maandag, oktober 17, 2011

Vragen aan het Concilie

In verband met een eerdere posts over het werk van Prof. Brunero Gherardini en zijn Verzoek aan paus Benedictus XVI (zie hier, hier en hier), geven wij hier in Nederlandse vertaling een hernieuwd en breder Verzoek aan paus Benedictus. Het betreft een aantal wezenlijke vragen omtrent de interpretatie van teksten van Vaticanum II. Dit dient inderdaad de insteek te zijn zowel wat betreft de beoordeling van de Buitengewone Vorm als het Concilie: de betekenis van de tekst en de gezaghebbende interpretatie van het Leergezag.

Verzoek
Aan de Heilige Vader Paus Benedictus XVI, dat hij moge bevorderen een grondig onderzoek van het pastoraal Concilie Vaticanum II

Heiligheid,
Mons. Brunero Gherardini, priester van het bisdom Prato en kanunnik van de Basiliek van Sint-Petrus, voormalig Hoogleraar ecclesiologie aan de Pauselijke Universiteit van Lateranen en Decaan van de Italiaanse theologen, heeft in 2009 aan Uwe Heiligheid een dringend maar evenzeer respectvol Verzoek gericht om een kritisch debat te openen over de teksten van Vaticanum II, een debat dat op grondige en publieke wijze zou gevoerd worden. Dit Verzoek werd in 2010 ondersteund door Professor Roberto de Mattei, docent kerkgeschiedenis en geschiedenis van het christendom aan de Europese Universiteit van Rome en vice-president van de Nationale Raad voor Onderzoek.
In zijn Verzoek schreef Professor Gherardini:
“Omwille van het heil van de Kerk  - en in het bijzonder omwille van de realisatie van het zielenheil (salus animarum), welke de eerste en hoogste wet is – [CIC 1983, can. 1752] en na decennia van vrije creativiteit op het gebied van de exegese, theologie, liturgie, geschiedenis en pastoraal in naam van het Tweede Oecumenisch Vaticaans Concilie lijkt het mij een dringende noodzaak dat er wat helderheid komt door met gezag te antwoorden op de vraag omtrent de continuïteit van dit Concilie – niet door dit af te kondigen maar door dit aan te tonen – met de andere Concilies en omtrent de trouw ervan ten aanzien van de Overlevering zoals zij altijd al van kracht is in de Kerk.”
“Het lijkt immers moeilijk, zo niet onmogelijk, te komen tot de gewenste hermeneutiek van de continuïteit [met het gehele voorafgaandelijke Leergezag] indien men niet eerst is gekomen tot een aandachtige en wetenschappelijke analyse van de afzonderlijke documenten, in hun geheel en in hun afzonderlijke argumenten, van de onmiddellijke en verwijderde bronnen ervan maar daarentegen voortgaat erover te praten en enkel de inhoud ervan te herhalen en deze voor te stellen als een absolute nieuwigheid.”
“Een onderzoek van deze draagwijdte overstijgt ten zeerste de mogelijkheden van één enkele persoon, en dit niet enkel omdat éénzelfde argument vereist behandeld te worden vanuit verscheidene perspectieven, - historisch, patristisch, juridisch, filosofisch, liturgisch, theologisch, exegetisch, sociologisch, wetenschappelijk – maar ook omdat elk document aan tientallen en tientallen argumenten raakt die enkel door de geleerden in deze gebieden kunnen effectief beantwoordt worden.”
“Reeds lang geleden ontstond in mij het idee – dat ik nu durf voor te leggen aan Uwe Heiligheid – van een plechtige en zo mogelijk definitieve verklaring over het laatste Concilie in al haar aspecten en inhouden. Het lijkt inderdaad logisch en noodzakelijk dat elk aspect en elke inhoud zou worden bestudeerd in zichzelf en in de context van al het overige en dit met het oog op alle bronnen en vanuit de specifieke invalshoek van het voorafgaande kerkelijke  - zowel plechtig als gewoon – Leergezag. Op basis van zulk een breed en objectief wetenschappelijk werk zal het vervolgens mogelijk zijn om materiaal te leveren voor een zekere en objectieve beoordeling van Vaticanum II bij de beantwoording van volgende – naast de vele andere – vragen:
1.            Wat is haar ware aard/wezen?
2.            In welke verhouding staat het pastorale karakter van Vaticanum II - een begrip dat men op gezaghebbende wijze zal moeten preciseren - tot het eventueel dogmatisch karakter? Verzoent zich het pastorale karakter met het dogmatische karakter?
3.            Is het daadwerkelijk mogelijk om dogmatisch Vaticanum II te definiëren? En dus naar het Concilie te verwijzen als zijnde dogmatisch; nieuwe theologische beweringen funderen op het Concilie; in welke zin en met welke limieten?
4.            Is het een "gebeurtenis" in de zin van de professoren uit Bologna [de Alberigo-school, verantwoordelijk voor een invloedrijke geschiedenis van Vaticanum II], die de verbindingen met het verleden verbreekt een tijdperk instelt dat in elk aspect nieuw is? Of herleeft het verleden in Vaticanum II "eodem sensu eademque sententia"?
Het is vanzelfsprekend dat de hermeneutiek van de breuk en de hermeneutiek van de continuïteit afhangen van de antwoorden op deze vragen. Maar indien de wetenschappelijke conclusie leidt naar de hermeneutiek van de continuïteit als de enig mogelijke en aanvaardbare conclusie, dan zal het noodzakelijk zijn te bewijzen – en dit meer dan het louter declameren ervan – dat deze continuïteit werkelijk is en dat deze zich toont, enkel in de onderliggende dogmatische identiteit. Indien dit, geheel of ten dele, niet zou wetenschappelijk bewezen worden, dan is het noodzakelijk dit rustig en eerlijk te zeggen en dit in antwoord op het verlangen naar helderheid waarop men al bijna een halve eeuw wacht.”[1]

In zijn recente, zeer gedocumenteerde en vernieuwende geschiedenis van Vaticanum II, welke eindelijk aan het publiek een nauwkeurig en realistisch kader geeft van de prangende en dramatische gebeurtenissen van dit Concilie besluit professor de Mattei als volgt:
“Tot besluit van dit werk zij het mij toegestaan mij met verering te richten tot Zijne Heiligheid Benedictus XVI, in wie ik de opvolger van Petrus herken waarmee ik mij onlosmakelijk verbonden voel en hem van harte mijn dank te betuigen dat hij de poorten heeft opengezet voor een ernstig debat over Vaticanum II. Ik herhaal dat ik een bijdrage tot dit debat heb willen leveren als historicus, niet als theoloog maar ik verenig mij met de verzoeken van die theologen die met eerbied en kinderlijke gehoorzaamheid aan de Plaatsvervanger van Christus op aarde vragen een grondig onderzoek te bevorderen van Vaticanum II, in al haar complexiteit en omvang, om op deze wijze de continuïteit van dit Concilie met de twintig voorafgaande Concilies te verifiëren en de schaduwen en twijfels uit te bannen, die bijna een halve eeuw de Kerk doen lijden, in de zekerheid echter dat de poorten van de Hel Haar nooit zullen overwinnen (Mt. 16, 18).”[2]
Wij, ondertekenaars, eenvoudige gelovigen, sluiten ons geheel en al aan bij deze gezaghebbende en respectvolle vragen. In de zekerheid dat het ons niet ontbreekt aan kinderlijk respect voor Uwe Heiligheid, staan wij onszelf toe enkele van deze “vele andere vragen” toe te voegen – en dit als een verdere, zij het beknopte illustratie van de delicate materie – welke volgens onze bescheiden mening vast en zeker eindelijk een verhelderend antwoord zouden verdienen, en dit op basis van de resultaten van de analyses van Prof. Gherardini en van andere theologen en intellectuelen, welke al sinds het begin van het postconciliaire tijdperk gevochten hebben om helderheid te verkrijgen over Vaticanum II:

5.           Wat is de exacte betekenis van het begrip “levende traditie” in de constitutie Dei Verbum over de goddelijke Openbaring? In zijn recente, grondige studie over het begrip ‘katholieke traditie’ stelt Prof. Gherardini dat in Vaticanum II zich daarentegen een echte ‘copernicaanse revolutie’ zou hebben voorgedaan in de opvatting omtrent de Traditie van de Kerk, omdat de dogmatisch waarde van de Traditie er niet helder gedefinieerd wordt (DV 8); er is daar een ongewone reductio ad unum van de twee bronnen van de Goddelijke Openbaring (Schrift en Traditie) welke steeds erkend zijn geworden in de Kerk en bevestigd in de dogmatische Concilies van Trente en Vaticanum II (DV 9); er verschijnt zelfs een aanslag op het dogma van de inerrantie van de Heilige Geschriften omdat “nadat bevestigd is geworden dat alles wat de gewijde schrijvers stellen van de Heilige Geest komt, het kenmerk van de inerrantie enkel wordt toegeschreven aan ‘heilswaarheden’ of ‘verlossingswaarheden’, aan een deel van het geheel (“veritatem, quam Deus nostrae salutis causae Litteris Sacris consignari voluit”). Maar indien de Heilige Geest alles heeft geïnspireerd wat de gewijde schrijvers hebben geschreven, dan zou de inerrantie moeten toegepast worden op het geheel en niet enkel op heilswaarheden. De tekst lijkt daarom onlogisch.[3]
6.          Wat is de exacte betekenis die men dient toe te schrijven aan de nieuwe definitie van de Katholieke Kerk in de dogmatische constitutie (welke nochtans geen dogma’s definieert) Lumen gentium over de Kerk? Indien deze definitie samenvalt met deze van alle tijden – dat enkel de katholieke Kerk de enige en ware Kerk van Christus is omdat deze de enige is die doorheen de eeuwen ongeschonden de geloofsschat, ingesteld door Onze Heer en door de Apostelen onder leiding van de Heilige Geest, heeft bewaard – waarom heeft men deze dan veranderd door te schrijven – op een manier die niet makkelijk te begrijpen is voor de eenvoudige gelovige en die nooit duidelijk is uitgelegd geworden (men moet dit durven zeggen) – dat “de enige” Kerk van Christus “subsisteert in de katholieke Kerk, bestuurd door de opvolger van Petrus en de bisschoppen in gemeenschap met hem ofschoon men buiten haar meerdere elementen van heiliging en waarheid vindt, die, als eigen gaven van Christus' Kerk, een uitnodiging zijn tot de katholieke eenheid.” (LG 8). Lijkt het niet dat in deze formulering de katholieke Kerk verschijnt als louter een deel van de Kerk van Christus? Een deel omdat de Kerk van Christus, naast de katholieke Kerk, ook “meerdere elementen van heiliging en waarheid”, geplaatst “buiten” de katholieke Kerk zou bevatten? Met als gevolg dat de “enige ware godsdienst welke subsisteert in de katholieke Kerk (DH 1) deze zou zijn van een “Kerk van Christus” die “elementen” bevat die buiten de katholieke Kerk zouden liggen. Wie wil kan dit misschien ook zo begrijpen dat de “enige ware godsdienst” volgens het Concilie ook subsisteert in de niet-katholieke “elementen van de “Kerk van Christus”.
7.            Wat is de ware betekenis die men moet toeschrijven aan het begrip van de Kerk algemeen begrepen als “Volk van God” (LG 9-17), een begrip dat in het verleden enkel een deel van het geheel aanduidde, het geheel dat daarentegen vertegenwoordigd werd door het “Mystieke Lichaam van Christus”?
8.            Welke betekenis dient men toe te schrijven aan de weglating van de termen ‘bovennatuurlijk’ en ‘transsubstantiatie’ in de teksten van het Concilie? Betreft deze weglating misschien ook de daarmee verbonden concepten, zoals sommigen beweren?
9.            Wat is de exacte betekenis van de nieuwe wijze waarop de collegialiteit verstaan wordt? Hoe moeten we de interpretatie die de Nota esplicativa praevia, geplaatst aan het begin van Lumen gentium (ten einde de controverse hierover onder de concilievaders te beslechten) hiervan geeft, beschouwen in het licht van het altijdgeldende onderricht van de Kerk. Wij verwijzen naar de twijfels zoals deze in zijn tijd helder zijn uiteengezet door Romano Amerio:
“De Nota praevia verwerpt de klassieke interpretatie van de collegialiteit, volgens de welke het subject van de hoogste macht in de Kerk enkel de Paus is die deze meedeelt, wanneer hij wil, met de universaliteit van de bisschoppen door hem bijeengeroepen voor het Concilie. De hoogste macht is collegiaal enkel door de mededeling ad nutum van de Paus. De Nota praevia verwerpt tevens de leer van de nieuwlichters volgens de welke het subject van de hoogste macht in de Kerk het college van bisschoppen is, verenigd de Paus en niet zonder de Paus die er het hoofd van is, maar op zulke wijze dat wanneer de Paus de hoogste macht uitoefent, ook alleen, hij deze uitoefent als hoofd van het college en dus als vertegenwoordiger van het college, dat hij verplicht is te raadplegen om er te betekenis van uit te drukken. Dit is de theorie die geënt is op de stelling die spreekt over de veelzijdige [democratische] oorsprong van het gezag, een stelling die moeilijk te verzoenen is met de constitutie van de Kerk [welke hiërarchisch is en van goddelijke oorsprong, niet ontsproten aan het volk]. Terwijl de Nota praevia beide theorieën verwerpt houdt ze stevig vast aan het feit dat de hoogste macht ligt bij het college van bisschoppen, verenigd met het Hoofd [en dit is de grote nieuwigheid], maar dat het Hoofd deze macht kan uitoefenen onafhankelijk van het college, terwijl het college niet onafhankelijk kan zijn van het Hoofd [en dit zou de toegeving zijn aan de Traditie].”[4]
En is het juist te stellen dat de toeschrijving van juridisch machten, deze van een waar en eigenlijk college, aan de bisschoppenconferentie de facto de figuur van de bisschop heeft ontwaardigd en gedeformeerd? In feite lijken de bisschoppen, als bisschoppen apart, voor niets meer mee te tellen in de Kerk (Uwe Heiligheid moge ons onze openheid vergeven). Over dit punt nogmaals Amerio:
“De meest betekenisvolle nieuwigheid van de postconciliaire Kerk ligt erin dat participatie is gegeven aan alle organen van de Kerk welke juridisch gedefinieerd zijn geworden zoals de permanente synode van bisschoppen, de bisschoppenconferenties, de diocesane en nationale synodes, de pastorale raden, priesterraden, etc. […]. De constitutie van de bisschoppenconferenties heeft twee zaken voortgebracht: ze heeft de organische structuur van de Kerk gedeformeerd en het gezag van de bisschoppen ontwaardigd.
Volgens het preconciliaire recht zijn de bisschoppen de opvolgers van de Apostelen en besturen zij elk hun eigen bisdommen met gewone macht, zowel in het geestelijke als in het tijdelijke en hierbij oefenen zij legislatieve, juridische en uitvoerende macht uit (can. 329 en 335 CIC 1917). Dit gezag is precies, individueel, en behoudens de instelling van de vicaris-generaal, niet-delegeerbaar (de vicaris-generaal was daarenboven ad nutum van de bisschop) […]. Het decreet Christus Dominus over het pastorale ambt van de bisschoppen schrijft aan het episcopale corps collegialiteit toe, d.w.z. “hoogste en volledige macht over de universele Kerk” en deze macht zou in alles gelijk zijn aan deze van de Romeinse Paus indien deze macht zou kunnen worden uitgeoefend zonder de instemming van de Romeinse Paus. Deze hoogste macht is altijd toegeschreven geworden [enkel] aan de verzamelde bisschoppen, bijeengeroepen door de Paus in een oecumenisch Concilie. Maar er stelt zich de vraag of een autoriteit die enkel in werking wordt gesteld door een instantie die hoger is dan haar, kan beschouwd worden als een hoogste gezag en of dit niet neerkomt op een loutere virtualiteit en als het ware een ens rationis. Maar volgens de geest van Vaticanum II ligt de uitoefening van het bisschoppelijke macht waarin zich de collegialiteit concretiseert in de macht van de bisschoppenconferenties.
Hier is het eigenaardig te zien hoe het decreet Christus Dominus (in nr. 37) de reden voor deze nieuwe instelling vindt in de noodzaak voor de bisschoppen van eenzelfde land om samen te werken en hoe niet gezien wordt dat deze samenwerkingsband, vanaf nu juridisch bepaald, de orde van de Kerk verandert door de bisschop te vervangen door een corps van bisschoppen en de persoonlijke verantwoordelijkheid door deze van een collectieve verantwoordelijkheid, d.w.z. een verdeelde verantwoordelijkheid […]. Met de instelling van de bisschoppenconferenties is de Kerk nu een policentrisch corps geworden […]. Het eerste gevolg van deze nieuwe structuur is dus de verzwakking van de band van eenheid [met de Paus] zoals zichtbaar is geworden in de overvloed van onenigheden over zeer belangrijke zaken [bv. de leer van de encycliek Humanae vitae van 25 juli 1968]. Het tweede gevolg is het verlies aan gezag van de afzonderlijke bisschoppen; zij leggen niet meer verantwoordelijkheid af aan hun eigen volk noch aan de Heilige Stoel: in plaats van individuele verantwoordelijk komt er immers een collegiale verantwoordelijkheid, die, aangezien deze zich bevindt in het gehele corps, niet kan toegeschreven worden aan de afzonderlijke componenten van het corps.”[5]
10.        Welke betekenis dient men vandaag te geven aan de figuur van de priester, deze authentieke instelling van de Kerk?[6] Is het waar dat reeds vanaf het Concilie de priester van “priester van God” verlaagd is geworden tot “priester van het Volk Gods” en gereduceerd is geworden voornamelijk tot de functies van “animator” en “voorzitter van de verzameling” van het “Volk Gods” en tot “sociaal werker”?
·         In dit verband worden bekritiseerd: Lumen gentium 10, 2 dat lijkt op hetzelfde plan te willen stellen het “ambtelijk of hiërarchisch” priesterschap en het zogenaamde “algemeen priesterschap van de gelovigen” – dat in het verleden enkel als een eretitel werd aanzien – in de bewering dat beiden “in betrekking staan tot elkaar” (“ad invicem tamen ordinantur”) (zie ook LG, 62,2);
·         Lumen gentium 13, 3 dat het priesterschap aanduidt louter als “functie” van het “Volk Gods”;
·         het feit dat de prediking van het Evangelie als eerste wordt aangeduid betreffende de priesterlijke “functie” (Presbyterorum Ordinis nr. 4: “de priesters, als medewerkers van de bisschoppen, [hebben] als eerste taak, aan allen het Evangelie van God te verkondigen”) terwijl daarentegen het dogmatisch Concilie van Trente gesteld heeft dat datgene wat de zending van de priesterschap op de eerste plaats kenmerkt ligt in “de volmacht om Zijn Lichaam en Bloed te consacreren (consecrandi), op te dragen (offerendi) en uit te delen (ministrandi)” en ten tweede “om zonden te vergeven en niet te vergeven.” (DS 957/1764).
·         En is het waar dat Vaticanum II de facto het kerkelijk celibaat ontwaardigd heeft door de bevestiging dat de “de volmaakte en blijvende onthouding omwille van het koninkrijk der hemelen, die door Christus de Heer is aanbevolen,  […] is door de Kerk vooral voor het priesterleven altijd zeer hoog gewaardeerd. … Ze wordt weliswaar niet door het wezen zelf van het priesterschap vereist (PO 16); deze laatste bewering gerechtvaardigd door een foutieve interpretatie van 1Tim. 3, 2-5 en Tit 1, 6?
11.        Wat is de precieze betekenis van het principe van de “creativiteit” in de Heilige Liturgie, een principe dat ongetwijfeld het resultaat is van de concessies aan de bisschoppenconferenties van een omvangrijke competentie in deze materie, met in begrip van de mogelijkheid te experimenteren met nieuwe vormen van eredienst om deze aan te passen aan het karakter en de tradities van de volkeren en om deze zo veel mogelijk te vereenvoudigen? Dit alles wordt voorgesteld in de constitutie Sacrosanctum Concilium over de Heilige Liturgie: art. 22, 2 over de nieuwe competenties van de bisschoppenconferenties; 37, 38, 39 en 40 over de aanpassing aan het karakter en de tradities van de volkeren en over de criteria van de liturgische aanpassing in het algemeen; art. 21 en 34 over de liturgische vereenvoudiging. Werd een gelijkaardige mogelijkheid om te vernieuwen in de liturgie niet ten allen tijde sterk afgewezen door het Leergezag van de Kerk? Het is waar dat SC altijd de controle van de Heilige Stoel over de liturgie en de vernieuwingen ervan oplegt (SC 22, 2 en 40, 1 en 2) maar deze controle heeft zich onbekwaam getoond om de wijdverspreide vernietiging van de liturgie te verhinderen, een vernietiging die vele gelovigen van de kerken verwijderd heeft en tot op de dag van vandaag voortduurt, niettegenstaande de disciplinaire maatregelen om te komen tot de eliminering van de begonnen misdrijven, maatregelen waaraan Uwe Heiligheid stevig vasthoudt. Zou het gewenste onderzoek niet een licht kunnen werpen op de motieven van dit falen?
We kunnen natuurlijk niet op alle vragen ingaan die opgeworpen worden door de teksten van het Concilie en welke in verband staan met de huidige situatie van de Kerk. Vele vragen zouden nog gesteld kunnen worden waaronder over fundamentele themata als de gewetensvrijheid en het oecumenisme. Wat dit betreft mogen wij enkel nog het volgende hieraan toevoegen:
12.        Het principe van de godsdienstvrijheid, voor het eerst afgekondigd door het Concilie als “mensenrecht” of “natuurlijk” recht van de persoon, ongeacht zijn godsdienst, en dus prevalerend ten aanzien van het recht van de enige Geopenbaarde Waarheid (onze katholieke godsdienst), die dient beleden te worden als ware godsdienst met voorkeur ten aanzien van de anderen die niet geopenbaard zijn en dus niet afkomstig zijn van God; dit principe, dat gegrondvest is op de veronderstelling dat alle godsdiensten gelijk zijn, maar waarvan de toepassing enkel indifferentisme, agnosticisme en uiteindelijk atheïsme bevorderd heeft; dit principe, zoals het verstaan wordt door het Concilie, waarin verschilt dit werkelijk met de gewetensvrijheid zoals die een ereplaats krijgt toegewezen tussen de laïcale “rechten van de Mens”, beleden door de ultralaïcale en anti-christelijke Franse Revolutie.
13.        Lijkt ook niet het huidige oecumenisme te leiden tot een gelijkaardig resultaat (indifferentisme en verlies van het geloof), gezien het feit dat het eigenlijke doel ervan niet zozeer lijkt te zijn de bekering (in zoverre mogelijk) van het mensengeslacht tot Christus maar wel de eenheid en zelfs de vereniging van het menselijk geslacht tot een soort van nieuwe Kerk of mondiale religie, in staat om –zo wenst men – een messiaans rijk van vrede en broederschap tussen alle volkeren te beginnen? Indien dit de doeleinden van het oecumenisme zijn, welke gedeeltelijk reeds te vinden zijn in de pastorale constitutie Gaudium et spes over de Kerk en de huidige wereld, lijkt dan de actuele oecumenische dialoog niet gevaarlijk af te stevenen op een soort van “akkoord tussen Christus en Belial”?[7] Zou dan niet de gehele dialoog van de postconciliaire Kerk met de huidige wereld opnieuw onderzocht moeten worden?
Heilige Vader,
De vragen die wij U hebben durven stellen in dit nederige Verzoek kunnen zeker diegenen in de Hiërarchie ontstemmen die reeds verklaard hebben het Verzoek van twee jaar geleden vanwege Professor Gherardini niet te waarderen. Het betreft dat gedeelte van de Hiërarchie dat nog niet lijkt te hebben begrepen –sta ons toe dit te zeggen- de uitzonderlijke ernst van de crisis die nochtans reeds vijftig jaar de Heilige Kerk belaagt; een crisis waarvan de preconciliaire tekenen op het Concilie explodeerden, zoals het boek van Prof. de Mattei en daarvóór meer beknopt de werken van P. Ralph M. Wiltgen svd en Prof. Romano Amerio aangetoond hebben.
Volgens ons geweten als gelovigen lijkt deze vraag, die wij met al ons groot respect in dit Verzoek gericht hebben, in volledige harmonie te zijn  -zo durven wij zeggen- met het werk van herstel, vernieuwing en zuivering van de strijdende Kerk, een werk dat zo moedig ondernomen wordt door Uwe Heiligheid, en dit niettegenstaande het verzet en de moeilijkheden van allerlei aard zoals die bij iedereen bekend zijn. Wij verwijzen niet enkel naar het onbuigzame handelen van Uwe Heiligheid tegen de corruptie van de zeden bij een deel van de clerus noch naar de handelingen inzake het gezond maken van sommige bekende katholieke caritas-instelingen, die nauwelijks meer dan de naam ‘katholiek’ hebben behouden.
Wij verwijzen ook naar de “liberalisering” van de viering van de H. Mis in de antieke Romeinse ritus (welke oneigenlijk genoemd wordt “tridentijns’ aangezien de Canon, volgens een stevige traditie, teruggaat tot de apostolische tijd) en de toediening van de H. Sacramenten en de ritus van het exorcisme volgens het preconciliaire rituaal. Wij verwijzen ook naar Uw opheffing van de excommunicatie (omwille van welbekende disciplinaire redenen) van de bisschoppen van de Priesterbroederschap S. Pius X, gesticht door Z. Exc. Mons. Marcel Lefebvre, en dat deze “liberalisering” respectvol maar met aandrang gevraagd werd aan Uwe Heiligheid, terwijl met dit doel ook een ‘Internationale kruistocht van de H. Rozenkrans’ werd opgericht, die een brede aanhang heeft gevonden bij de gelovigen.
In al deze bepalingen, welke zeker van het hoogste belang zijn voor de wedergeboorte van de Kerk, bepalingen genomen motu proprio, in Uw volle gezag van Paus, dat Zijn potestas iurisdictionis over geheel de Kerk enkel ontleend aan Onze Heer, ziet onze sensus fidei van eenvoudige katholieken duidelijk het werk van de Heilige Geest. Wij besluiten daarom ons nederig Verzoek door de hulp van de Heilige Geest af te roepen opdat Uwe Heiligheid, bij het ondernomen werk van herstel om Christus opnieuw tot centrum te maken van het katholicisme (Ef. 1, 10), ook moge insluiten het gewenste heronderzoek van het Concilie.
Met geheel onze kinderlijke devotie en ontzag,
In Domino et in corde Mariae
24 september 2011
Ondertekenaars van dit Verzoek aan de Heilige Vader, Benedictus XVI
1. Prof. Paolo Pasqualucci, docente di filosofia; 2. Mons. Brunero Gherardini, decano dei teologi italiani, docente di Ecclesiologia; 3. Mons. Antonio Livi, professore emerito di Filosofia della conoscenza nell'Università Lateranense; 4. Prof. Roberto de Mattei, Università Europea di Roma; 5. Prof. Luigi Coda Nunziante, a titolo personale e in qualità di presidente della Associazione "Famiglia Domani"; 6. Dott. Paolo Deotto, direttore di Riscossa Cristiana, www.riscossa cristiana.it; 7. Prof. Piero Vassallo, docente di filosofia, condirettore di Riscossa Cristiana; 8. Prof. Emilio Biagini; 9. Prof. Paolo Mangiante; 10. Prof. Primo Siena; 11. Dott. Luciano Garibaldi; 12. Dott. Mauro Faverzani; 13. Dr.ssa Virginia Coda Nunziante; 14. Dott. Pucci Cipriani; 15. Dott. Normanno Malaguti; 16. Dott. Giovanni Ceroni; 17. Dott. Paolo Maggiolo; 18. Maria Viscidi; 19. Dr.ssa Carla D'Agostino Ungaretti – Roma; 20. Alfredo Bazzani – Verona; 21. Francesca Poluzzi; 22. Diacono Don Roberto Donati – Firenze; 23. Fabio Scaffardi – Firenze; 24. Dott. Giovanni Catanzaro; 25. Annarosa Berselli; 26. Tommaso Lopatriello - Policoro (MT); 27. Francesco Dal Pozzo – Bologna; 28. Don Marcello Stanzione e tutta la Milizia di San Michele Arcangelo; 29. Prof. Dante Pastorelli - Governatore della Venerabile Confraternita di S. Girolamo e S. Francesco Poverino in S. Filippo Benizi, Firenze.   Presidente di Una Voce, sez. di Firenze; 30. Maria Eleonora Bagnoli – Prato; 31. Cesaremaria Glori – Belluno; 32. Maria Matilde; 33. Calogero Cammarata - Presidente di Inter Multiplices Una Vox – Torino; 34. Dr.ssa Cristina Siccardi - Castiglione Torinese (TO); 35. Dott. Carlo Manetti - Castiglione Torinese (TO); 36. Roberto Sgaramella – USA; 37. Alessandro Gnocchi; 38. Mario Palmaro; 39. Mario Crisconio - Cavaliere di Malta, Governatore del Pio Monte della Misericordia (in Napoli), presidente di "Una Voce", sezione di Napoli; 40. Enrico Villari - ingegnere e dottore in filosofia – Napoli; 41. Marcello Paratore - docente di filosofia – Napoli; 42. Giuseppe De Vargas Machuca - Primo Governatore della Reale Arciconfraternita e Monte del SS. Sacramento dei Nobili Spagnoli – Napoli; 43. Giovanni Turco - docente universitario, presidente della "Società Internazionale Tommaso d'Aquino", sezione di Napoli; 44. Giovanni Tortelli - scrittore, studioso di diritto ecclesiastico e storia della Chiesa – Firenze; 45. Luigi Torre, avvocato – Genova; 46. Stefania Zanon Torre – Geonva; 47. Dott. Fausto Belfiori; 48. Don Roberto Donati, diacono dell'Arcidiocesi di Firenze; 49. Lucia Biancato - Mogliano Veneto (TV); 50. Prof. Corrado Gnerre - Università Europea di Roma; 51. Adriana Turcato – Treviso; 52. Umberto Bonvicini - Treviso


Vertaling uit het Italiaans: A Belgian Thomist



[1] B. GHERARDINI, Supplica al Santo Padre, in appendice a: ID., Concilio Ecumenico Vaticano II. Un discorso da fare, Casa Mariana Editrice, Frigento (AV), 2009, cm.editrice@immacolata.ws , pp. 254-256. In dit verzoek zijn alle teksten in rechte haakjes van de schrijver, niet van de geciteerde auteur.
[2] R. DE MATTEI, Il Concilio Vaticano II. Una storia mai scritta, Lindau, Torino, 2010, p. 591.
[3] B. GHERARDINI, “Quod et tradidi vobis”. La Tradizione vita e giovinezza della Chiesa, in ‘Divinitas’, Nova Series, 2010 (53) nn. 1-2-3, pp. 165-186.
[4] R. AMERIO, Iota Unum. Studiodelle variazioni della Chiesa cattolica nel secolo XX, Ricciardi, Milano-Napoli, 1986², pp. 79-80 (§ 44).
[5] Ibid., pp. 441-444 (§ 232 e 233).
[6] Noot van de vertaler: De Italiaanse grondtekst voegt hieraan toe: ribattezzato “presbitero” per motivi che al fedele restano oscuri? Lett.: “herdoopt ‘priester’ omwille van motieven die duister blijven voor de gelovigen”. Het Italiaans  werkt hier met het onderscheid tussen ‘sacerdote’ en ‘presbitero’ dat wij in het Nederlands niet kennen.
[7] B. GHERARDINI, Quale accordo fra Cristo e Beliar? Osservazioni teologiche sui problemi, gli equivoci ed i compromessi del dialogo interreligioso, Fede & Cultura, Verona, 2009.

donderdag, september 29, 2011

An update on the activities of Father Leo Elders

A few months ago we reported on some recent publications and activities of the Dutch Thomist, Father Leo Elders s.v.d. The new academic year now well underway, we can offer some update on that report. During the summer Father Elders went on his usual trip to the USA and Latin-America, this year in particular to Chile and Argentina, where he gave several lectures (here you can see some pictures of a lecture he gave at the Major Seminary of the Diocese of San Bernardo (Chile) and participated in the Semana Tomista, giving a paper on Cajetan.
Another yearly event will be his participation at the 32th Theological Conference at the University of Navarra (Pamplona-Spain) where he will give a paper on Jacques Maritain. On the way to Pamplona, he will as usual make a stop at the Abbey of Fontgombault (France) to give a talk to the monks there.
He is continuing his work on Aquinas's commentaries on Aristotle and hopes to publish a further installment in that series very soon.
An extremely interesting article - look at the subtitle!- will be published very soon in Dutch entitled: "The situation of the faith and the Catholic Church in the Netherlands in the years after the Vatican Council. How the decline of the Catholic Church in the Netherlands at the turn of the century was made possible and promoted by theological theories in the sixties and seventies".
We offer below a list of his publications in the year 2011:
  • La vie morale selon saint Thomas d’Aquin. Une éthique des vertus. Parole et Silence/Presses Universitaires de l’IPC, Paris, 2011, 336 p. ISBN 978-2-84573-974-1. 
  • Splendeur du vrai. L’encyclique Veritatis splendor, in : L’Homme Nouveau, 2, 2011, pp. 51-52. 
  • La “Expositio in Psalmum” 50 de Santo Tomás de Aquino, in: Piotr Roszak (ed.), El comentario de Santo Tomás de Aquino al Salmo 50 (51): Traducción y Estudios, Pamplona 2011, pp. 51-66 (Cuadernos de Anuario Filosófico – Serie Universitaria 236) 
  • La tolérance selon saint Thomas d’Aquin, in: Sedes sapientiae 29/1 (2011, nr. 115), pp. 21-42. 
  • Introduction, in: Thomas d’Aquin, Commentaire sur Isaïe par saint Thomas d'Aquin. Traduction des moines de l'Abbaye Notre-Dame de Fontgombault, Introduction de Leo J. Elders, Presses universitaires de l'IPC - Parole et silence, Paris 2011, pp. v-xxii. 
  • La présence de saint Grégoire le Grand dans les œuvres de saint Thomas d’Aquin, in: Nova & Vetera (Fribourg) 86 (2011/2), 155-180. 
  • La Sententia in Librum Ethicorum de Santo Tomás de Aquino, in : Tomás de Aquino, Comentador de Aristóteles, ed. Héctor Velázquez, Universidad Panamericana, México D.F., 2010, 43-73. 
  • Las conversiones al catolicismo en Japón: ayer y hoy, in : Juan Alonso y J. José Alviar (edit.), Conversión cristiana y evangelización, XXXI Simposio de Teología (2010).Eunsa, Pamplona 2011, 259-268. 
  • La pensée sur l’homme de Maìtre Eckhart et l’anthropologie de Thomas d’ Aquin, in : Marie-Anne Vannier (edit.), La création chez Eckhart et Nicolas de Cues, Paris (Cerf), 2011,159-177. 
  • Teorías filosóficas y desviaciones en la expresión de la fe. La razón en la elaboración y la defensa de la doctrina de la fe, in Miguel Ayuso, Álvaro Pezoa y José Louís Widow (edit.), Razón y Tradición. Estudios en honor de Juan Antonio Widow, Vol. 1, Santiago de Chile 2011, 175-190. 
  • Historiografía cristiana. Eusebio de Cesarea y San Agustín, in Paola Corti B., Rodrigo Moreno, José Luís Widow (editores), Historia, Memoria y Narración, Ediciones Altazor, Viña del Mar, 2011, 43-54. 
  • Los santuarios de la Virgen María en los Países Bajos, in Scripta de María, Instituto Mariológico de  Torreciudad, II, VIII, 2011, 367-396.
For those who want to follow the activities of Leo Elders, we can refer to his website www.leoelders.org and to www.thomisme.org


zondag, september 25, 2011

Studie is wezenlijk voor een seminarist!

Paus Benedictus XVI tot seminaristen in Freiburg, 24 september 2011
"Ja, ich glaube von dem Plan her muss ich wahrscheinlich Schluss machen, jetzt. Ich möchte Ihnen nur einen Punkt noch sagen. Zum Bereitwerden für das Priestertum, zum Weg dahin, gehört vor allem auch das Studieren. Das ist nicht eine akademische Zufälligkeit die sich in der westlichen Kirche ausgebildet hat, sondern wesentlich. Wir alle wissen, dass der heilige Petrus gesagt hat: „Seid jederzeit bereit, die Vernunft, den Logos eures Glaubens als Antwort denen zu geben, die danach fragen“. Unsere Welt, heute, ist eine rationalistische und verwissenschaftlichte Welt, wenn oft auch sehr scheinwissenschaftlich. Aber der Geist der Wissenschaftlichkeit, des Verstehens, der Erklärens, des Wissenkönnens, des Ablehnens des Nichtrationalen ist beherrschend in unserer Zeit. Das hat auch sein Grosses, wenn auch viel Anmaßung und Verkehrtheit dahinter sich oft verbirgt. Und der Glaube ist nicht eine Gefühlsnebenwelt, die wir dann uns auch noch leisten, sondern er ist das, was das Ganze umgreift und ihm Sinn gibt und es deutet und ihm auch die innere ethische Weisung gibt, dass es auf Gott hin und von Gott her verstanden und gelebt sei. Deswegen ist es wichtig, Bescheid zu wissen, zu verstehen, die Vernunft geöffnet zu haben, zu lernen. Natürlich werden in 20 Jahren schon wieder ganz andere philosophische Theorien Mode sein als heute: Wenn ich denke, was bei uns höchste, modernste Mode war und wie vergessen das alles ist … Trotzdem ist es nicht umsonst, dies zu lernen, denn es sind auch beständige Erkenntnisse dabei. Und vor allem, lernen wird darin überhaupt zu urteilen, mitzudenken – kritisch mitzudenken – und zu helfen, dass in dem Denken das Licht Gottes uns erleuchtet und nicht erlischt. Studieren ist wesentlich: Nur so können wir dieser Zeit standhalten und in ihr den Logos unseres Glaubens verkünden. Auch kritisch studieren, eben in dem Wissen, morgen wird ein anderer anderes sagen; aber wach und offen und demütig Lernende zu sein, um immer mit dem Herrn, vor dem Herrn und für ihn Lernende zu bleiben."

zaterdag, september 17, 2011

Kardinaal Burke in Frankrijk en in de Tiltenberg

Zijn Eminentie Kardinaal Burke, die ook op 6 november in Amsterdam en op 7 november in de Tiltenberg zal zijn, heeft deze zomer een aantal plaatsen in Frankrijk bezocht, ondermeer de abdij de Fontgombault, één van deze prachtige plekpleisters van de Buitengewone Vorm. Het ICRSS heeft zoals gewoonlijk mooie foto's.


Slechts één bedenking: dit wordt moeilijk in de kleine kapel van de Tiltenberg!

donderdag, september 15, 2011

Ite ad Thomam

Ziehier de 'vernieuwde' kapel van het priesterseminarie van het bisdom Hildesheim!

Kortom, een aanfluiting van de geloofswaarheid van de werkelijke en blijvende tegenwoordigheid van Christus en in de Eucharistie als Zijn verlossend Offer!
De verantwoordelijken dienen zich te realiseren dat hiermee roepingen tot het katholieke priesterschap in de kiem gesmoord worden en dwalingen geïnstalleerd worden in de zielen van de overigen!








Ziehier de vernieuwde kapel (links vóór, rechts ná) van Sint-Thomas in het studiehuis van de Sint-Jozef provincie van de Amerikaanse Dominicanen in Washington D.C., welke in 2010 het grootste aantal novicen mocht verwelkomen in 44 jaar.

Ite ad Thomam!

woensdag, september 14, 2011

Is de verzoening nakend?

Onze vertaling van het persbericht van vandaag:

14 september 2011
Persbericht van de Heilige Stoel met betrekking tot de situatie van de Priesterbroederschap Sint-Pius X
“Op 14 september heeft in de zetel van de Congregatie voor de Geloofsleer een ontmoeting plaatsgevonden van Zijne Eminentie Kardinaal William J. Levada, Prefect van deze Congregatie en President van de pauselijke commissie ‘Ecclesia Dei’, Zijne Excellentie Mgr. Luis Ladaria S.I., secretaris van dezelfde Congregatie, Mons. Guido Pozzo, secretaris van de pauselijke commissie ‘Ecclesia Dei’ met Zijn Excellentie Mgr. Bernard Fellay, Algemene Overste van de de Priesterbroederschap Sint-Pius X en de Eerwaarde Heren Nikolaus Pfluger en Alain-Marc Nély, respectievelijk diens eerste en tweede algemene assistent.

Als gevolg van het verzoek van 15 december 2008 vanwege de Algemene Overste van de Priesterbroederschap Sint-Pius X aan Zijne Heiligheid Paus Benedictus XVI, heeft de Heilige Vader besloten de excommunicatie van de vier bisschoppen, gewijd door Aartsbisschop Lefebvre, op te heffen en terzelfdertijd leerstellige gesprekken te beginnen met de Broederschap met als doel de problemen van leerstellige aard te verhelderen en te komen tot een overkomen van de bestaande breuk.

In overeenstemming met de wens van de Heilige Vader is een gemengde studiecommissie, bestaande uit experten van de Priesterbroederschap Sint-Pius X en van de Congregatie voor de Geloofsleer, acht maal bijeengekomen tussen oktober 2009 en april 2011. Deze gesprekken, die als doel hadden de wezenlijke leerstellige moeilijkheden omtrent controversiële themata uiteen te zetten en uit te diepen, hebben geleid tot een verheldering van de wederzijdse posities en beweegredenen.

Tevens rekening houdend met de verzuchtingen en verzoeken van de Priesterbroederschap Sint-Pius X met betrekking tot het bewaren van het algehele katholieke geloof ten aanzien van de “hermeneutiek van de breuk” van het Tweede Vaticaans Concilie ten aanzien van de Overlevering, waarvan Paus Benedictus in zijn toespraak tot de Romeinse Curie (22 december 2005) melding heeft gemaakt, beschouwt de Congregatie voor de Geloofsleer als fundamentele basis voor het bereiken van een volledige verzoening met de Heilige Stoel de aanvaarding van de Leerstellige Beginselverklaring die overhandigd is geworden gedurende de ontmoeting van 14 september 2011. Deze Beginselverklaring zet enkele leerstellige principes en interpretatiecriteria van de katholieke leer uiteen, welke noodzakelijk zijn om de trouw aan het Leergezag van de Kerk en het ‘sentire cum Ecclesia’ te garanderen en laat tezelfdertijd de studie en de theologische uitleg van afzonderlijke uitdrukkingen of formuleringen in de documenten van het Tweede Vaticaans Concilie en het daaropvolgend Leergezag open voor rechtmatige discussie.

Tijdens dezelfde ontmoeting werden enkele elementen voorgesteld betreffende een canonieke oplossing voor de Priesterbroederschap Sint-Pius X, volgend op een eventuele en gehoopte verzoening."

Vertaling uit het Italiaans: A Belgian Thomist (Bron)

zaterdag, september 10, 2011

Preken 'made easy'

In Sacramentum Caritatis schreef Benedictus XVI:

"In relatie tot het belang van het Woord van God stelt zich de noodzaak de kwaliteit van de homilie te verbeteren. Zij is immers "een deel van de liturgische handeling"; zij heeft de taak een dieper begrip van het Woord van God en een grotere uitwerking ervan in het leven van de gelovigen te bevorderen. Om deze reden moeten de gewijde bedienaren "de homilie zorgvuldig voorbereiden en daarbij steunen op een adequate kennis van de Heilige Schrift". Generaliserende en abstracte homilieën dienen te worden vermeden. In het bijzonder vraag ik de bedienaren in hun homilie het Woord van God dat verkondigd is, in nauwe relatie te brengen met de sacramentele viering en met het leven van de gemeenschap, zodat het Woord van God werkelijk steun en leven kan zijn voor de Kerk. Men dient daarvoor het catechetische en vermanende doel van de homilie voor ogen te houden. Het zou heel goed zijn om, uitgaande van het driejarig lectionarium, met wijze onderscheiding, voor de gelovigen thematische homilieën te houden die, in de loop van het liturgisch jaar, de grote themata van het christelijk geloof behandelen, en die daarbij putten uit wat door het Leergezag op gezagvolle wijze is voorgehouden in de vier "peilers" van de Catechismus van de Katholieke Kerk en in het recente Compendium: de geloofsbelijdenis, de viering van het christelijk mysterie, het leven in Christus en het christelijk gebed."

Het voorstel tot meer catechese in de homilie is bij veel kenners ('homilitiek'-docenten) op groot verzet gestoten omdat men enerzijds meende dat dit een teruggrijpen zou zijn naar pre-vaticanum II praktijken (en dat is natuurlijk uit den boze!) en anderzijds de 'verworvenheden' van het nieuwe Vaticanum II-lectionarium (méér Heilige Schrift) zou teniet doen. Ik heb al eerder een aantal argumenten naar voren gedragen die een overdreven optimisme over het nieuwe lectionarium willen temperen.

Maar in de veronderstelling dat we nog even vast zitten aan dit ingewikkelde systeem - immers, pedagogisch is regelmaat en een ordelijke structuur veel effectiever, zeker in een tijd met verminderde kennis van de Heilige Schrift: "repititio est mater studiorum" - zou men denken dat priesters de vermeende waarde van dit systeem vurig verdedigen.

Maar het lijkt me dat integendeel de inhoud (de vorm is iets anders en dit volgt in grote mate de retorische talenten van iemand, alhoewel 'retorische technieken' best een college zou kunnen zijn op seminaries) van preken veelal ver beneden elk niveau is; in de veronderstelling dat men überhaupt preekt! Bekend is het fenomeen van priesters die 'het blauwe boekje' (Nederland) of de 'liturgische suggesties' (Vlaanderen) voorlezen. In de week is er natuurlijk helemaal "geen tijd" om te preken en in de zomervakantie mag de pastoor ook wel wat vakantie hebben, dus geen preek.

Zoals altijd geldt ook hier de stelling: "Gelukkig is er nog de paus"! Onze vrienden van rkdocumenten.nl hebben twee prachtige functies geïnstalleerd:

1/ Benedictus XVI en de Heilige Schrift: een opsomming van de pericopen waarover de paus gepreekt heeft.
2/ Bijbelreferenties: een uitklapmenu om snel te vinden wat een tekst van het Leergezag over een bepaalde bijbelpassage zegt.

Kan het nog eenvoudiger!


vrijdag, augustus 12, 2011

Kardinaal George Pell over roepingen

 Kardinaal George Pell, Aartsbisschop van Sydney
"The other thing that is essential for the future is to make it absolutely clear that you need priests. There can be no Church without priests and this means you must have a seminary where young people will be prepared to go, and this means you must have an orthodox seminary. It means that you must have a seminary that is not sexually corrupt. Of course, we have experienced sexual corruption in the Australian seminaries. I can tell you of one poor lad who knew me from a previous place. He was a teacher who went on to become a priest. When it was announced that I had been appointed Rector of the Seminary I am told he ran weeping from the presbytery. He was a priest for only a few years when he left to live with his male partner after telling his poor mother that his partner was a Catholic. So I am talking from that sort of experience; the young people today are products of the culture in which we live and so we have to be vigilant. In the seminary they have to be taught to pray; prayer life and spirituality have to be the priority. I should add that when I am entering a diocese I have never thrown all the staff in the diocesan offices but when I became archbishop in Melbourne I instructed that in the Seminary there had to be Mass everyday; they were to have Benediction, Adoration and be able to pray the Rosary together — most people expect this to be a normal part of seminary life. However when I put this to the Seminary staff they said they wouldn’t accept it and en bloc offered to resign — so I accepted their resignations and it was one of the best things that had ever happened in the diocese. In other words when you start making changes you can expect resistance. I recall that when I announced the changes in the Seminary to a meeting of the Melbourne Council of Priests not one of them spoke in support of my plans. I knew there were people who did support it but there was not one who would speak out and support it at the time. I am sure that the reform of the Seminary was the most important thing I did when I was in Melbourne, even more so than the religious education. Melbourne is now regularly turning out good orthodox priests and of course when you get good young men going through then they attract others."

Bron