalt, sondern die Fülle dessen, was die Feiergestalt des eucharistischen Geheimnisses ausdrücken will.“ (p. 202)

zondag, november 15, 2009

Interview met Prof. Spaemann

Enkele inzichten uit dit interview met Prof. Spaemann:

Het feit dat sinds Summorum Pontificum de Rooms-Katholieke Kerk één ritus heeft met twee vormen is een "normatieve" stelling en niet een beschrijvende stelling want de andere riten zoals de Ambrosiaanse en Dominicaanse hebben veel minder verschillen met de buitengewone vorm dan de Novus Ordo.
Het feit dat sinds Summorum Pontificum de Rooms-Katholieke Kerk één ritus heeft met twee vormen is ook een "postulaat, d.w.z. de nieuwe mis moet haar identiteit met de oude mis zichtbaar maken." Dit kan bv. door veel meer de Romeinse Canon te bidden zoals paus Benedictus doet; een andere mogelijkheid is het opnieuw de facto invoeren van het Credo van Nicea. Een vruchtbare uitwisseling beider vormen vereist dat de zgn. 'traditionalisten' onvoorwaardelijk aanvaard worden en niet gemarginaliseerd worden.
Bij jongeren, zowel leken als clerici, zal dit makkelijker worden aangezien zij niet meer de vooroordelen van de oudere generatie hebben.

maandag, november 02, 2009

Dank u, Mgr. Punt!


Mgr. Léonard wijdt nieuwe priesters van de Petrusbroederschap in 2007


Graag willen wij langs deze weg Mgr. Punt van harte feliciteren met de beslissing om jonge priesters en seminaristen in staat te stellen zich vertrouwd te maken met de buitengewone vorm van de Romeinse Ritus. Dit is een moedige beslissing. Want, alhoewel het de logica zelve is dat de éné Romeinse Ritus in alle onderdelen –die juridisch gelijkwaardig zijn- aangeleerd wordt (zoals de Ecclesia Dei-commissie reeds lang geopperd had), toch is het huidige kerkelijke klimaat helaas van die aard dat het gezond verstand vaak genegeerd wordt. Mgr. Punt heeft reeds eerder met de St. Agneskerk blijk gegeven niet aan deze druk te bezwijken.
Nu, méér dan 2 jaar na het van kracht worden van Summorum Pontificum, zegeviert dit gezond verstand omdat Mgr. Punt de moed heeft om een concreet en zichtbaar teken te stellen van de gehoorzaamheid die wij allen verschuldigd zijn aan de wil van Paus Benedictus. (Wij beschouwen derhalve het als een lapsus wanneer in het bericht sprake is van een “Tridentijnse Mis” of “Tridentijnse Ritus”: Summorum Pontificum maakt geen enkele melding van deze terminologie; het betreft de liturgische boeken van de Zalige Johannes XXIII (zowaar de paus van het aggiornamento) en heeft niets van doen met enige nostalgie zoals de terminologie “Tridentijns” al te vaak impliceert. Bovendien is er maar één Romeinse Ritus met twee gebruiken of vormen die gelijkwaardig zijn.)
De logica zelve gebiedt ook dat dit slechts een eerste stap kan zijn in de volledige rehabilitatie van de buitengewone vorm van de Romeinse Ritus. Daarom veronderstellen wij dat in de nabije toekomst:

1/de buitengewone vorm volledig in het curriculum van de seminarie-opleiding zal geïntegreerd worden aangezien een kortstondige cursus onvoldoende is om geheel de rijkdom van de Traditie te leren kennen.
2/de geschiedenis van de liturgie dusdanig zal gedoceerd worden dat de beoogde hermeneutiek van de continuïteit duidelijk naar voren komt, d.w.z. de ideologische en wetenschappelijk foutieve voorstelling niet meer is dat, na de gouden tijden van de eerste christenen, een periode van verval tijdens de Middeleeuwen tot aan het begin van de 20ste eeuw is opgetreden, waarna de liturgische beweging het warm water terug uitgevonden heeft en Vaticanum II dit eindelijk ingezien heeft zodanig dat alles wat vóór 1962 kwam een gepasseerd station is.
3/concrete stappen ondernomen worden om de mentaliteit zodanig te versterken dat de liefde voor de buitengewone vorm in de harten van elke seminarist zal groeien
4/de celebratie van de buitengewone vorm een vaste en regelmatige plaats zal krijgen in het leven op het seminarie
5/dit alles met het oog op –in het kader van ‘competentie-gericht’ onderwijs- elkeen die wil, in staat te stellen tegemoet te komen aan het persoonlijke verlangen en dat van de gelovigen om in de parochie de buitengewone vorm te celebreren.

zaterdag, oktober 31, 2009

Forma extraordinaria in het seminarie: het kan!


We lazen zonet enkele verslagen (hier, hier en hier) van de workshop „Zweites Vatikanisches Konzil – zwischen Geist und Gespenst?“, dat onlangs (24 oktober) georganiseerd werd te Bonn door de "Generation Benedikt". Naast de interesse voor de woorden van pater Gaudron FSSPX, (zie bv. hier) één van de leden van de commissie die gesprekken voert met het Vaticaan en auteur van het zeer lezenswaardige boek "Die Hl. Messe aller Zeiten", een uitstekende inleiding in de symboliek en de theologie van de 'Usus antiquior' van de Romeinse Ritus, bemerkten wij dat Dr. Guido Rodheudt van Herzogenrath in het Albertinum, het convict van het aartsbisdom Keulen, de Heilige Mis opdroeg in de Forma extraordinaria.
Inderdaad een buitengewone gebeurtenis!

donderdag, oktober 15, 2009

De DVD ter instructie van de Forma Extraordinaria van de éné Romeinse Ritus van de Pauselijke Commissie Ecclesia Dei, met de introductie door kardinaal Castrillon Hoyos, is nu via deze website integraal in gedeelten te bekijken en vooral te bestuderen.






Behalve het Missale Romanum 1962 (hier en hier)en Fr. Adrian Fortescue's The Mass: A Study of the Roman Liturgy of Fr. Josef Jungmann's Missarum Sollemnia wat de theologiegeschiedenis betreft en Ceremonies of the Roman Rite Described wat de rubrieken betreft (in de laatste, aan Summorum Pontificum aangepaste editie), is er zo voldoende materiaal aanwezig tot herstel van de Romeinse Ritus, waarvan het missaal van de zalige Johannes XXIII "wegens het eerbiedwaardige en oude gebruik ervan de gepaste eer [dient]te genieten" (Benedictus XVI, Summorum Pontificum). Want "wat voor vorige generaties heilig was, blijft heilig en groots voor ons en het kan niet plots geheel verboden worden of zelfs beschouwd worden als schadelijk. Het is voor allen goed om de rijkdommen die zich ontwikkeld hebben in het geloof en gebed van de Kerk te bewaren en er hun juiste plaats aan te geven." (Benedictus XVI, Begeleidend schrijven aan de bisschoppen).

zaterdag, september 19, 2009

Zijn beide missaals identiek?


Natuurlijk is het hoopvol dat sommige priesters in –voorlopig nog- informele bijeenkomsten, beginnen te spreken over de “hervorming van de hervorming” van de liturgie en bv. zin en betekenis van de celebratie ‘ad orientem’ overwegen. We verwachten niets minder van hen, indien zij onze Heilige Vader de afgelopen jaren ernstig hebben genomen.

Anderzijds is er duidelijk, in mondelinge gesprekken en geschreven media, een trend waar te nemen van ‘selectieve interpretatie’. Hierbij argumenteert men als volgt: “als men volgens het missaal van 1969/1970 viert, in het Latijn, met de Romeinse Canon en ‘versus orientem’, dan is er eigenlijk toch geen verschil meer met het missaal van 1962.” Laten we dit de ‘IdentiteitsThese’ (=IT) noemen.


Enkel zuiver formeel gezien, houdt dit argument echter geen steek.
1/Indien IT waar is, wat is dan nog de betekenis van de “wederzijdse verrijking” van beide missalen waar onze Heilige Vader op wijst? Mogen wij dan concluderen dat de aanhangers van IT, de uitspraak van de paus afwijzen?
2/Indien IT waar is, waarom is er dan überhaupt een nieuw missaal ‘gemaakt’? Want we weten dat de ‘editio typica’ van het missaal vanzelfsprekend in het Latijn is, de Romeinse Canon bevat en –dit is nu wel duidelijk- geschreven is om ‘versus orientem’ gecelebreerd te worden. Of moeten we veronderstellen dat de aanhangers van IT de gepastheid van het nieuwe missaal in vraag stellen?
3/Indien IT waar is, waarom celebreert men dan niet met even groot enthousiasme volgens het missaal van 1962? Mogen wij concluderen dat IT een strategie is om de voorstanders van de Buitengewone Vorm de wind uit de zeilen te nemen?

Belangrijker echter lijkt het ons dat IT feitelijk vals is, d.w.z. niet kan steunen op onderzoek van de bronnen.
1/Zo hebben wij in een eerdere bijdrage reeds gewezen op de wankele argumentatie bij de hervorming van de liturgische kalender.
2/Bij wijze van voorbeeld hebben wij laten zien hoe het openingsgebed voor Sint-Albertus op 15 november veranderd is geworden.

3/Hier volgen de belangrijkste resultaten van het eerste deel van de volgende studie van Dr. Pristas, gepubliceerd in Nova & Vetera 3 (2005) pp. 5-38. Deze studie, getiteld “The collects at Sunday Mass: An Examination of the Revisions of Vatican II” onderzoekt de openingsgebeden van alle zon- en feestdagen in het missaal van 1969/1970. (We gebruiken 1962M en 1969M als afkortingen voor beide missaals)

A/Een louter kwantitatieve analyse levert het volgende resultaat: van de 66 openingsgebeden in 1962M zijn er 34 terug te vinden in 1969M, 24 in het 1969M komen uit andere ‘missaals’ en 8 in het 1969M zijn nieuwe composities.
Conclusie: bijna de helft van de openingsgebeden op zon- en feestdagen komen NIET uit het 1962M.
B/Bovendien, van de 34 uit 1962M die wel zijn opgenomen, zijn er slechts 21 ongewijzigd gebleven. Conclusie: minder dan 1/3 van de openingsgebeden op zon- en feestdagen komen ongewijzigd uit het 1962M
C/Van de 24 openingsgebeden uit andere ‘missaals’ komen er 2 uit 1962M en 22 uit oude codices.
D/Sinds de publicatie van het Corpus Orationum (verschenen tussen 1992 en 1999 in de reeks Corpus Christianorum) zijn we in staat om exact na te gaan waar deze 22 gebeden vandaan komen. Het Corpus Orationum bevat alle gebeden uit 201 bestaande codices, d.w.z. 6829 verschillende gebeden. Een paar van deze codices zijn ouder dan de 8ste eeuw, maar het merendeel zijn jonger. De oudste lijst dateert van de 5e /6e eeuw.
5 van de 22 gebeden uit oude codices komen slechts éénmaal voor in de 201 codices.
Van 11 van de 22 gebeden is er geen enkele aanwijzing te vinden dat zij ooit als openingsbed voor een zondag zijn gebruikt.

E/DAARENTEGEN de 32 gebeden uit 1962M die zijn weggelaten zijn ALLEN (behalve deze voor de feesten van de Heilige Familie en de Heilige Naam van Jezus, ingevoerd in respectievelijk 1893 en 1721) te vinden in de oude codices en daarvan zijn 21 te vinden op dezelfde dag in de oude codices als in 1962M.

F/ALLE 30 gebeden van 1962M die zijn weggelaten uit 1969M (behalve 1 waar “quaesumus”: "wij smeken" is toegevoegd) zijn ONGEWIJZIGD te vinden in een oude codex.

Dr. Pristas besluit daarom: “De verantwoordelijken voor de post-Vaticanum II revisie deden een beroep een variatie van zwakkere stromingen – soms zelfs unieke bronnen; zij herwekten vaak wat zij selecteerden en plaatsen regelmatig nieuwe of aangepaste teksten zonder dat er een precedent voor dit gebruik was.

De verantwoordelijken voor het Tridentijnse missaal, daarentegen, deden een beroep op sterke stromingen in de voorafgaande liturgische traditie en namen wat zij selecteerden over zonder de tekst aan te passen of het gebruik ervan te veranderen. Toen de revisoren deze 32 gebeden voor zon- en feestdagen uit het 1962 missaal vervingen, namen zij afscheid van een liturgische, verifieerbare praktijk van tenminste 1200 jaar en niet enkel van de 400 jaar van het Tridentijnse missaal, want zij vervingen deze gebeden, die een langdurige voorkeur hadden, niet door andere gebeden met een vergelijkbare ouderdom of prominente waarde. Veeleer vervingen zij deze met gebeden die wij, in het licht van de vele aanpassingen die werden gemaakt, zowel wat betreft de tekst als het gebruik, moeten beschouwen als grotendeels van eigen makelij” (p. 13).

Hierdoor wordt vanuit wetenschappelijke hoek bevestigd wat kardinaal J. Ratzinger schreef: "An die Stelle der gewordenen Liturgie hat man die gemachte Liturgie gesetzt. Man ist aus dem lebendigen Prozeß des Wachsens und Werdens heraus umgestiegen in das Machen. Man wollte nicht mehr das organische Werden und Reifen des durch die Jahrhunderte hin Lebendigen fortführen, sondern setzte an dessen Stelle – nach dem Muster technischer Produktion – das Machen, das platte Produkt des Augenblicks“. (Kardinaal J. Ratzinger in het voorwoord bij de Franse vertaling van Klaus Gamber’s La Réforme, Le Barroux, 1999)

We hebben hier slechts enkele elementen naar voren gehaald maar deze zijn reeds voldoende, zo lijkt ons, om de IdentiteitsThese te ontkrachten.
Deo volente zullen wij in de toekomst kunnen ingaan op andere, evidente verschillen waarachter telkens andere theologische en ecclesiologische opvattingen schuilgaan: de centraliteit van het altaar (dat volgens 1962M nooit mag verlaten worden zonder het de bijbehorende eer te bewijzen), de rol van private gebeden voor de priester waardoor de priesterlijke identiteit volgens 1962M veel sterker aanwezig is, de volledige wijziging van het Offertorium, de invloed op de ritus van de Eucharistie van Ministeria Quaedam, de twijfelachtige historische fundering van Eucharisch Gebed II, de invloed van de nagenoeg onbeperkte keuzevrijheid op de actieve participatie van het volk (dat immers nu in de onmogelijkheid verkeert beschouwend de H. Mis te overwegen maar overgeleverd is aan de willekeur van de dag), etc.

zaterdag, september 05, 2009

Buitengewone Vorm mainstream

De Buitengewone Vorm van de Romeinse Ritus wordt méér en méér mainstream - ten minste in Rome.

Dit kunnen we afleiden uit twee recente berichten:
Mons. Guido Pozzo zal op 20 september in de Trinità delle Pellegrini, de personele parochie te Rome voor de Buitengewone Vorm, de H. Mis op dragen bij gelegenheid van de tweede verjaardag van Summorum Pontificum. Mons. Pozzo is de nieuwe secretaris van de Ecclesia Dei-Commissie die door Paus Benedictus met het Motu Proprio Ecclesia Unitatem onder de Congregatie voor de Geloofsleer werd gebracht.




Tevens zal op 18 oktober aartsbisschop Raymond Burke, Prefect van de Apostolische Signatuur, de Pontificale H. Mis opdragen op dit altaar, het altaar van de Sacramentskapel in de Sint-Pieter. Naast de vele H. Missen in de Buitengewone Vorm die op de zijaltaren reeds zijn opgedragen door priesters, zal dit de meest significante celebratie zijn van de H. Mis volgens het missaal van de Zalige Johannes XXIII.
Deze H. Mis vormt onderdeel van het congres dat Giovani e Tradizione, de katholieke beweging ter bevordering van de traditionele liturgie, van 16 tot 18 oktober organiseert ter gelegenheid van de 2e verjaardag van Summorum Pontificum. Een blik op het programma van dit indrukwekkende congres (het is een zekere gok te beweren dat niemand van de Lage Landen, laat staan een bisschop, referent voor de liturgie of diens afgevaardigde, zal aanwezig zijn) leert dat met Mgr. Athanasius Schneider (Het is de Heer, oorspronkelijk uitgegeven door de Vaticaanse uitgeverij), pater Michael John Zielinski osb, vice-president van de Pauselijke Commissie voor het cultureel erfgoed van de Kerk en van de Pauselijke Commissie voor Gewijde Archeologie, aangesteld door Benedictus XVI in 2007, en met leden van het Pauselijk Instituut voor Gewijde Muziek de Romeinse curie goed vertegenwoordigd is (natuurlijk tegen de achtergrond van verdeeldheid omtrent de hervorming van de hervorming in de Curie zoals we dit konden waarnemen uit de reactie op het bericht van Andrea Tornielli).

vrijdag, augustus 21, 2009

Gehele Romeinse ritus op het seminarie

Onderstaand bericht heeft misschien ook betrekking op de studie en de praktijk van de gehele Romeinse Ritus op de seminaries?

VATICAN CITY, AUG. 19, 2009 (Zenit.org).- The Vatican is aiming to prepare a "brief, forceful and very clear" document on the formation of seminarians as one of the elements to close the Year for Priests.

This was affirmed by Archbishop Jean-Louis Bruguès, secretary of the Congregation for Catholic Education, in an interview with L'Osservatore Romano today.

The archbishop explained that the preparation of the document over upcoming months will imply a meeting of the congregation's permanent commission, made up of members of various dicasteries who deal with the formation of future priests.

The congregation, the prelate added, wants to send a message to priests that they have been "chosen, [the priesthood] is an honor. Be happy to be a priest."

Archbishop Bruguès added that "a good number of the youth who apply to the formation centers in nations such as Italy, Spain, France, Germany and the United States have a very good professional formation, sometimes high level university education, but they lack general culture, and above all, a Christian culture."

The archbishop recommended compensating for this lack with a preparatory year at the beginning of seminary formation, such that the formation process itself is adapting to the profile of present generations.

The congregation oversees 2,700 seminaries, 1,200 Catholic universities and 250,000 Catholic schools around the world.

maandag, augustus 17, 2009

Forma ordinaria of forma extraordinaria op het seminarie

Kun je als seminarist kiezen tussen de forma ordinaria of de forma extraordinaria?...
Ja dus, zoals Rorate Caeli opmerkt, maar dan wel in het Franse bisdom van Frejus-Toulon waar op 26 september in de kathedraal de bisschop Mgr. Dominique Rey twee priesters voor zijn bisdom zal wijden volgens de buitengewone vorm.

zondag, juli 19, 2009

Mgr. Marc Aillet van Bayonne

"(...) as for myself, it seems to me that the Motu Proprio Summorum Pontificum of Pope Benedict XVI will in the long run be a necessary factor of unity as it will normalise the situation for those faithful who are attached to the extraordinary rite and make it possible for them to live their faith without having the impression of being marginalised. In my opinion, the more we implement the Motu proprio within the parish communities themselves, the better result we will have with the transition between the two forms of the Roman Rite (...) I think we must avoid to “chapelize” (in French, "chapelliser" -- CAP) the extraordinary form, meaning that we must avoid its remaining in a kind of marginalisation, which reduces the life of the Church of those who adhere to it. There are two ways of doing this. Either one addresses oneself to a well-defined community, or one arranges for a timetable for the extraordinary form to be inserted in the midst of the life of the parish, so that the parishioners – even if they participate only in one or the other form of the Roman Rite, may drink out of the same source in their own parish."
Lees hier meer en het origineel in het Frans